← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2025:1933

RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 24/3251 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. M.J. Meijer), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv (gemachtigde: mr. E. Kok). Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de herziening en terugvordering van zijn WW-uitkering. 1.
  2. Met het besluit van 12 maart 2024 heeft het Uwv de WW-uitkering van eiser herzien over de periode 1 oktober 2023 tot en met 31 december 2023 en het bedrag dat achteraf gezien te veel was uitbetaald (€ 9.725,49 bruto) teruggevorderd. De WW-uitkering was namelijk onverschuldigd betaald, omdat intussen per 6 oktober 2023 aan eiser een Ziektewetuitkering uitbetaald werd. Met het bestreden besluit van 21 mei 2024 op het bezwaar van eiser is het Uwv bij dat besluit gebleven. 1.
  3. Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.
  4. De rechtbank heeft het beroep op 6 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn partner, als waarnemer van de gemachtigde van eiser mr. B. Meijer en de gemachtigde van het Uwv. Beoordeling door de rechtbank Heeft er een volledige heroverweging in bezwaar plaatsgevonden?
  5. Eiser voert aan dat het Uwv niet op al zijn bezwaargronden is ingegaan en er dus ook geen volledige heroverweging heeft plaatsgevonden. Het Uwv heeft niet gekeken naar zijn individuele financiële situatie en heeft slechts in zijn algemeenheid gesteld dat financiële problemen op zichzelf geen reden zijn om van terugvordering af te zien. Ook is geen inhoudelijke reactie gegeven op de psychische en psychiatrische problematiek. 2.
  6. Dit betoog slaagt. Het Uwv is in het bestreden besluit niet ingegaan op de persoonlijke situatie van eiser, terwijl dit inzichtelijk in de belangenafweging had moeten worden betrokken. De gemachtigde van het Uwv heeft op de zitting ook erkend dat het Uwv beter op de bezwaargronden in had moeten gaan. Zijn er dringende redenen om (gedeeltelijk) van terugvordering af te zien?
  7. Eiser voert aan dat de herziening en de terugvordering onevenredig zwaar zijn en dat de motivering van het Uwv niet voldoet aan de eisen die de Centrale Raad van Beroep (de Raad) heeft geformuleerd in haar uitspraak van 18 april
  8. In deze uitspraak heeft de Raad geoordeeld dat bij de beoordeling of sprake is van een dringende reden niet alleen rekening gehouden moet worden met de gevolgen van de herziening en terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan. In dit geval is de terugvordering ontstaan door toedoen van het Uwv. Het Uwv erkent dit zelf ook, maar het eigen aandeel van het Uwv heeft volgens eiser ten onrechte niet geleid tot een matiging van het terugvorderingsbedrag. Eiser stelt dat hij zelf niet in staat was om de fout van het Uwv te onderkennen, vanwege zijn psychische gesteldheid. Hij had een burn-out, hartklachten vanwege stress, OCD en verloor zijn baan. Ter onderbouwing van zijn medische situatie heeft hij een rekening van de afdeling cardiologie en een verklaring van zijn huisarts overgelegd. In diezelfde periode werd zijn partner ernstig ziek. Zijn partner heeft op de zitting toegelicht dat zij de administratie gewoonlijk doet, maar dat zij in die periode niet met geld bezig was, maar met overleven. De terugvordering brengt eiser en zijn gezin in grote financiële problemen. Eiser kan de terugvordering niet terugbetalen, want hij kan nu al lastig rondkomen. Om dit inzichtelijk te maken heeft eiser een overzicht van de inkomsten en uitgaven van eiser en zijn partner overgelegd. De inkomsten van eiser en zijn partner bedragen € 2.312,96 per maand, terwijl de uitgaven € 3.275,72 zijn. Daarnaast zijn er achterstanden in onder andere het betalen van de huur en de zorgverzekering. Ter onderbouwing heeft hij verwezen naar een brief van de wooncoöperatie en een screenschot van de openstaande rekeningen bij zijn zorgverzekeraar. 3.
