← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2025:2392

RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 24/300 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: [gemachtigde 1] ), en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder (gemachtigde: mr. F.M.E. Schuttenhelm en [gemachtigde 2] ). Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van verweerder waarmee aan eiser een bedrag van € 3.160,57 in rekening wordt gebracht vanwege de ontruiming van de woning aan de [adres] te Amsterdam . 1.
  2. Met het bestreden besluit van 15 december 2023 op het bezwaar van eiser is verweerder bij dat besluit gebleven. 1.
  3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.
  4. De rechtbank heeft het beroep op 19 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Totstandkoming van het besluit 2.
  5. Eiser is eigenaar van de woning aan de [adres] in Amsterdam en verhuurde de woning aan de heer [de man] . Vanwege een huurachterstand heeft het deurwaardersbureau [deurwaarders bureau] op 23 november 2022 in opdracht van eiser een melding gedaan aan verweerder van de voorgenomen ontruiming van de woning op 30 november
  6. 2.
  7. Op 30 november 2022 heeft [opslagbedrijf] in opdracht van verweerder twee kisten met inboedel afgevoerd en opgeslagen in een loods. Het afval is naar de stort afgevoerd. 2.
  8. Op 10 januari 2023 heeft de heer [de man] contact opgenomen met [opslagbedrijf] om zijn inboedel af te halen. Met hem is afgesproken dat hij op 9 februari 2023 zijn spullen zou komen ophalen. Die afspraak is niet doorgegaan omdat hij die dag te laat was. Uiteindelijk is hij op 2 maart 2023 alsnog langs geweest waarbij hij wat kleine spullen heeft meegenomen. Hij heeft toen laten weten later voor de rest terug te komen, maar is niet meer geweest. De kisten met de resterende inboedel zijn uiteindelijk 13 weken bewaard, waarna ze ter vernietiging zijn aangeboden aan het afvalpunt. 2.
  9. Op 18 mei 2023 heeft verweerder aan eiser een factuur gestuurd voor een bedrag van € 5.157,
  10. Dat bedrag bestond uit de totale kosten van het afvoeren, bewaren en vernietigen van de inboedel. Omdat deze factuur niet werd voldaan, is een aanmaning verzonden, waarna eiser bezwaar heeft aangetekend. Naar aanleiding van dit bezwaarschrift heeft verweerder een besluit genomen op 6 en 11 oktober
  11. Met dit laatste besluit vordert verweerder de bovengenoemde kosten, maar is het bedrag verlaagd naar € 3.160,
  12. Ook hiermee kan eiser zich niet verenigen. Beoordeling door de rechtbank
  13. Partijen zijn het erover eens dat er sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. De publieke grondslag ligt in artikel 556 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Het derde lid van dat artikel bepaalt dat verweerder ten laste van de executant zorgdraagt voor het meevoeren en opslaan van de roerende zaken die zich in de te ontruimen woning bevinden. Ook geeft dit artikel verweerder de bevoegdheid om de kosten van de ontruiming te verhalen op de executant. Niet in geschil is dat eiser de executant is, nu de ontruiming van de woning in zijn opdracht plaatsvond. 3.
  14. Ook niet in geschil is dat verweerder kosten mocht verhalen op eiser. In beroep gaat het alleen nog over de hoogte van de kosten. Raamovereenkomst 4.
  15. Eiser voert aan dat er een duidelijke en voldoende transparante onderbouwing van de in rekening gebrachte kosten ontbreekt. Verweerder is hier volgens eiser geheimzinnig over. Eiser heeft gevraagd om een nadere onderbouwing van de kosten, de stukken die hij heeft ontvangen zijn onvoldoende. 4.
  16. De rechtbank stelt vast dat verweerder de ontruiming heeft uitbesteed aan [opslagbedrijf] . Verweerder heeft daartoe met [opslagbedrijf] een raamovereenkomst gesloten. In de raamovereenkomst zijn, zo begrijpt de rechtbank, de bedragen opgenomen die [opslagbedrijf] in rekening mag brengen bij verweerder voor het verwijderen, opslaan en vernietigen van inboedel van woningen die ontruimd worden. Verweerder heeft de stukken ter onderbouwing van de kosten, waaronder een specificatie, toegezonden aan eiser. Verweerder heeft echter niet de raamovereenkomst zelf aan eiser gestuurd, omdat de raamovereenkomst en de gehele prijslijst die daarin staat vermeld, volgens verweerder concurrentiegevoelige informatie bevat die bij een volgende aanbesteding kan worden gebruikt. De prijzen die met [opslagbedrijf] zijn overeengekomen zijn vertrouwelijk. 4.
  17. Verweerder heeft aan eiser wel de mogelijkheid geboden om de raamovereenkomst in te komen zien en daarbij een geheimhoudingsverklaring te tekenen. Eiser heeft er echter voor gekozen om geen gebruik te maken van deze mogelijkheid. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser niet benadeeld door het feit dat verweerder de raamovereenkomst niet heeft overgelegd. Eiser kon hem immers inzien maar heeft van die mogelijkheid geen gebruik genaakt. Niet in geschil is dat eiser de informatie die hij zou aantreffen in de raamovereenkomst had mogen gebruiken in de procedure. Verweerder is voldoende transparant geweest over de afspraken die gemaakt zijn met [opslagbedrijf] . 4.
  18. Daarbij komt dat eiser naar het oordeel van de rechtbank ook geen aanknopingspunten heeft gegeven om aan te nemen dat in de raamovereenkomst andere bedragen staan dan de bedragen die staan vermeld in de specificatie van de kosten die ten grondslag ligt aan het bestreden besluit. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat de bedragen die [opslagbedrijf] gebruikt niet marktconform zijn. Hij heeft de mogelijkheid gehad om dit te controleren, dat hij dit niet gedaan heeft komt voor zijn eigen rekening en risico. Arbeidskosten 5.
