RECHTBANK Amsterdam Civiel recht Zaaknummer: C/13/748429 / HA ZA 24-288 Vonnis van 23 april 2025 in de zaak van 1 [eiser 1] B.V., gevestigd in [vestigingsplaats] , hierna te noemen: [eiser 1] ,2. [eiser 2], gevestigd in [vestigingsplaats] , hierna te noemen: [eiser 2] ;3. [eiser 3], wondende in [woonplaats] , hierna te noemen: [eiser 3] , eisende partijen, hierna samen te noemen: [eiseres] (vrouwelijk enkelvoud), advocaat: mr. A. Taheri-Bhajan, tegen ABN AMRO BANK N.V., gevestigd in Amsterdam, gedaagde partij, hierna te noemen: de bank, advocaat: mr. J.W. Achterberg. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 12 maart 2024, met producties 1 t/m 42, - de conclusie van antwoord, met producties 1 t/m 11, - het tussenvonnis van 24 juli 2024 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald, - het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 24 oktober 2024 waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt en de daarbij overgelegde spreekaantekeningen van [eiseres] , - de akte van [eiseres] van 2 december 2024, waarin [eiseres] waarin [eiseres] nader te noemen verzoeken doet, - de akte uitlating eiswijziging en overige verzoeken eisers van 9 december 2024 van de bank, - de akte van 9 december 2024, waarin [eiseres] reageert op de laatste akte van de bank, - het e-mailbericht van 9 december 2024 van de bank, waarin de bank de rechtbank verzoekt de laatste akte van [eiseres] buiten behandeling te laten, - het e-mailbericht van 11 december 2024 van [eiseres] , - het bericht van 12 december 2024 van de rechtbank dat op de verzoeken van [eiseres] bij vonnis zal worden beslist. 1.2. Ten slotte is bepaald dat er een vonnis zal worden uitgesproken. 2De beoordeling de kern van de zaak 2.1. [eiseres] bankiert bij de bank. De bank heeft [eiseres] laten weten de bancaire relatie met haar te willen beëindigen omdat de bank het cliëntenonderzoek naar [eiseres] in het kader van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (hierna: de Wwft) niet heeft kunnen afronden. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat zij – voor zover haar geheimhoudingsplicht zich daartegen niet verzet – aan de bank alle gevraagde informatie en documentatie heeft verstrekt. [eiseres] vordert daarom een verklaring voor recht dat zij niet gehouden is om meer informatie te verstrekken dan zij al heeft gedaan en te bepalen dat de bank de bancaire relatie tussen partijen niet mag beëindigen. De vorderingen van [eiseres] worden afgewezen. De bank mag op grond van haar contractuele opzeggingsbevoegdheid de relatie met [eiseres] beëindigen. wat is er gebeurd? 2.2. [eiser 1] is een onderneming die zowel binnen als buiten Nederland verschillende diensten (waaronder juridische) aanbiedt. [eiser 3] is directeur van [eiser 1] en heeft daarnaast een eenmanszaak die is ingebracht in [eiser 1] . Naast de vestiging in Nederland, heeft [eiser 1] nevenvestigingen in India, Iran, Suriname, Italië en Engeland. Daarnaast biedt [eiser 1] in het buitenland Nederlandse notariële diensten aan via een in Nederland geregistreerde notaris. Ook geeft [eiser 1] in Nederland belastingadvies als belastingconsulent, onderhoudt zij een boekhoud-/administratiekantoor en biedt zij op kleine schaal Payrolldiensten aan. Tot slot beschikt [eiser 1] over een zogeheten ‘embassy desk’ die aan ambassades, particulieren en ondernemers ambassadediensten verleent. Een aantal van de cliënten van [eiser 1] heeft een relatie met Iran. 2.3. [eiser 1] bankiert sinds 2013 bij de bank en [eiseres] heeft daar op dit moment vijf rekeningen (hierna: de bankrekeningen) lopen: een betaalrekening op naam van [eiser 1] , een betaalrekening op naam van de eenmanszaak van [eiser 3] , drie derdengeldenrekeningen op naam van [eiser 2] eindigend op ‘59’, ‘72’ en ‘79’. Op de relatie tussen [eiseres] en de bank zijn de Algemene Bankvoorwaarden ABN AMRO Bank N.V. 2017 (hierna: ABV) van toepassing. 