RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 24/7181 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. W.H. Boomstra), en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, het college ( [gemachtigden verweerder] ). Inleiding
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van een urgentieverklaring. 1.
- Het college heeft de aanvraag van eiser om een urgentieverklaring met het besluit van 26 maart 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 5 november 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de urgentieverklaring gebleven. 1.
- Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.
- De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van het college van 5 november 2024 op 17 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. B.E.C. de Jong als waarnemer van de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van het college. 1.
- Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beoordeling door de rechtbank
- De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dit betekent dat het college de aanvraag van eiser om een urgentieverklaring heeft mogen afwijzen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 2.
- Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college terecht aan eiser een algemene weigeringsgrond mogen tegenwerpen. Eiser heeft met 27 wachtpunten (en 6 zoekpunten) op het moment van het bestreden besluit ruimschoots meer dan het minimale aantal van 15 punten. Hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij niet zelf een passende woning kan vinden. Uit de woningreacties blijkt dat eiser vooral zoekt in Nieuw-West en Oud-Zuid. Ook blijkt uit het aantal zoekpunten dat eiser niet elke maand op vier woningen reageert. Daarnaast heeft eiser een paar maanden voor zijn aanvraag, in december 2023, drie passende woningen geweigerd die door een bemiddelingstraject zijn aangeboden door [woningbouwvereniging] . De enkele stelling dat deze woningen gehorig zijn, doet daar niet aan af. Het gaat immers om woningen zonder bovenburen. 2.
- De rechtbank is van oordeel dat het college het beroep op de hardheidsclausule heeft mogen afwijzen. Dat rechtbank begrijpt dat eiser en zijn gezin belang hebben bij een andere woning, maar uit de stukken blijkt niet dat het gaat om een acute levensbedreigende dan wel zeer uitzonderlijke, zeer schrijnende situatie. De jarenlange overlast die eiser ervaart en zijn psychische klachten zijn niet dermate bijzondere omstandigheden dat zij moeten leiden tot de afgifte van een urgentieverklaring. 2.
- Ten overvloede merkt de rechtbank op dat een urgentieverklaring voor eiser ook niet de meest geschikte route is. De rechtbank ziet dat er problemen spelen en ook het college erkent dit. Indien hij een urgentieverklaring zou krijgen mag eiser niet zelf kiezen in welk stadsdeel hij wil wonen en krijgt hij slechts een eenmalig aanbod. Bij een weigering van dat aanbod is eiser zijn zoekpunten kwijt en kan hij twee jaar lang geen urgentieverklaring meer aanvragen. Op de zitting is door de gemachtigde van eiser gezegd dat op dit moment weer gesproken wordt met [woningbouwvereniging] . Dit is naar de mening van de rechtbank waarschijnlijk de snelste mogelijkheid om een andere woning te krijgen. Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. 3.
- Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze. Beslissing De rechtbank verklaart beroep ongegrond. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 april 2025 door mr. S.D. Arnold, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.E. Swinkels, griffier. griffier rechter Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Artikel 2.10.5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Huisvestingsverordening. Artikel 3, ad c), onder 7 van de Nadere regels Huisvestingsverordening Amsterdam 2024.