← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2025:1912

RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 24/1972 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 maart 2025 in de zaak tussen [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. R.A. Dayala), en de Dienst Toeslagen, verweerder Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de door verweerder vastgestelde compensatie kinderopvangtoeslag. Met het primaire besluit van 14 december 2021 heeft verweerder de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) toegewezen en € 34.282,- compensatie toegekend voor de jaren 2012 tot en met augustus

  1. Met het bestreden besluit van 20 februari 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiseres gedeeltelijk gegrond verklaard en daarbij een aanvullende compensatie van € 2.181,- toegekend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari
  2. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. De totstandkoming van de besluiten
  3. Eiseres heeft zich bij verweerder gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire en verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2012 tot en met augustus
  4. Op 28 mei 2021 is eiseres aangemerkt als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire en heeft zij op grond van de Catshuisregeling € 30.000,- ontvangen. Eiseres heeft vervolgens verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2012 tot en met augustus
  5. Met het primaire besluit heeft verweerder laten weten dat bij de beoordeling van de toeslagjaren 2012 tot en met augustus 2014 fouten zijn gemaakt. Verweerder heeft op verzoek van eiseres deze toeslagjaren opnieuw beoordeeld. Uit deze herbeoordeling is gebleken dat eiseres recht heeft op een compensatie van € 34.282,-. Zij heeft al eerder € 30.000 ontvangen. Alleen het meerdere betaalt verweerder daarom aan haar uit.
  6. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres gedeeltelijk gegrond verklaard. Naar aanleiding van het bezwaar van eiseres heeft verweerder geconcludeerd dat de compensatieberekening op een aantal punten moet worden aangepast. Verweerder heeft bijvoorbeeld alsnog de heffingsrente betrokken bij de compensatieberekening. De materiële en immateriële schade zijn daarna opnieuw berekend. Dit komt neer op een aanvullende compensatievergoeding van € 2.181,-, dus in totaal € 36.463,-. Beoordeling door de rechtbank
  7. Niet in geschil is dat eiseres over de periode 2012 tot en met augustus 2014 vooringenomen is behandeld door verweerder. De verdeeldheid tussen partijen zit in de vaststelling en de hoogte van het compensatiebedrag voor het institutioneel vooringenomen handelen.
  8. De rechtbank merkt allereerst op dat uit het dossier duidelijk blijkt dat de toeslagenaffaire diepe sporen heeft achtergelaten bij eiseres en haar gezin. De gevolgen daarvan ondervinden zij nog steeds. Zoals in de gronden is vermeld, is de verdere schade vooral van belang bij de beoordeling van een verzoek om de werkelijke schade en minder van belang is bij deze procedure; dat neemt niet weg dat de rechtbank heeft gelezen wat de gevolgen van de kinderopvangtoeslagaffaire voor eiseres zijn geweest en dat de situatie nog altijd onzeker is, ook omdat de hersteloperatie nog niet is afgerond.
  9. De rechtbank beoordeelt in deze procedure of verweerder het toegekende definitieve compensatiebedrag voor de toeslagjaren 2012 tot en met 2014 op de juiste wijze heeft berekend. Deze compensatie is een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag die eiseres ten onrechte niet heeft ontvangen of heeft moeten terugbetalen vanwege institutionele vooringenomenheid. In deze herbeoordeling is geconstateerd dat eiseres vooringenomen is behandeld en dat zij in aanmerking komt voor de compensatieregeling. Op de zitting heeft verweerder deze conclusie nogmaals bevestigd. De compensatieregeling uit de Wht kent een (deels forfaitaire) compensatie voor een aantal limitatief opgesomde schadeposten. Deze schadeposten zijn genoemd in de artikelen 2.2 en 2.3 van de Wht. Dit betekent dat verweerder is gehouden aan de schadeposten en de bedragen en berekeningen zoals zijn genoemd in deze bepalingen. Eiseres heeft terecht opgemerkt dat in het kader van de werkelijke schade alsnog aanvullende schade kan worden toegekend. Dit valt echter buiten het oordeel van de rechtbank in deze uitspraak.
  10. Verweerder heeft de kinderopvangtoeslag over de jaren 2012 tot en met augustus 2014 herbeoordeeld en aan eiseres een compensatie toegekend van in totaal € 36.463,-.
  11. Eiseres voert aan dat ook de kostenverhogende maatregelen naar aanleiding van de diverse beslagen die op haar inkomen zijn gelegd, gecompenseerd moeten worden. Verweerder heeft toegelicht dat uit de overzichten van het Landelijk Incasso Centrum blijkt dat er met betrekking tot toeslagjaar 2014 twee loonvorderingen zijn geweest. De kosten van deze loonvorderingen en rente bedragen samen € 361,-. Verweerder heeft inzichtelijk gemaakt dat zij deze kosten heeft meegenomen in de compensatieregeling. Er zijn geen andere kostenverhogende maatregelen genomen. Dit heeft eiseres niet weersproken. De rechtbank stelt vast dat verweerder inderdaad alle kostenverhogende maatregelen heeft meegenomen. De beroepsgrond van eiseres slaagt dus niet.
  12. Eiseres is het daarnaast niet eens met de berekening van de immateriële schadevergoeding. De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 2.3, vierde lid, van de Wht is bepaald hoe de hoogte van de immateriële schadevergoeding wordt berekend, namelijk dat deze vergoeding gelijk is aan € 500,- per halfjaar. De rechtbank stelt vast dat verweerder de immateriële schade heeft vastgesteld in overeenstemming met wat in artikel 2.3, vierde lid, van de Wht is bepaald. Verweerder heeft geen ruimte om bij het vaststellen van de immateriële schade rekening te houden met andere factoren. Als eiseres meer schade heeft geleden dan op grond hiervan wordt vergoed, kan om een aanvullende compensatie voor de werkelijke schade worden verzocht. Deze beroepsgrond slaagt ook niet.
  13. Eiseres voert verder aan dat haar kinderopvangtoeslag is verrekend met de zorg- en huurtoeslag. Hierdoor is zij rente misgelopen over deze bedragen aan zorg- en huurtoeslag. Verweerder heeft volgens eiseres ten onrechte geen compensatie aangeboden voor de misgelopen rente. De rechtbank overweegt dat uit artikel 2.2, aanhef en onder g van de Wht volgt dat de compensatie bestaat uit een rentevergoeding voor het niet uitgekeerde bedrag vanwege het verminderen of niet toekennen van de kinderopvangtoeslag of het beëindigen van de voorschotverlening kinderopvangtoeslag. De compensatieregeling voorziet dus niet in een vergoeding voor misgelopen rente over de zorg- en huurtoeslag. Op de zitting heeft verweerder toegelicht dat voor de compensatie hiervan waarschijnlijk een aparte regeling komt. Ook is het mogelijk om deze schade op te voeren bij de Commissie Werkelijke Schade, aldus verweerder. De beroepsgrond van eiseres slaagt niet. Conclusie en gevolgen
  14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt: verweerder heeft de hoogte van het compensatiebedrag correct op € 36.463,- vastgesteld. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.F. Zaagsma, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J.A. van Eck, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 maart
  15. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.