RECHTBANK AMSTERDAM Civiel recht Kantonrechter Zaaknummer: 11140916 \ CV EXPL 24-6550 Vonnis van 21 januari 2025 in de zaak van HOTEL DE L'EUROPE B.V., gevestigd te Amsterdam, eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: DLE, gemachtigde: mrs. J. Verstoep en C.T. Boekema, tegen [gedaagde] H.O.D.N. [handelsnaam], wonende te [woonplaats] , gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: [gedaagde] , gemachtigde: mr. M.H.J. van Riessen. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 24 mei 2024 met producties 1 tot en met 22; - de conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie met producties 1 tot en met 16; - de conclusie van antwoord in reconventie met producties 23 tot en met 41; - het tussenvonnis van 3 september 2024, waarin is bepaald dat er een mondelinge behandeling zal plaatsvinden en zowel de incidentele vordering als de hoofdzaak gezamenlijk zullen worden behandeld. 1.2. Op 13 december 2024 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Namens DLE zijn de heer [naam 1] ( [naam functie 1] ) en mevrouw [naam 2] ( [naam functie 2] ) verschenen, bijgestaan door mr. Verstoep en mr. Boekema. [gedaagde] is ook verschenen, bijgestaan door mr. Van Riessen. Beide gemachtigden hebben een pleitnota voorgedragen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen tijdens de zitting is besproken. 1.3. Ten slotte is bepaald dat er een vonnis wordt uitgesproken. 2De hoofdzaak In conventie en in reconventie 2.1. 2.2. DLE, een vijfsterrenhotel, verhuurt sinds 2013 aan [gedaagde] , die een eenmanszaak drijft, het souterrain van het hotel. [gedaagde] exploiteert een spa in het gehuurde. Partijen zijn een huurprijs van één euro per jaar vermeerderd met een percentage van de maandelijkse omzet van [gedaagde] overeengekomen. 2.3. Volgens DLE schiet [gedaagde] - op meerdere punten - tekort in de nakoming van de huurovereenkomst, waardoor deze moet eindigen door ontbinding en het gehuurde moet worden ontruimd op straffe van een dwangsom, aldus DLE. Als het niet tot een beëindiging door ontbinding komt, moet de huurovereenkomst eindigen door de opzegging die op 15 september 2023 is gedaan. Zolang [gedaagde] na einde van de huurovereenkomst in het gehuurde blijft, wordt een vergoeding ter hoogte van 15% van de maandelijkse omzet gevorderd. DLE vordert daarnaast betaling van de huurachterstand van € 63.203,00 en buitengerechtelijke incassokosten van € 1.498,80. Verder vordert DLE een vergoeding van schade waaronder expertisekosten van € 9.177,25, een voorschot van 15% over € 1.000 per maand vanaf 1 september 2013, althans een latere datum, een verwijzing naar de schadestaatprocedure en wettelijke rente over de toegewezen bedragen. [gedaagde] voert verweer tegen deze vorderingen. 2.4. [gedaagde] vordert in reconventie verklaringen voor recht dat
- i)sprake is van een huurovereenkomst op basis van artikel 7:290 van het Burgerlijk Wetboek (BW),
- ii)dat de opzegging van 15 september 2023 nietig is, iii) dat DLE aansprakelijk is voor schade die [gedaagde] lijdt door haar handelwijze nader te bepalen in een schadestaatprocedure,
- iv)dat het DLE niet is toegestaan de huur eenzijdig te verhogen van 12,5% naar 15%,
- v)dat de huurprijs 12,5% is, en
- vi)dat de teveel betaalde huur vanaf 1 april 2024 als onverschuldigd betaald door DLE terugbetaald moet worden aan [gedaagde] . Verder vordert [gedaagde] te bepalen dat aan haar het recht van indeplaatsstelling toekomt. DLE voert verweer tegen deze vorderingen. [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van de huurovereenkomst 2.5. DLE vordert ontbinding van de huurovereenkomst en veroordeling van [gedaagde] tot ontruiming van het gehuurde, omdat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van de verplichtingen uit de huurovereenkomst. Eén van de tekortkomingen van [gedaagde] is volgens DLE dat [gedaagde] structureel contante betalingen van klanten niet registreert, waardoor DLE het afgesproken huurpercentage over die omzet niet ontvangt. [gedaagde] betoogt dat zij contant geld nodig heeft om haar bedrijfsvoering te waarborgen en dat dit ook in het belang van DLE is. 2.6. De huurprijs die partijen zijn overeengekomen bestaat uit een percentage over de omzet die [gedaagde] genereert. Partijen maken voor het bijhouden van de omzet gebruik van het Micros-kassasysteem, alle betalingen (zowel pin als contant) dienen handmatig te worden geregistreerd in dat systeem. Op basis van de geregistreerde omzet, factureert DLE maandelijks het overeengekomen percentage aan [gedaagde] . Als er contant betaald wordt, dan wordt het contante geld ook afgestort in een cashmachine. 