2.4. Daarnaast bankiert [eiser 1] nog bij Bunq Bank, waar zij een betaalrekening heeft lopen en heeft [eiser 3] een privé betaalrekening bij een andere bank. 2.5. In 2019 heeft de bank twee betalingen van een entiteit met een Iraanse achtergrond naar de derdengeldenrekening tegengehouden en is zij een cliëntenonderzoek naar [eiseres] gestart. In haar e-mailbericht van 25 januari 2019 heeft de bank [eiseres] daar als volgt over geïnformeerd: “(…) Zoals met u telefonisch besproken bevestig ik dat de inkomende betaling van National Iranian Tanker Co. N. I. T. C naar uw derdengeldrekening niet door ABN AMRO wordt gefaciliteerd. Deze betaling bevat een Iran element waarop door de bank restricties staan (…)”. 2.6. In een brief van 22 augustus 2019 heeft de bank aan [eiseres] vragen gesteld over de organisatie, cliënten en dienstverlening van [eiseres] 2.7. [eiseres] heeft in haar brief van 11 september 2019 bezwaar gemaakt tegen het feit dat de bank uitgebreide informatie over een periode van één jaar vraagt en heeft wat betreft de aan haar gestelde vragen die betrekking hebben op de aard van de door haar verrichte diensten een beroep gedaan op een op haar rustende geheimhoudingsplicht. [eiseres] heeft daarover het volgende geschreven: “(…) Voorop wordt gesteld dat uw vorenbedoelde schrijven onvoldoende gronden en redenen bevatten om thans de door u verzochte informatie aan u te verstrekken. (…) Om te kunnen toetsen of u thans al dan niet misbruik maakt van uw bijzondere positie als bank, dient u zondermeer aan te geven op grond van welke wettelijke bepalingen u thans genoodzaakt bent de verzochte informatie op te vragen en wat uw doel daarmee is. (…) Het zondermeer verstrekken van de door u verzochte informatie druist immers in tegen de beroepsverplichtingen die op geadresseerden rusten. Immers, het beroep van de zogenaamde ‘beroepsmatige rechtsbijstandverlener’ of ‘procesjurist’ behelst in het maatschappelijk verkeer immers een beroepsgeheim. (…) Er dient dus nagegaan te worden of u al dan niet een gerechtvaardigd belang heeft bij de verzochte informatie waarna er nagegaan dient te worden welke informatie er in redelijkheid wel en welke niet aan u verstrekt kunnen en/of mogen worden, alsook op welke wijze die informatie verstrekt kunnen worden. (…) Dit alles gezegd hebbende geven geadresseerden reeds de navolgende informatie (…).” 2.8. De bank heeft [eiseres] per brieven van 24 september 2019 en 9 oktober 2019 gevraagd om de vragen die [eiseres] in haar brief van 11 september 2019 niet heeft beantwoord alsnog te beantwoorden en deze te onderbouwen met documentatie. De bank heeft daarbij gewezen op haar verplichtingen op grond van art. 3 Wwft en bepalingen uit de ABV. 2.9. Na correspondentie over en weer heeft de bank per brief van 10 april 2020 aangezegd de bankrelatie met [eiseres] te beëindigen. Als reden daarvoor heeft de bank het volgende genoemd: “(…) U heeft, ondanks onze eerdere verzoeken, geen medewerking verleend om het klantenonderzoek af te kunnen ronden. Hierdoor handelt u in strijd met artikel 3 van de Algemene Bankvoorwaarden en kan de bank niet aan haar wettelijke verplichtingen voldoen. (…) Het gebrek aan inzicht brengt voor de bank niet in te schatten risico’s met zich mee. Dit soort risico’s kan en mag de bank niet aanvaarden. Wij maken dan ook gebruik van ons recht (op grond van artikel 35 van de Algemene Bankvoorwaarden) om de relatie (…) te beëindigen (…)”. Wijziging van eis wordt toegestaan 2.10. [eiseres] heeft bij akte van 2 december 2024 haar eis (na vonnisbepaling) gewijzigd. De bank heeft bij akte van 9 december 2024 hiertegen bezwaar gemaakt. 2.11. Een eiswijziging is in beginsel mogelijk zolang de rechter nog geen eindvonnis heeft gewezen, maar de gedaagde is bevoegd hiertegen bezwaar te maken op grond dat de verandering of vermeerdering in strijd is met de goede procesorde (artikel 130 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). De rechtbank staat de eiswijziging toe, omdat de bank bij akte voldoende in de gelegenheid is geweest om op de gewijzigde eis te reageren en dit ook heeft gedaan. Van strijd met de goede procesorde is dan ook geen sprake. Wat wil [eiseres] ? 