← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2025:2159

RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 24/2353 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 maart 2025 in de zaak tussen [eiseres] , uit Amsterdam, eiseres (gemachtigde: mr. J. van den Ende), en de Dienst Toeslagen, verweerder. Inleiding

  1. Met een besluit van 21 februari 2022 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het niet in aanmerking komen voor de Catshuisregeling kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. 1.
  2. Eiseres heeft hier bezwaar tegen gemaakt. Met een besluit van 20 maart 2024 (het bestreden besluit 1) is verweerder bij dat besluit gebleven. 1.
  3. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld. 1.
  4. Op 21 oktober 2024 heeft verweerder een herziene beslissing op bezwaar genomen (het bestreden besluit 2). Verweerder heeft het bestreden besluit 1 herzien en het bezwaar van eiseres alsnog ongegrond verklaard. 1.
  5. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.
  6. De rechtbank heeft het beroep op 10 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van verweerder deelgenomen. Eiseres en haar gemachtigde zijn met afmelding niet verschenen. Wat aan deze procedure voorafging Het beroep tegen het bestreden besluit 1
  7. De rechtbank stelt vast dat verweerder hangende het beroep een herziene beslissing op het bezwaar heeft genomen. Gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heeft het beroep van eiseres mede betrekking op deze herziene beslissing op bezwaar.
  8. Nu verweerder met de herziene beslissing op bezwaar het bestreden besluit 1 heeft vervangen, heeft eiseres geen belang meer bij de inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit
  9. De rechtbank zal daarom het beroep tegen dat besluit niet-ontvankelijk verklaren. De rechtbank zal hieronder het beroep tegen het bestreden besluit 2 inhoudelijk beoordelen. Het beroep tegen het bestreden besluit 2 Waar gaat deze zaak over?
  10. Eiseres heeft zich aangemeld voor een herbeoordeling kinderopvangtoeslag. Op 22 december 2020 heeft het toenmalige kabinet besloten om gedupeerde ouders van de kinderopvangtoeslagaffaire een minimaal bedrag van € 30.000,- te geven, de zogeheten Catshuisregeling. Deze bepaling is in artikel 2.7, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) verdisconteerd. Op basis van de lichte toets behorend bij het kunnen krijgen van de Catshuisregeling, heeft verweerder geconcludeerd dat eiseres niet in aanmerking komt voor deze vergoeding. Eiseres is het hier niet mee eens. Het standpunt van eiseres
  11. Eiseres vindt dat zij wel gedupeerde is van de toeslagenaffaire en dat zij recht heeft op een vergoeding op grond van de Catshuisregeling. Zij stelt zich op het standpunt dat verweerder het besluit onzorgvuldig heeft genomen en onvoldoende heeft gemotiveerd. Daarnaast voert eiseres aan dat zij nog steeds niet haar (volledige) ouderdossier heeft gekregen. In het verlengde daarvan zou zij graag het resultaat willen zien van een zoekvraag in het WDE-systeem met haar BSN-nummer. Beoordeling door de rechtbank
  12. De rechtbank beoordeelt of verweerder eiseres terecht niet de Catshuisregeling heeft toegekend. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
  13. De rechtbank komt tot het oordeel dat eiseres geen procesbelang heeft bij haar beroep. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesbelang
  14. In deze procedure gaat het over het besluit van de lichte toets, terwijl er ondertussen een integrale beoordeling heeft plaatsgevonden. In die integrale beoordeling is opnieuw – en grondiger – gekeken naar de kinderopvangtoeslag die eiseres heeft gekregen en de vraag of er daarbij fouten zijn gemaakt. De Dienst Toeslagen komt in de integrale beoordeling tot de conclusie dat niet is gebleken dat er bij de kinderopvangtoeslag van eiseres fouten zijn gemaakt. De wijzigingen die in de kinderopvangtoeslag van eiseres hebben plaatsgevonden, waren het gevolg van reguliere wijzigingen. Eiseres is daarom volgens de Dienst Toeslagen terecht niet als gedupeerde aangemerkt en heeft daarom geen recht op compensatie op grond van de Wht. Dat er inmiddels een integrale beoordeling heeft plaatsgevonden, roept bij de rechtbank de vraag op wat eiseres feitelijk met het beroep tegen de lichte toets kan bereiken. Met andere woorden: heeft eiseres wel procesbelang bij haar beroep? Voldoende procesbelang wordt namelijk aangenomen als het resultaat dat met de procedure wordt nagestreefd ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat feitelijke betekenis heeft.