2.7. DLE heeft met het rapport van 2Solve en de videobeelden voldoende onderbouwd dat op meerdere data in 2021 en in mei en november 2024 contante betaling zijn aangenomen die niet zijn geregistreerd in het Micros-kassasysteem en niet zijn afgestort in de cashmachine. 2.8. [gedaagde] heeft niet betwist dat zij de door DLE genoemde contante betalingen niet heeft geregistreerd in het Micros-kassasysteem en niet heeft afgestort in de cashmachine. [gedaagde] heeft ter zitting toegelicht dat zij contant geld niet heeft afgestort om personeel te betalen met de intentie dat als haar financiële positie beter zou zijn, zij dit geld zou afstorten. Hierdoor staat vast dat er op meerdere momenten contante betalingen zijn gedaan die niet door [gedaagde] zijn geregistreerd. Hierover is geen vergoeding door [gedaagde] aan DLE betaald. Dit betekent dat er, in het nadeel van DLE, minder huurpenningen zijn afgedragen dan [gedaagde] verschuldigd was en is dus sprake van een tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst. De huurovereenkomst wordt ontbonden 2.9. Op grond van artikel 6:265 lid 1 BW geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. 2.10. De tekortkoming gaat om de betaling van de huurprijs en raakt daarmee de kern van de prestatie van [gedaagde] . DLE heeft onweersproken betoogd dat haar vertrouwen in [gedaagde] weg is door haar handelwijze. 2.11. DLE voert aan dat zij [gedaagde] al op 19 mei 2021 heeft geconfronteerd met ongebruikelijke transacties en dat zij haar toen indringend heeft toegesproken en gewaarschuwd dat er bij herhaling verregaande consequenties, waaronder het einde van de huurovereenkomst, zouden volgen. [gedaagde] betwist dit. Volgens haar is de kwestie destijds gezien de geringe omvang zonder consequenties afgehandeld. Ondanks dat partijen van mening verschillen over de inhoud van het gesprek dat in 2021 is gevoerd over dit onderwerp, staat vast dat de ongebruikelijke transacties al in 2021 onderwerp van gesprek waren. 2.12. [gedaagde] stelt dat zij nooit de intentie heeft gehad om DLE te benadelen. Volgens [gedaagde] verkeerde haar bedrijf in een financieel moeilijke situatie, wat mede door de handelwijze en opstelling van DLE werd veroorzaakt. [gedaagde] zou namelijk niet tijdig haar omzet uitbetaald krijgen, waardoor zij niet over geld beschikte om haar personeel te betalen. Verder is er volgens [gedaagde] geen gekwalificeerd personeel te vinden. Hierdoor moest [gedaagde] personeel op ad hoc basis inhuren. Deze mensen zijn alleen bereid te komen werken indien zij hun loon en fooien contant krijgen. Dit is de reden dat [gedaagde] het contant geld niet heeft afgestort, aldus [gedaagde] . Dat [gedaagde] de voortgang van haar bedrijf moet waarborgen en dat DLE daar ook belang bij heeft, wat overigens door DLE wordt weersproken, maakt niet dat het niet registreren van omzet gerechtvaardigd is. Dat [gedaagde] contant geld nodig had om haar personeel te betalen had ook met DLE besproken kunnen worden. Bovendien gaat het om registratie van de omzet in het Micros-kassasysteem en niet zozeer om het afstorten van het contante geld. [gedaagde] had haar ad hoc ingehuurde personeel contant kunnen betalen door het contante geld niet af te storten, maar wel te registeren in het Micros-kassasysteem. Hierdoor zou de omzet wel geregistreerd zijn en zou zij daarover huur betalen. Dit heeft [gedaagde] niet gedaan. Wat betreft het niet registeren van de contante betalingen heeft [gedaagde] geen duidelijke uitleg gegeven. De door [gedaagde] genoemde redenen ter rechtvaardiging van haar handelen kunnen niet tot gevolg hebben dat van de ontbinding moet worden afgezien. Dat