RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 25/1925 uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 april 2025 in de zaak tussen [verzoeker] uit [woonplaats] , verzoeker (gemachtigde: mr. S.N. de Jager), en de burgemeester van de gemeente Amsterdam, de burgemeester (gemachtigde: mr. S.A. de Wied). Samenvatting
- Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van de burgemeester om de woning van verzoeker op grond van artikel 13b van de Opiumwet te sluiten voor de duur van drie maanden. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening te treffen zodat hij weer terug kan naar zijn woning. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoeker. 1.
- De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Dit betekent dat de woning van verzoeker gesloten blijft. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Procesverloop
- Met het bestreden besluit van 19 maart 2025 heeft de burgemeester de woning aan de [adres] in [woonplaats] (hierna: de woning) gesloten voor de duur van drie maanden. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 2.
- De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 2 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de burgemeester. Beoordeling door de voorzieningenrechter Totstandkoming van het besluit
- Verzoeker is huurder van de woning. Hij staat als enige ingeschreven op dit adres. De politie heeft naar aanleiding van een melding op 11 februari 2025 een onderzoek ingesteld naar de woning. Over dit adres zijn in de periode januari 2025 tot februari 2025 vier meldingen ontvangen door de gemeente [woonplaats] waarbij is aangegeven dat de buurt ernstige overlast ondervindt in verband met druggerelateerde zaken die zich in de woning afspelen. 3.
- Uit de bestuurlijke rapportage van de politie van 24 februari 2025 volgt dat in de woning een grote hoeveelheid drugs zijn aangetroffen. Daarnaast zijn in de woning goederen aangetroffen die gebruikt worden bij het vervaardigen danwel de handel in de drugs. De politie nam de volgende goederen in beslag: Omstreeks 25 kilogram (vermoedelijk) Amfetamine verpakt in 1 plastictas; Diverse lege lachgasflessen; Een zaak met hennep (meer dan 20 gram); Zakje met een aantal roze pillen; Kleine hoeveelheid wikkels met vermoedelijk cocaïne; 2 koolstoffilters. 3.
- De aangetroffen drugs zijn voorlopig getest. Deze voorlopige test heeft uitgewezen dat de aangetroffen drugs vermoedelijk amfetamine, cocaïne en hennep zijn. De aangetroffen drugs hebben een waarde van ongeveer € 230.000,-. 3.
- Naar aanleiding van deze constateringen heeft de burgemeester op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet en de Beleidsregels de woning gesloten voor de duur van drie maanden. Toetsingskader
- Het toetsingskader voor woningsluitingen op grond van artikel 13b van de Opiumwet is weergegeven in de overzichtsuitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 28 augustus 2019, nader aangevuld in de uitspraak van 2 februari
- Het besluit tot sluiting van de woning Bevoegdheid
- De burgemeester is op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, van de Opiumwet wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat als uitgangspunt geldt dat bij aanwezigheid van meer dan 0,5 gram harddrugs of 5,0 gram softdrugs, of vijf (hennep)planten (het criterium van het openbaar ministerie voor eigen gebruik) de aangetroffen hoeveelheid drugs in beginsel (mede) bestemd wordt geacht voor de verkoop, aflevering of verstrekking. Uit de Beleidsregels volgt dat in het geval van hennepproducten van een handelshoeveelheid wordt gesproken bij een hoeveelheid van 30 gram of meer en in het geval van harddrugs bij een hoeveelheid van meer dan 0,5 gram of 5 pillen. 5.
- Partijen hebben de bevoegdheid van de burgemeester om de woning te sluiten niet betwist. Gelet op de hoeveelheid drugs die is aangetroffen in de woning, was de burgemeester naar het oordeel van de voorzieningenrechter bevoegd om te woning te sluiten. Noodzaak
- Als de burgemeester bevoegd is om een woning te sluiten, is de volgende vraag of er ook een noodzaak is om een woning te sluiten. Daarbij is van belang of de burgemeester met een minder ingrijpend middel dan een sluiting had kunnen en moeten volstaan omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt. Aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding wordt beoordeeld of sluiting noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde. De aanwezigheid van een handelshoeveelheid harddrugs in een woning is een ernstig geval. Voor de beoordeling van de ernst en omvang van de overtreding is van belang of de aangetroffen drugs feitelijk in of vanuit het pand werden verhandeld. Met een sluiting wordt de bekendheid van het pand als drugspand weggenomen en wordt de "loop" naar het pand eruit gehaald. Daarmee wordt beoogd om het pand aan het drugscircuit te onttrekken. Dat drugs feitelijk in of vanuit het pand werden verhandeld, kan bijvoorbeeld blijken uit meldingen bij de politie over mogelijke handel vanuit het pand, verklaringen van buurtbewoners of het aantreffen van attributen die duiden op handel vanuit het pand zoals gripzakjes, ponypacks en/of een (grammen)weegschaal. 6.