  15. Naar het oordeel van de rechtbank kan eiseres feitelijk met dit beroep niet bereiken dat zij als gedupeerde wordt aangemerkt. Dat kan de rechtbank niet beoordelen omdat de lichte toets is ingehaald door de integrale beoordeling. Met die integrale beoordeling is een volledige herbeoordeling van het verzoek van eiseres verricht. Dat houdt in dat er grondiger (dan bij de lichte toets) is gekeken naar de situatie van eiseres en naar de vraag of zij als gedupeerde aangemerkt moet worden. Daarbij is ook heroverwogen of de lichte toets anders had moeten uitpakken en of eiseres toch wel recht had op compensatie uit de Catshuisregeling. Als dat zo zou zijn geweest, dan zou de Dienst Toeslagen bij de integrale beoordeling die compensatie alsnog uitkeren, met wettelijke rente over de periode dat eiseres de compensatie heeft moeten missen omdat eerder bij de lichte toets een foute beoordeling is gemaakt. De integrale beoordeling haalt dus echt de beoordeling van de lichte toets in.
  16. Bij de integrale beoordeling is ook vastgesteld dat eiseres geen gedupeerde is. Dat betekent dus dat ongeacht de uitkomst van deze procedure blijft staan dat eiseres op grond van de integrale beoordeling volgens de Dienst Toeslagen vooralsnog geen gedupeerde is en dus geen aanspraak maakt op compensatie op grond van de Wht. Eiseres zal alleen met rechtsmiddelen tegen het besluit in de integrale beoordeling eventueel kunnen bereiken dat zij alsnog wordt aangemerkt als gedupeerde. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat eiseres geen procesbelang heeft bij een beoordeling van haar beroep tegen de lichte toets. Ouderdossier
  17. Deze procedure gaat over het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit
  18. Het verzoek om verstrekking van het ouderdossier maakt geen deel uit van dit besluit zodat de rechtbank alleen al om die reden niet over dit verzoek kan beslissen.
  19. Verweerder heeft het bezwaardossier aan eiseres doen toekomen. Verweerder moet op grond van de Awb alle op de zaak betrekking hebbende stukken overleggen. Het ouderdossier, zoals verweerder in het verweerschrift en op de zitting heeft toegelicht, omvat veel meer. Zo bestaat dit dossier uit alle stukken die verweerder op basis van het BSN-nummer van eiseres in alle systemen tegenkomt. Eiseres heeft dit niet bestreden. Voor het oordeel dat verweerder het ouderdossier had moeten verstrekken is daarom geen grond. Conclusie en gevolgen
  20. Het beroep tegen bestreden besluit 1 is niet ontvankelijk. Dit betekent dat dit besluit niet inhoudelijk wordt beoordeeld. Het beroep tegen het bestreden besluit 2 is ook niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang.
  21. Verweerder moet wel het griffierecht aan eiseres vergoeden, omdat er een herzien besluit op bezwaar is genomen. Zij krijgt om deze reden ook een vergoeding van haar proceskosten, nu eiseres wel terecht in beroep is gekomen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 875,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk; verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 niet-ontvankelijk; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 875,- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 51,- aan eiseres moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C.S. van Limburg Stirum, rechter, in aanwezigheid van mr. F. van der Maas, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 26 maart
  22. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Volgens vaste rechtspraak. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:
  23. Artikel 8:42, eerste lid Awb.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.