de omvang van de benadeling beperkt zou zijn, zoals [gedaagde] aanvoert, kan [gedaagde] evenmin helpen. Het betreft hier immers nog steeds een benadeling van DLE ten aanzien van een essentiële verplichting, namelijk het afdragen van de overeengekomen huurprijs. Haar beroep op de in artikel 6:265 lid 1 BW neergelegde tenzij-bepaling slaagt dus niet. 2.13. Gelet op de aard van de tekortkoming alsmede de periode waarover de contante betalingen niet zijn geregistreerd, moet worden geoordeeld dat sprake is van een zodanig ernstig tekortschieten van [gedaagde] in de betaling van de huur, dat toewijzing van de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde gerechtvaardigd is. Deze vorderingen zullen dan ook worden toegewezen. 2.14. De andere gestelde tekortkomingen, te weten de huurachterstand, het niet naleven van de openingstijden, het in diskrediet brengen van de bestuurders en het niet voldoen aan het overeengekomen dienstenniveau, welke aan de vordering tot ontbinding ten grondslag zijn gelegd, behoeven gezien het voorgaande geen bespreking meer. De ontruiming en vergoeding na ontbinding 2.15. Als gevolg van de toe te wijzen ontbinding, moet [gedaagde] het gehuurde ontruimen. Dit betekent dat zij het gehuurde moet verlaten en leeg en netjes moet achterlaten. [gedaagde] krijgt hiervoor veertien dagen de tijd. Deze termijn gaat in vanaf het moment dat dit vonnis aan haar is betekend. DLE heeft een dwangsom gevorderd van € 2.500,00 per dag of gedeelte van een dag dat [gedaagde] het gehuurde niet zal ontruimen. Deze vordering zal worden afgewezen, omdat DLE onvoldoende heeft gesteld dat zij daarbij belang heeft. Een ontruiming kan zo nodig met behulp van de sterke arm worden afgedwongen. 2.16. Vanaf de datum van de ontbinding van de huurovereenkomst tot de daadwerkelijke dag van ontruiming moet [gedaagde] aan DLE de maandelijkse vergoeding betalen. De omvang hiervan wordt hieronder vastgesteld. De gevorderde wettelijke handelsrente hierover zal worden afgewezen. De gebruiksvergoeding is immers een schadevergoeding waarover geen wettelijke handelsrente kan worden berekend. Wel zal de subsidiair gevorderde wettelijke rente worden toegewezen. Ten overvloede: het huurregime en de opzegging 2.17. Tussen partijen is een debat gevoerd over het geldende huurregime (te weten is er sprake van een artikel 7:230a BW bedrijfsruimte of is artikel 7:290 BW van toepassing). Gezien de toewijzing van de ontbinding die primair is gevorderd, is een bespreking hiervan niet aan de orde. Ten overvloede merkt de kantonrechter op dat als dit wél aan de orde was geweest, hij van oordeel is dat sprake is van een zogenoemde artikel 7:230a bedrijfsruimte. Dit betekent dat de huurovereenkomst, als de ontbinding niet zou zijn toegewezen, zou eindigen door de opzegging van DLE tegen 14 februari 2025. De schade 2.18. DLE heeft schade geleden als gevolg van de tekortkoming van [gedaagde] . Zij vordert een bedrag van € 9.177,25 aan expertisekosten van 2Solve, een verwijzing naar de schadestaatprocedure, omdat zij door ontbreken van bescheiden nog geen concrete begroting van de schade kan maken, en een voorschot van 15% over € 1.000,00 per maand. De expertisekosten van 2Solve 2.19. DLE heeft ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid 2Solve ingeschakeld. De kosten van het onderzoek en rapportage zijn € 9.177,25. 2.20. De kantonrechter overweegt dat uit artikel 6:96 lid 2 sub b BW volgt dat als vermogensschade mede voor vergoeding in aanmerking komen de redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. Voor deze kosten geldt dat zij moeten voldoen aan een dubbele redelijkheidstoets. Vereist is dat, in de gegeven omstandigheden, de verrichte werkzaamheden redelijkerwijze noodzakelijk waren en dat de gemaakte kosten naar hun omvang redelijk zijn. 2.21. Gelet op de beoordeling van de tekortkoming en ontbinding is vast komen te staan dat door het onderzoek de schade en aansprakelijkheid zijn aangetoond. De kosten van het onderzoek betreffen daarmee redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. Dit is ook niet door [gedaagde] weersproken. Daarom wordt [gedaagde] tot