- Verzoeker voert aan dat de burgemeester had kunnen volstaan met een bestuurlijke waarschuwing. In het bestreden besluit is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is geweest van het verhandelen van drugs vanuit de woning. Dit wordt in de bestuurlijke rapportage niet nader geconcretiseerd en er zijn in de bestuurlijke rapportages ook geen aanwijzingen waaruit dit blijkt. De meldingen zijn niet bij de bestuurlijke rapportage gevoegd, zodat de inhoud en betrouwbaarheid van de meldingen niet kunnen worden geverifieerd. Verder voert verzoeker aam dat uit de rapportages van het NFI van 26 februari 2025 niet volgt dat er sprake is van een handelshoeveelheid drugs. Uit de rapportages volgt dat ongeveer 9 gram aan roze poeder positief zijn getest op MDMA, maar er is geen sprake van een hoeveelheid van 25 kilogram amfetamine waarover in de bestuurlijke rapportage wordt gesproken. Het enkele aantreffen van een beperkte hoeveelheid verdovende middelen is onvoldoende om de woning van verzoeker te sluiten. 6.
- De voorzieningenrechter overweegt dat het aantreffen van een handelshoeveelheid soft- en harddrugs in beginsel al een belang tot sluiting van de woning met zich brengt. Met een sluiting wordt de bekendheid van een pand als drugspand weggenomen en wordt de “loop” naar het pand eruit gehaald, waarmee het pand aan het drugscircuit wordt onttrokken. Daarbij overweegt de voorzieningenrechter dat uit vaste rechtspraak volgt dat als in een woning een handelshoeveelheid drugs wordt aangetroffen, aangenomen mag worden dat de drugs bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking daarvan en dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel. 6.
- De voorzieningenrechter stelt vast dat de bestuurlijke rapportage van 21 februari 2025 op ambtseed is opgemaakt en ondertekend door de rapporteur. Volgens vaste rechtspraak mag de burgemeester in beginsel uitgaan van de juistheid van een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte bestuurlijke rapportage van de politie, tenzij tegenbewijs aanleiding geeft tot het afwijken van dit uitgangspunt. In de bestuurlijke rapportage wordt omschreven dat de politie naar aanleiding van verschillende meldingen een onderzoek is gestart naar de woning. In de periode januari 2025 tot februari 2025 zijn vier meldingen ontvangen door de burgemeester waarbij drie verschillende melders hebben aangegeven dat de buurt ernstige overlast ondervindt in verband met druggerelateerde zaken die zich in de woning afspelen. In deze meldingen zou tevens worden beschreven dat de hoofdbewoner een drugsgebruiker is en hij voornoemde woning onderverhuurd aan zijn dealer, die de hoofdbewoner onderdrukt en bij de woning weghoudt door hem gratis drugs te geven. De voorzieningenrechter acht de meldingen voldoende betrouwbaar. Dat de meldingen zelf niet in het dossier zitten, doet hier niet aan af. De bevindingen van de verbalisanten zijn voldoende beschreven in de bestuurlijke rapportage. 6.
- De voorzieningenrechter constateert dat er op dit moment nog onduidelijk bestaat over welk deel van de aangetroffen drugs in de woning wel en niet zijn getest door de NFI. Uit deze NFI-rapporten van 26 februari 2025 blijkt dat het volgende is getest: poeder, roze, uit 2,78 gram; aantal bemonsteringen in onderzoek: een, bevat MDMA poeder, roze, uit 0,63 gram; aantal bemonsteringen in onderzoek: een, bevat MDMA poeder, roze, uit 5,02 gram; aantal bemonsteringen in onderzoek: een, bevat MDMA Volgens verzoeker blijkt uit de NFI-rapporten dat slechts circa 9 gram drugs is aangetroffen, en dat het dus niet gaat om 25 kilogram amfetamine. Hoewel de burgemeester de onduidelijkheid hierover op de zitting niet geheel kon wegnemen, vindt de voorzieningenrechter het aannemelijk dat ook 25 kilogram amfetamine is aangetroffen. Uit de overgelegde NFI-rapporten blijkt niet dat de circa 9 gram die het NFI testte, alle drugs is die is aangetroffen. De voorzieningenrechter vindt het eerder aannemelijk dat de overgelegde rapporten van het NFI alleen betrekking hebben op het “zakje met een aantal roze pillen” dat de politie aantrof. Uit het rapport leidt de voorzieningenrechter af dat de politie de inhoud van dat zakje niet voorlopig had getest. Uit de voorlopig getest die de politie had uitgevoerd bleek dat de politie vermoedde dat in elk geval amfetamine, cocaïne en hennep was aangetroffen. 6.