  9. Het Uwv heeft toegelicht dat het zwaarwegende belang van de terugvordering is afgewogen tegen alle relevante feiten en omstandigheden van eiser. Uitgangspunt blijft dat onverschuldigd betaalde uitkering moet worden teruggevorderd om het draagvlak voor de sociale zekerheid te behouden. Daarnaast had eiser kunnen begrijpen dat hij te veel uitkering ontving. Uit de medische gegevens blijkt niet dat hij daartoe niet in staat was. Het Uwv stelt zich verder op het standpunt dat de persoonlijke omstandigheden niet zijn ontstaan door de herziening en terugvordering. Ook bevindt eiser zich financieel gezien niet in een bijzondere of uitzonderlijke situatie. Voor veel mensen die afhankelijk zijn van een uitkering geldt dat zij zich in een moeilijke positie bevinden. Bovendien hoeft eiser voorlopig niet te betalen, vanwege de voor eiser geldende beslagvrije voet. Dit wordt elke zes maanden opnieuw beoordeeld. 3.
  10. De rechtbank overweegt dat bij de beoordeling of er dringende redenen zijn om geheel of gedeeltelijk af te zien van herziening en/of terugvordering een groot gewicht moet worden toegekend aan het belang van de overheid om het recht op uitkering juist vast te stellen. Als er te veel is uitbetaald, moet het te veel betaalde bedrag ook weer terug worden betaald. Daartegenover staat het belang van een betrokkene dat hij door een herziening en terugvordering niet onevenredig wordt geraakt. Bij deze beoordeling is onder andere het eigen aandeel van het Uwv relevant. Dit moet worden afgezet tegen de mate waarin eiser een verwijt kan worden gemaakt van de ontstane situatie. 3.
  11. Vaststaat dat het Uwv in deze zaak een eigen aandeel heeft in het ontstaan van de terugvordering, omdat het Uwv heeft nagelaten om direct de WW-uitkering te verrekenen met de Ziektewetuitkering. Het Uwv heeft de in overweging 3 aangevoerde omstandigheden van eiser niet bestreden. De rechtbank overweegt dat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat, gezien alles wat in deze periode gaande was in hun leven, hij en zijn partner zich niet voldoende ervan bewust waren dat er te veel uitkering werd uitbetaald, zodat zij dit niet aan het Uwv hebben gemeld. Derhalve is er sprake van verminderde verwijtbaarheid. De samenloop van de omstandigheden bij het Uwv en bij eiser maakt dat, hoewel de herziening en terugvordering op een relatief korte periode ziet en de fout na vijf maanden is hersteld, er dringende redenen zijn om gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Naar het oordeel van de rechtbank is de uitkomst van de belangenafweging van het Uwv, dat er geen dringende redenen zijn, dus onevenredig. Het Uwv heeft dit niet onderkend. Conclusie en gevolgen
  12. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. 4.
  13. De rechtbank neemt nu zelf een beslissing om de zaak zoveel mogelijk definitief op te lossen en bepaalt dat de terugvordering wordt gematigd met 50% naar € 4.862,
  14. De rechtbank ziet hier aanleiding toe, vanwege het eigen aandeel van het Uwv in het ontstaan van de terugvordering. De rechtbank ziet geen aanleiding om de terugvordering terug te brengen naar € 0,-, omdat eiser oorspronkelijk geen recht had op het deel van de uitkering dat te veel uitbetaald werd en niet kan worden gezegd dat er in het geheel geen verwijtbaarheid is. 4.
  15. Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het Uwv moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit van 21 mei 2024; - herroept het besluit van 12 maart 2024, voor zover daarbij de hoogte van de terugvordering is vastgesteld op € 9.725,49; - bepaalt dat de terugvordering gematigd wordt tot € 4.862,75 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit; - bepaalt dat het Uwv het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden; - veroordeelt het Uwv tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. K.S. Man, rechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Pijpers, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 27 maart
  16. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Uitkering op grond van de Werkloosheidswet. ECLI:NL:CRVB:2024:
  17. Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.