2.12. [eiseres] wil primair dat de bank haar voornemen om de bankrelatie te beëindigen niet uitvoert en vordert na wijziging van eis – samengevat – te bepalen dat de beslissing tot beëindiging van de bankrelatie ongegrond is, dat de bank de relatie niet mag beëindigen en op gebruikelijke wijze moet voortzetten en dat de bank [eiseres] niet in haar Interne Register of enig ander register mag opnemen en de al gedane registratie te verwijderen. Zulks op straffe van een dwangsom van € 1000 per dag. 2.13. Daarnaast wil [eiseres] een verklaring voor recht dat zij niet gehouden is om documentatie aan de bank te verstrekken die naar het oordeel van [eiseres] onder haar geheimhoudingsplicht valt en dat het cliëntenonderzoek zoals de bank dat nu uitvoert onrechtmatig, dan wel in strijd met de redelijkheid en billijkheid en de op haar rustende zorgplicht is. In ieder geval wil zij een verklaring voor recht dat de bank met de al door [eiseres] beschikbaar gestelde informatie en documentatie in staat is om het cliëntenonderzoek af te ronden. 2.14. Subsidiair vordert [eiseres] de bank te veroordelen tot het voortzetten van de bankrelatie tot minimaal drie maanden na de datum van dit vonnis dan wel van het arrest van het gerechtshof (in het geval [eiseres] tijdig hoger beroep instelt). 2.15. Tot slot vordert [eiseres] de bank te veroordelen in de kosten van deze procedure. Verzoeken van [eiseres] worden afgewezen 2.16. [eiseres] heeft tijdens de mondelinge behandeling voorgesteld om prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad. [eiseres] wil de Hoge Raad de vraag voorhouden of er op beroepsmatige rechtsbijstandverleners een plicht tot geheimhouding rust en of artikel 1a lid 5 Wwft van de veronderstelling uitgaat dat de beroepsbeoefenaars die met advocaten en notarissen gelijkgesteld kunnen worden een geheimhoudingsplicht hebben. Daarnaast heeft [eiseres] na de mondelinge behandeling bij akte van 2 december 2024 verzocht om het houden van een nieuwe mondelinge behandeling of bij afwijzing van het verzoek het dienen van dupliek. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat tijdens de mondelinge behandeling en uit de daarop volgende door [eiseres] aanhangig gemaakte wrakingsprocedure is gebleken dat de kern van het geschil niet goed bij de rechtbank is overgekomen. De rechtbank zou de haar voorliggende rechtsvraag beperkt zien tot alleen de uitleg van artikel 1a, lid 5 Wwft, terwijl dit niet de rechtsvraag is welke [eiseres] heeft willen voorleggen, zo zegt [eiseres] Tot slot heeft [eiseres] bij de akte van 2 december 2024 verzocht tot het houden van een enquête. [eiseres] wil door het doen horen van getuigen- dan wel partijdeskundigen bewijzen dat op beroepsmatige rechtsbijstandverleners een geheimhoudingsplicht rust. 2.17. De rechtbank wijst de verzoeken af. Zoals hierna onder 2.20 en verder zal worden toegelicht, is de rechtbank van oordeel dat – uitgaande van de veronderstelling dat [eiseres] inderdaad een geheimhoudingsplicht heeft – de bank desondanks een beroep toekomt op haar contractuele opzeggingsbevoegdheid. Dat betekent dat voor de beantwoording van de vraag of de bank de bankrelatie met [eiseres] mag beëindigen, het bestaan van een geheimhoudingsplicht in het midden kan blijven. De rechtbank ziet dan ook geen reden voor het stellen van prejudiciële vragen of het horen van getuigen of partijdeskundigen. Ook voor het houden van een tweede mondelinge behandeling ziet de rechtbank geen aanleiding, omdat partijen zowel tijdens de mondelinge behandeling als daarna voldoende in de gelegenheid zijn geweest om al hun stellingen toe te lichten en op de standpunten van de ander te reageren. 2.18. Daarnaast heeft [eiseres] verzocht om een voorlopig getuigenverhoor, omdat zij meent dat de bank op andere gronden dan zij heeft aangegeven, de bankrelatie heeft willen beëindigen. 2.19. De bank heeft haar gronden om de bankrelatie met [eiseres] te beëindigen uitgebreid toegelicht. Niet in te zien valt welk doel [eiseres] met het doen horen van getuigen wenst te bereiken. Het staat de bank vrij om zelf te bepalen welke reden(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.