betaling van dit bedrag aan DLE veroordeeld. De wettelijke rente hierover te rekenen vanaf de datum van dagvaarding, 24 mei 2024, zal als onweersproken worden toegewezen. De omvang van de schade en het voorschot 2.22. Nu vast staat dat [gedaagde] niet alle betalingen heeft geregistreerd in het Micros-kassasysteem is er sprake van gederfde huurinkomsten bij DLE. Omdat DLE (nog) niet beschikt over de bescheiden waarmee zij inzicht kan krijgen in de omvang van deze schade, is begroting van de schade dan ook (nog) niet mogelijk. Daarom zal de kantonrechter wat dit deel van de schade betreft de zaak verwijzen naar de schadestaatprocedure. 2.23. De kantonrechter ziet om deze reden ook op dit moment geen grond voor toewijzing van een voorschot op nog vast te stellen schade. In hoeverre DLE schade heeft geleden en om welk bedrag dit gaat, dient in de schadestaatprocedure te worden beoordeeld. Het afgesproken vergoedingspercentage is 12,5% 2.24. Partijen zijn het er niet over eens of zij met ingang van 1 februari 2017 een huurverhoging van 12,5% of 15% van de maandelijkse omzet zijn overeengekomen. De kantonrechter is van oordeel dat partijen 12,5% zijn overeengekomen en licht dat hieronder toe. 2.25. In de huurovereenkomst hebben partijen ten aanzien van de aanpassing van de huurprijs opgenomen: “Voor de periode na de eerste drie jaren zullen partijen uiterlijk 6 maanden voor het einde van de eerste drie jaar, een marktconforme vergoeding voor het gebruik van de ruimte overeenkomen, waarbij een maximum van 20% van de omzet in acht zal worden genomen.” 2.26. Partijen hebben in 2016 onderhandeld over het percentage. Volgens DLE hebben partijen daarbij overeenstemming bereikt over het percentage van 15%. Dit is in haar brief van 30 september 2016 vastgelegd. Deze brief is ondertekend door de heer [naam 3] ( [naam functie 3] ) en de heer [naam 4] ( [naam functie 4] ): “Vanaf 1 februari 2017 gaat gelden: 1. De maandelijkse vergoeding wordt verhoogd naar 15%. Dit zal in 2 gedeeltes worden afgerekend. Vanaf 1 februari 2017 gaat de maandelijkse vergoeding naar 12,5%. De resterende 2,5% zal met terugwerkende kracht in februari 2018 afgerekend worden” De heer [naam 3] geeft in een verklaring van 27 november 2024 nog een nadere toelichting: “In 2016 heb ik met mevrouw [gedaagde] onderhandeld over de maandelijkse vergoeding voor het gebruik van de ruimte in het hotel. De 10% die wij eerst vroegen was veel te laag. Wij zijn het destijds eens geworden over een verhoging van de maandelijkse vergoeding naar 15% per 1 februari 2017. Op verzoek van [gedaagde] ging dat getrapt Zij was wel 15% verschuldigd, maar zou het eerste jaar 12,5% betalen en het te weinig betaalde gedeelte dan een jaar later bijstorten. Deze afspraken zijn ook op papier gezet destijds.” 2.27. [gedaagde] betwist dat er overeenstemming is bereikt over 15%. Volgens haar hebben partijen als resultaat van de onderhandelingen in 2016 overeenstemming bereikt over het percentage van 12,5% en hebben zij daar ook uitvoering aan gegeven. DLE heeft namelijk tot 1 april 2024 iedere maand 12,5% van de omzet gefactureerd aan [gedaagde] . [gedaagde] verwijst hiervoor onder andere naar een aantal facturen waaruit het percentage van 12,5% blijkt en naar een verklaring van de heer [naam 4] , waarin staat: “Door middel van deze brief verklaar ik, [naam 4] , als voormalig [naam functie 4] van Hotel De L'Europe gedurende de periode van juni 2016 tot december 2018, dat de huur die voor [handelsnaam] in rekening gebracht bij voortduring 12,5% van de bruto omzet is geweest. Ook het schrijven gedateerd op 30 september 2016, dat door toenmalig [naam functie 1] de heer [naam 3] en mijzelf ondertekend was, was een dringend voorstel tot huurverhoging, maar over welke huurverhoging Hotel De L'Europe (vertegenwoordigd door de heer [naam 3] ) en [handelsnaam] nooit een formele overeenstemming hebben bereikt. Tot zover ik op de hoogte ben gesteld is aan [handelsnaam] ook nooit 15% huur in rekening gebracht gedurende de periode dat ik in dienst ben geweest bij Hotel De L'Europe.” 