  19. Verweerder heeft een Excel-bestand in het geding gebracht ter onderbouwing van de kosten. Eiser voert aan dat dit Excel-bestand aan alle kanten ‘rammelt’. Verweerder heeft aangegeven dat vanwege de nieuwe werkwijze en procedure er slordigheden zijn ingeslopen, maar dat deze hersteld zijn. 5.
  20. Eiser voert aan dat verweerder bepaalde kosten dubbel rekent. Uit de specificatie blijkt dat een bedrag in rekening is gebracht onder de post “Afval Stortkosten voor gemengd afval” van € 0,75 per kilo. Uit de brief van verweerder van 17 oktober 2023 leidt eiser af dat onder deze post ook de arbeidskosten vallen, terwijl apart € 195,- per uur in rekening wordt gebracht. Tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft verweerder uitgelegd dat dit niet klopt. De arbeidskosten zijn niet opgenomen in het bedrag van € 0,75 per kilo, daarom is er nog een apart bedrag van € 195,- (voor een uur werk) in rekening gebracht. Daarbij heeft verweerder uitgelegd dat de kiloprijs de prijs is die [opslagbedrijf] bij verweerder in rekening brengt en dat dit duurder is dan wanneer een particulier zijn afval wegbrengt. 5.
  21. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er kosten dubbel zijn berekend. Nummering opslagkisten 6.
  22. Eiser voert aan dat hij zijn bezwaar inzake de nummering van de kisten niet heeft laten vallen en vindt het merkwaardig dat de stortbon via een computer is gegenereerd, terwijl de nummers van de kisten en de datum met pen zijn beschreven. Daarnaast ontbreken volgens eiser drie cijfers op de stortbon en ontbreken tevens de sealnummers op de stortbon. 6.
  23. Verweerder heeft uitgelegd dat [opslagbedrijf] met de afgesloten kisten naar de stort gaat alwaar de vrachtwagen de weegbrug oprijdt. Daarna gaat de zijkant van de vrachtwagen open en wordt de seal van de kisten gebroken. Alle lading wordt dan gestort en de vrachtwagen rijdt weer terug op de weegbrug. Vervolgens ontvangt de chauffeur van de afvalverwerkers een computer gegenereerde bon. De chauffeur schrijft hierop met pen de laatste cijfers van de kist op. Deze informatie wordt aan het dossier gekoppeld. De sealnummers zitten op de kisten, zodat bij ophalen door de rechthebbende van de inboedel, kan worden aangetoond dat de kisten afgesloten zijn. Dit is om te garanderen dat vanaf het moment van het in ontvangst nemen bij de ontruiming tot aan het eventuele ophalen van de inboedel niemand anders dan de rechthebbende in de kist kan komen. De sealnummers dienen niet ter identificatie van de kisten en hoeven dus ook niet op de bon worden opgenomen. 6.
  24. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat er getwijfeld moet worden aan de werkwijze die verweerder heeft omschreven. De rechtbank ziet geen reden om aan te nemen dat er andere kisten zijn gestort dan aangegeven op de bon. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Administratiekosten 7.
  25. Eiser is van mening dat de administratiekosten niet aan hem kunnen worden doorberekend. Hij verwijst naar de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften en stelt dat de kosten in het besluit niet zijn genoemd en de werkzaamheden van de gemeente uit de algemene middelen behoren te worden bekostigd. 7.
  26. De rechtbank overweegt als volgt. Het gaat in dit geval om kostenverhaal, dus de daadwerkelijke kosten worden in rekening gebracht bij de executant. Eiser is niet met tegenbewijs gekomen, waaruit volgt dat het bedrag onaannemelijk hoog is Artikel 5:29, vierde lid Awb 8.
  27. Eiser is van mening dat verweerder op basis van artikel 5:29, vierde lid van de Awb, aan zijn voormalige huurder [de man] niet zondermeer zijn zaken had mogen teruggeven, maar eerst, zoals de wetgever dat volgens eiser bepaalt, om betaling van de kosten van de opslag had moeten vorderen. 8.
  28. De rechtbank oordeelt als volgt. In artikel 556, derde lid, Rv wordt verwezen naar artikelen 5:29 en 5:30 van de Awb. In artikel 556 Rv gaat het niet over de overtreder, in artikel 5:29 van de Awb is dat wel het geval. Eiser lijkt te doelen op het retentierecht, je krijgt pas je spullen terug als je betaald hebt. Artikel 5:29 van de Awb gaat echter over bestuursdwang, dat is hier niet aan de orde. Eiser is immers geen overtreder, hij is de executant in de zin van artikel 556 Rv omdat hij de opdracht gaf voor de ontruiming. Artikel 5:29, vierde lid, van de Awb, waarin het retentierecht is geregeld, is hier dan ook niet van toepassing. De relatie tussen artikel 5:29 van de Awb en artikel 556 van Rv geeft onduidelijkheid, daarom komt er een wetswijziging. Na de wetswijziging zal artikel 5:29, vierde lid, van de Awb, waar eiser op doelt, niet langer van toepassing zijn in artikel 556 Rv. Verweerder had niet de mogelijkheid om de huurder, de heer [de man] , eerst te laten betalen voordat hij zijn spullen meenam. Deze beroepsgrond slaagt dus niet. De rechtbank begrijpt wel dat dit frustrerend is voor eiser. Conclusie en gevolgen
  29. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, rechter, in aanwezigheid van mr.C. Simonis, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 16 april
  30. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. De Algemene wet bestuursrecht

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.