- De voorzieningenrechter acht ondanks deze onduidelijkheid vooralsnog aannemelijk dat de overgelegde NFI-rapporten alle drugs betrof die de politie had aangetroffen. De voorzieningenrechter vindt het daarom op grond van de bestuurlijke rapportage aannemelijk dat in de woning een hoeveelheid soft- en harddrugs is aangetroffen die ver boven de handelshoeveelheid ligt. De gemachtigde van de burgemeester heeft op zitting bevestigd dat als er slechts 9 gram (hard)drugs in de woning was aangetroffen, dit voor de burgemeester geen aanleiding zou zijn geweest om de woning te sluiten. De voorzieningenrechter acht op basis daarvan en mede gelet op de grote hoeveelheid drugs (25 kg) en het feit dat de burgemeester meerdere meldingen over de aanwezigheid van en handel in drugs in de woning heeft ontvangen dat er voldoende redenen bestaan om de woning te sluiten voor de duur van drie maanden. De voorzieningenrechter verwacht dat de burgemeester in de bezwaarprocedure duidelijkheid verschaft over deze en eventuele verdere testresultaten van het NFI. Evenwichtigheid van de sluiting
- Als de burgemeester zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de sluiting van de woning noodzakelijk is, zoals in dit geval, komt de vraag aan de orde of de sluiting ook evenwichtig is. Er moet evenwicht zijn tussen de bescherming van het algemeen belang, in dit geval de bescherming of het herstel van de openbare orde en de woon- en leefomgeving, en de te respecteren grondrechten van verzoeker. Of de sluiting evenwichtig is, hangt af van verschillende omstandigheden. De duur van de sluiting moet evenwichtig zijn, ook als de burgemeester daarin zijn eigen beleid heeft gevolgd. Of de sluiting evenwichtig is hangt ook af van de (mate van) verwijtbaarheid van de aangeschreven persoon, of er een bijzondere binding met de woning is en de mogelijkheid om weer van de woning gebruik te kunnen maken. De gevolgen van de sluiting worden afgewogen tegen de omstandigheden die maken dat de burgemeester een sluiting noodzakelijk mocht vinden. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig. 7.
- Verzoeker voert aan dat de burgemeester gehouden is om van woningsluiting af te zien omdat de gevolgen hiervan kennelijk onredelijk zijn. Verzoeker is kwetsbaar, heeft elders geen verblijfplaats en zal door de sluiting zijn woning kwijtraken. Ook heeft verzoeker geen mogelijkheden om andere opvang te bekostigen nu hij leeft op het sociale bestaansminimum. Verzoeker heeft hulpverlening nodig en als hij op straat komt te staan, dreigt sociale teloorgang. 7.
- De voorzieningenrechter is van oordeel dat de sluiting van de woning en de duur daarvan niet onevenwichtig zijn. Het is allereerst inherent aan de sluiting van een woning dat de bewoner de woning moet verlaten. Dat is op zichzelf geen bijzondere omstandigheid. Dat wordt anders als de betrokkende een bijzondere binding heeft met de woning. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat daarvan sprake is. Verzoeker is alleenstaand en de enige persoon die op het adres van de woning in de Basisregistratie Personen (BRP) ingeschreven staat. Ook heeft verzoeker verklaard dat hij de afgelopen periode niet altijd in zijn woning verbleef. Verzoeker verbleef vanwege herstel van een operatie bij zijn moeder of bij zijn vriendin. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat verzoeker geen vervangende verblijfplaats zou kunnen regelen. Gezien de ernst van de overtreding maakt de omstandigheid dat de verhuurder mogelijk het huurcontract van verzoeker zal ontbinden dit oordeel niet anders. Het belang van bescherming van de openbare orde weegt in dit geval zwaarder dan het belang van verzoeker bij behoudt van zijn woning. 7.
- Op zitting is besproken dat verzoeker hulpverlening nodig heeft. Verzoeker is kwetsbaar en er lijkt sprake te zijn van verslavingsgevoelig gedrag. Verzoeker wordt begeleid door de GGD en ontvangt behandeling bij Jellinek. Op zitting heeft de gemachtigde van de burgemeester bevestigd dat in de bezwaarfase onderzocht kan worden wat voor (verdere) hulp verzoeker nodig heeft. Conclusie en gevolgen
- De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de woningsluiting op dit moment niet wordt opgeschort. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. G. dos Santos 't Hoen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 10 april
- griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Besluit van de burgemeester van de gemeente [woonplaats] houdende beleidsregels over de sluitingsbevoegdheid op grond van de Opiumwet, de Gemeentewet en de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 (Beleidsregels sluitingen en heropeningen [woonplaats] ). Zie de uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:
- Zie de uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:
- Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 2 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:
- Zie de uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:
- Nederlands Forensisch Instituut. Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:
- Zie de uitspraak van de Afdeling van 22 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1142.