2.28. Op grond van artikel 150 Rv moet DLE stellen, en bij betwisting bewijzen, dat [gedaagde] heeft ingestemd met de verhoging van de vergoeding naar 15%. Er is niet vast komen te staan dat er overeenstemming is bereikt door partijen. De brief van 30 september 2016 moet worden beschouwd als een dwingend voorstel van DLE aan [gedaagde] , maar hieruit blijkt geen overeenstemming. Dat [gedaagde] daar niet meer op gereageerd heeft met een uitdrukkelijke afwijzing, dat een percentage van 15% marktconform zou zijn en dat partijen in de huurovereenkomst een mogelijkheid van verhoging naar 20% hebben opgenomen, maakt ook niet dat er (stilzwijgende) overeenstemming is. Aan het in de brief neergelegd voorstel is ook geen uitvoering gegeven. DLE is immers 12,5% blijven factureren van februari 2017 tot en met maart 2024. De uitleg van DLE ter zitting dat dit door wisseling van personeel bij de financiële afdeling niet is opgemerkt en dat het de verantwoordelijkheid van [gedaagde] om de huurprijs in de gaten te houden en voldoende huur te betalen, maakt dit niet anders. 2.29. Gelet op het voorgaande is geen sprake van een huurachterstand zoals DLE stelt. De vordering van DLE tot betaling van € 63.203,00 en de wettelijke handelsrente daarover zullen daarom worden afgewezen. De verhoging van het percentage met ingang van 1 april 2024 2.30. Met ingang van 1 april 2024 heeft DLE het percentage van 15% in rekening gebracht bij [gedaagde] . Volgens [gedaagde] is dit zonder overleg gedaan. [gedaagde] heeft in een brief van 12 mei 2024 bezwaar gemaakt tegen deze verhoging van het percentage. 2.31. Gelet op de beoordeling van het overeengekomen percentage en de afspraak van partijen dat zij enkel met overeenstemming het percentage kunnen verhogen, is de verhoging ten onrechte in rekening gebracht. De door [gedaagde] verzochte verklaringen voor recht dat op basis van de overeenkomst het DLE niet is toegestaan om eenzijdig de huur te verhogen van 12,5% naar 15% van de bruto maandomzet, dat de nog steeds geldende huurprijs 12,5% van de bruto maandomzet is en dat de te veel betaalde huur vanaf 1 april 2024 als onverschuldigd betaald door DLE terugbetaald moet worden aan [gedaagde] , zullen daarom worden toegewezen. De indeplaatsstelling 2.32. Gelet op de ontbinding van de huurovereenkomst bestaat er geen grondslag voor de vordering van [gedaagde] tot indeplaatsstelling (zie Hoge Raad 7 april 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9740). De verzochte verklaring voor recht zal daarom worden afgewezen. Hierbij kan in het midden blijven of partijen in de overeenkomst een mogelijkheid van indeplaatsstelling hebben afgesproken. De schade van [gedaagde] 2.33. [gedaagde] stelt dat zij schade heeft geleden door de handelwijze van DLE. Dit is veroorzaakt door de weigering van DLE om mee te werken aan een indeplaatsstelling en door de opzegging van de huurovereenkomst. Hierdoor moest [gedaagde] deze situatie aan aspirant-kopers en sollicitanten mededelen, waardoor zij zouden afhaken. Ook kon zij geen cadeaubonnen meer verkopen. [gedaagde] heeft onvoldoende gesteld dat er sprake is van een handelwijze van DLE die haar schade toebrengt en dat er sprake is van schade. De gevorderde verklaring voor recht dat DLE aansprakelijk is voor schade die [gedaagde] lijdt of nog zal lijden, wordt daarom afgewezen. De buitengerechtelijke incassokosten 2.34. DLE vordert een bedrag dat is gebaseerd op het bepaalde in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De onderhavige vordering heeft echter geen betrekking op één van de situaties waarin genoemd besluit van toepassing is. Er is tussen partijen wel gecorrespondeerd, maar dit zag met name op de opzegging en niet op de vorderingen die in deze procedure zijn ingesteld althans dit is onvoldoende gesteld. Er is geen sprake van schade in de zin van artikel 6:96 lid 2 sub c. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten wordt daarom afgewezen. De proceskosten 2.35. Gelet op de uitkomst van de procedure, waarbij [gedaagde] grotendeels in het ongelijk is gesteld, zal [gedaagde] worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De proceskosten van DLE in conventie en in reconventie worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 112,37 - griffierecht € 1.409,00 - salaris gemachtigde € 847,50 (2,5 punten × € 339,00) - nakosten € 135,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.503,87 2.36. