RECHTBANK AMSTERDAM Civiel recht Kantonrechter Zaaknummer: 11290515 \ CV EXPL 24-11395 Vonnis van 17 april 2025 (bij vervroeging) in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: mr. G.J. Kerver, tegen 1 [gedaagde 1] , wonende te [woonplaats 2] ,
- [gedaagde 2], wonende te [woonplaats 2] , gedaagde partijen, hierna samen te noemen: [gedaagden] , procederend in persoon. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 22 augustus 2024 met producties; - het proces-verbaal met daarin de mondelinge reactie van [gedaagden] ; - het instructievonnis van 2 januari 2025, waarbij mondelinge behandeling is bepaald; - de dagbepaling van de mondelinge behandeling; 1.
- De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 april
- [eiser] is verschenen, bijgestaan door zijn advocaten mr. G.J. Kerver en mr. F. Klapwijk en tolk mevrouw I. Ringelé. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn ook verschenen. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.
- [gedaagden] heeft vanaf 1 juni 2022 een woning van [eiser] gehuurd aan het adres [adres] . De totale huurprijs van de woning bedroeg € 2.100,00 per maand en bestond uit een bedrag van € 1.850,00 aan kale huur en een bedrag van € 250,00 aan voorschot servicekosten. De huurprijs was ingevolge de huurovereenkomst maandelijks bij vooruitbetaling verschuldigd. Op grond van artikel 11.2 van de huurovereenkomst verbeurt de huurder een boete van € 50,00 per dag voor iedere overtreding van een verplichting uit de huurovereenkomst, met een maximum van € 1.000,
- 2.2 Sinds november 2022 is een achterstand ontstaan in de huurbetalingen. In de periode van november 2022 tot en met april 2024, zijnde 18 maanden, heeft [gedaagden] twee keer een bedrag betaald van € 2.100,00 (op 11 januari 2023 en op 11 december 2023) en één keer een bedrag van € 5.000,00 (op 22 september 2023). Totaal is een bedrag van € 28.600,00 aan huur onbetaald gebleven. 2.3 Bij brief van 21 december 2023 heeft de gemachtigde van [eiser] [gedaagden] gesommeerd tot betaling van de huurachterstand. Op 2 februari 2024 is de huurachterstand gemeld bij de [gemeente] in het kader van het besluit gemeentelijke schuldhulpverlening. Medio april 2024 heeft [gedaagden] het gehuurde ontruimd en is de huurovereenkomst tot een einde gekomen. 3Het geschil 3.1 [eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagden] : tot betaling van een bedrag van € 28.600,00 te vermeerderen met de wettelijke rente berekend vanaf de respectievelijke vervaldata tot de dag der algehele voldoening; tot betaling van de verbeurde contractuele boete van € 1.000,00 te vermeerderen met de wettelijke rente berekend vanaf de respectievelijke vervaldata tot de dag der algehele voldoening; tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening; met veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten. 3.2 [eiser] stelt hiertoe dat hoewel de huurovereenkomst inmiddels is geëindigd, [gedaagden] nog steeds gehouden is tot betaling van de achterstallige huurtermijnen vermeerderd met boete, rente en (buitengerechtelijke)proceskosten. 3.3 [gedaagden] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling Geen ambtshalve toetsing 4.1 Allereerst wordt vastgesteld dat [eiser] geen handelaar is in de zin van het (Europees) consumentenrecht. Ter zitting heeft [eiser] verklaard zijn huis altijd zelf te hebben bewoond, waarbij hij soms een enkele kamer verhuurde. Later verhuurde hij de gehele woning aan [gedaagden] in verband met een tijdelijk verblijf in het buitenland. Na beëindiging van deze huurovereenkomst heeft [eiser] de woning verkocht. Deze omstandigheden duiden niet op zakelijke verhuur. De conclusie is dan ook dat [eiser] een particuliere verhuurder is. De huurachterstand 4.2 [gedaagden] heeft niet betwist dat een huurachterstand is ontstaan. Ter zitting hebben partijen nog wel nader overleg gehad over de afrekening van de servicekosten en de waarborgsom. Partijen hebben in dat kader afgesproken de uiteindelijke servicekosten vast te stellen op een bedrag van € 200,00 per maand in plaats van het bedrag van € 250,00 aan voorschot per maand en daarmee de servicekosten over de gehele huurperiode als afgerekend te beschouwen. Ook hebben partijen afgesproken de door [gedaagden] betaalde waarborgsom van € 2.100,00 te verrekenen met de huurachterstand. In totaal zal daarom een bedrag van € 25.350,00 aan huurachterstand worden toegewezen. Dit bedrag is als volgt opgebouwd: Gevorderde bedrag € 28.600,00 Afrekening servicekosten (23 * € 50,00) € 1.150,00 -/- Waarborgsom € 2.100,00 -/- Totaal verschuldigd € 25.350,00 Boete, rente en buitengerechtelijke incassokosten 4.3 [eiser] vordert betaling van een bedrag van € 1.000,00 aan verbeurde boetes op grond van het bepaalde in artikel 11.2 van de huurovereenkomst. Op grond van de huurovereenkomst is [gedaagden] deze boete inderdaad verschuldigd. [gedaagden] heeft zich weliswaar op het standpunt gesteld dat de boete niet eerlijk is, maar heeft dat verder niet onderbouwd. De gevorderde boete zal daarom worden toegewezen. Voorts bepaalt artikel 11.2 dat naast de boete ook (aanvullende) schadevergoeding kan worden gevorderd. De wettelijke rente over de hoofdsom is in dat verband dus ook toewijsbaar (naast de contractuele boete). De wettelijke rente over de boete zal ook worden toegewezen, zij het vanaf de dag van dagvaarding, omdat niet is gebleken dat [gedaagden] eerder dan in de dagvaarding is aangesproken op betaling van de boete. 4.4 Voorts vordert [eiser] vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) is van toepassing. [gedaagden] is een consument (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Ondanks dat [eiser] geen handelaar is, moet toch worden nagegaan of is voldaan aan de bij consumenten geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten (artikel 6:96 leden 5 en 6 BW). De gemachtigde van [eiser] heeft aan [gedaagden] een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. De gevorderde vergoeding is hoger dan het tarief dat volgens het Besluit past bij de toe te wijzen hoofdsom. Daarom zal een bedrag worden toegewezen tot het wettelijke tarief dat aansluit bij de toe te wijzen hoofdsom, zijnde een bedrag van € 1.028,
- De wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen zoals gevorderd. 4.5 [gedaagden] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 137,47 - griffierecht € 706,00 - salaris gemachtigde € 1.086,00 (2 punten × € 543,00) - nakosten € 67,50 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.996,97 4.6 De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 5De beslissing De kantonrechter 5.1 veroordeelt [gedaagden] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 25.350,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, vanaf de respectievelijke vervaldata, tot de dag van volledige betaling, 5.2 veroordeelt [gedaagden] om aan [eiser] te betalen de verbeurde contractuele boete van € 1.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling, 5.3 veroordeelt [gedaagden] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.028,50 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling, 5.4 veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten van € 1.996,97, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.5 veroordeelt [gedaagden] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 5.6 verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 5.7 wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. J.V.L. van Well, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 april
- De griffier De kantonrechter