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. Uitvoerbaarheid bij voorraad 2.37. Dit vonnis wordt, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Dit betekent dat deze uitspraak geldt, totdat in een eventueel hoger beroep anders is beslist. 3Het incident ex artikel 843a Rv Waar gaat het incident over? 3.1. Volgens DLE fraudeert [gedaagde] met de omzet door contante betalingen niet op te geven aan DLE. Hierdoor heeft DLE het vermoeden dat [gedaagde] er een schaduwadministratie op na houdt. Daarom vordert DLE de afgifte van of inzage in (
- i)de financiële en administratieve boekhouding van [gedaagde] in de periode vanaf 1 februari 2017 tot en met heden, en (
- ii)de bescheiden aanwezig in en rondom het kassasysteem in de spa, waaronder de afsprakenagenda en de verschillende mappen, lijsten en ordners die daar liggen. Dan wel dat het bevel gegeven wordt stukken in het geding te brengen. Op straffe van het niet voldoen aan de veroordeling wordt een dwangsom van € 1.000,00 per dag gevorderd. [gedaagde] voert verweer. De kantonrechter zal de vordering tot afgifte van de bescheiden toewijzen. Dit oordeel wordt hierna toegelicht. Is er voldaan aan de vereisten van artikel 843a Rv? 3.2. De vraag die voorligt is of DLE recht heeft op inzage en afschrift van de gevorderde bescheiden. DLE baseert haar vordering op artikel 843a Rv. Dit artikel is inmiddels vervangen door artikel 194 Rv maar gelet op het overgangsrecht dient deze vordering, die aanhangig is gemaakt voor 1 januari 2025, nog op basis van het oude bewijsrecht te worden afgedaan. De vordering van DLE is op grond van artikel 843a Rv toewijsbaar als: (
- i)DLE een rechtmatig belang heeft bij inzage, afschrift of uittreksel van bescheiden, (
- ii)de vordering betrekking heeft op bepaalde bescheiden, (iii) de bescheiden een rechtsbetrekking betreffen waarin DLE partij is, en (
- iv)[gedaagde] deze bescheiden tot haar beschikking of onder haar berusting heeft. Op grond van het vierde lid van artikel 843a Rv is degene die de bescheiden ter beschikking heeft of onder zich heeft niet verplicht aan de vordering te voldoen als daarvoor gewichtige, door deze partij aan te voeren redenen zijn of als redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde bescheiden is gewaarborgd. 3.3. Tussen partijen staat niet ter discussie dat de vordering betrekking heeft op ‘bepaalde’ bescheiden en dat er sprake is van een rechtsbetrekking tussen partijen. DLE kan door het ontbreken van de bescheiden niet onderbouwen hoeveel schade zij lijdt door [gedaagde] en zij moet zich hierover concreet kunnen uitlaten. [gedaagde] heeft aangevoerd dat DLE al beschikt over de omzetcijfers en de vordering daarom afgewezen moet worden. Zonder nadere toelichting of onderbouwing, is dat onvoldoende. DLE heeft namelijk met het rapport van 2Solve en de video’s voldoende onderbouwd dat de bescheiden bestaan en dat de door [gedaagde] doorgegeven omzetcijfers onvolledig zijn, omdat [gedaagde] een deel van haar omzet niet heeft doorgegeven. Dit is in de hoofdzaak nader toegelicht. DLE heeft ook onweersproken aangevoerd dat alle afspraken en de informatie over welke behandeling en bijhorende kosten een klant heeft gehad, in de afsprakenagenda zijn genoteerd. Door inzage in deze afsprakenagenda kan zij afleiden hoeveel omzet er daadwerkelijk is gegenereerd en wat het verschil is met de door [gedaagde] geregistreerde omzet. DLE heeft daarom een rechtmatig belang bij de verstrekking van de gevorderde bescheiden. 3.4. [gedaagde] betoogt dat er gewichtige redenen bestaan om de vordering van DLE af te wijzen. Volgens haar wil DLE zelf de spa gaan exploiteren of uitbesteden aan een derde. [gedaagde] heeft zelf overnamekandidaten waardoor DLE een concurrentiepositie inneemt en DLE voordeel kan hebben bij inzage in de afsprakenagenda. Uit de afsprakenagenda blijkt namelijk het gehele klantenbestand van [gedaagde] , waaronder ook de klanten van buiten het hotel. DLE heeft uitgelegd dat zij geen beschikking wil krijgen over het klantenbestand van [gedaagde] en betwist dat er sprake is van concurrentiegevoelige informatie in de afsprakenagenda. DLE wil alleen weten hoeveel behandelingen er zijn geweest en wat de kosten daarvan waren. [gedaagde] heeft niet verder onderbouwd dat DLE een concurrentiepositie inneemt en dat haar klantenbestand is opgenomen in de afsprakenagenda. De gewichtige redenen zijn daarom onvoldoende onderbouwd. Bovendien weegt het belang van DLE om haar gestelde schade te kunnen begroten, zwaarder dan het belang van [gedaagde] . De vordering tot afgifte en/of inzage van de bescheiden zal daarom worden toegewezen. 3.5. Gelet op het voorgaande zal de vordering op grond van artikel 22 Rv worden afgewezen bij gebrek aan belang. Termijn en dwangsom 3.6. DLE heeft verzocht om [gedaagde] te veroordelen om binnen een termijn van vijf dagen na dit vonnis aan de veroordeling tot afgifte en/of inzage van de bescheiden te voldoen. De kantonrechter acht deze termijn te kort en kent daarom een termijn van twee weken na betekening van dit vonnis toe om [gedaagde] in staat te stellen de bescheiden aan DLE te verstrekken. Hieraan zal een dwangsom worden verbonden. Deze zal worden beperkt en gemaximeerd zoals in de beslissing is vermeld. Proceskosten van het incident 3.7. [gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten van het incident, begroot op € 339,00 (1 punt × tarief € 339,00). De gevorderde wettelijke rente hierover zal worden toegewezen op de in de beslissing te vermelden manier. 4De beslissing De kantonrechter: in het incident 4.1. beveelt [gedaagde] om binnen twee weken na betekening van dit vonnis de financiële en administratieve boekhouding van [gedaagde] in de periode vanaf 1 februari 2017 tot en met heden en de afsprakenagenda en de verschillende mappen, lijsten en ordners aanwezig in en rondom het kassasysteem te verstrekken aan DLE, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 50,00 per dag indien [gedaagde] geheel of ten dele in gebreke blijft om aan deze veroordeling te voldoen met een maximum aan verbeurde dwangsommen van € 5.000,00; 4.2. veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het incident tot op heden aan de kant van DLE begroot op € 339,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW hierover als deze kosten niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald; in de hoofdzaak in conventie 4.3. ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst; 4.4. veroordeelt [gedaagde] om het gehuurde binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten met alle daarin aanwezige zaken, voor zover die aan haar toebehoren en niet aan DLE, en ter vrije beschikking van DLE te stellen; 4.5. veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan DLE van een bedrag gelijk aan 12,5% van de maandelijkse omzet van DLE over de periode van vandaag tot en met het einde van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW; 4.6. veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan DLE een bedrag van € 9.177,25 aan expertisekosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover, te rekenen vanaf 24 mei 2024 tot aan de dag van volledige betaling; 4.7. veroordeelt [gedaagde] tot vergoeding aan DLE van de schade als gevolg van de tekortkoming, nader op te maken bij staat; in reconventie 4.8. verklaart voor recht dat de huurprijs 12,5% van de bruto maandomzet is; 4.9. verklaart voor recht dat het DLE op basis van de huurovereenkomst niet is toegestaan om eenzijdig de huur te verhogen van 12,5% naar 15% van de bruto maandomzet; 4.10. verklaart voor recht dat DLE de teveel betaalde huur vanaf 1 april 2024 moet terugbetalen aan [gedaagde] ; in zowel conventie als in reconventie 4.11. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.503,87, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend; 4.12. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald; 4.13. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 4.14. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. B.T. Beuving, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2025.