RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 25/2182 uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 mei 2025 in de zaak tussen [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker (gemachtigde: mr. J.P. Sanchez Montoto), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (gemachtigde: [gemachtigde]). Samenvatting
- Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het stopzetten van de bijstandsuitkering van verzoeker per 11 februari
- Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen de spoedeisendheid van het verzoek en of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.
- De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Procesverloop
- Met het bestreden besluit van 4 maart 2025 heeft verweerder de uitkering van verzoeker met terugwerkende kracht beëindigd, per 11 februari
- Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter op 3 april 2025 gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Verzoeker heeft een verzoek om vrijstelling van betaling van het griffierecht gedaan. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek gehonoreerd. Verweerder heeft op 23 april 2025 een verweerschrift ingebracht.
- De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 28 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en de gemachtigde van verzoeker. De gemachtigde van verweerder is, met bericht van verhindering, niet ter zitting verschenen. Beoordeling door de voorzieningenrechter
- Verzoeker ontvangt sinds 3 januari 2023 een bijstandsuitkering. Ten tijde van de toekenning hiervan had verzoeker een tijdelijke verblijfsvergunning tot 9 november
- Deze verblijfsvergunning is verleend op grond van tijdelijke, humanitaire gronden. Verzoeker heeft tijdig verzocht om verlenging van zijn verblijfsvergunning. In afwachting van de behandeling van het verzoek om verlenging door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), alsmede na de afwijzing en gedurende de bezwaarprocedure naar aanleiding van de afwijzing, kreeg verzoeker van de IND een zogeheten verblijfscode
- Op grond daarvan bestond nog recht op een bijstandsuitkering. Nadat het bezwaar van verzoeker in de verblijfsrechtelijke procedure door de IND op 11 februari 2025 ongegrond is verklaard, kreeg verzoeker verblijfscode
- Deze verblijfscode betekent volgens verweerder dat er geen geldige verblijfstitel meer is en geen recht op bijstand bestaat op grond van artikel 11, tweede en derde lid van de Participatiewet.
- Verzoeker voert aan dat er sprake is van een dusdanig dringende situatie dat hij de bezwaarprocedure niet kan afwachten. Bovendien stelt verzoeker dat het stopzetten van zijn uitkering een evident onrechtmatig besluit is. Verzoeker verwijst in dit kader naar informatie van het Juridisch Loket waaruit blijkt dat hij, omdat hij de bezwaarprocedure in Nederland mag afwachten, recht heeft op voortzetting van zijn bijstandsuitkering.
- De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist.
- Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak het geval is, ligt de lat voor het aannemen van spoedeisendheid hoog. In principe kan namelijk na afloop van de beroepsprocedure het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt of als er geen acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat zij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
- Niet in geschil is dat verzoeker op dit moment niet beschikt over een (eigen) inkomen en dat hij daardoor financieel geraakt wordt. Er zijn echter omstandigheden waardoor verzoeker niet in acute financiële nood is geraakt. Verzoeker heeft ter zitting aangegeven samen te wonen met zijn partner, die een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt van het UWV. Daarnaast is de huur, te weten € 556,99 per maand, en andere vaste lasten de afgelopen twee maanden voorgeschoten door een kennis van verzoeker, mevrouw [naam] Niet is gebleken dat mevrouw [naam] verzoeker niet langer, in ieder geval tot de beslissing op bezwaar, kan ondersteunen. Verzoeker heeft daarmee een vangnet waardoor niet aannemelijk is dat er op dit moment sprake is van een acute financiële noodsituatie. Gelet hierop is niet gebleken dat verzoeker de beslissing op bezwaar niet kan afwachten.
- Wegens het ontbreken van spoedeisend belang komt de voorzieningenrechter niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit. Dit is alleen anders als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht nu al duidelijk is dat het door verweerder ingenomen standpunt onjuist is en het besluit in de bezwaarfase geen stand zal houden.
- Hiervan is in de onderhavige zaak niet gebleken. Als uitgangspunt geldt dat verweerder mag uitgaan van de verblijfsrechtelijke informatie, zoals verstrekt door de IND. Voor zover verzoeker verwijst naar informatie van het Juridisch Loket, leidt dit naar het oordeel van de voorzieningenrechter evenmin tot het oordeel dat sprake is van evident onrechtmatige besluitvorming. De website van het Juridisch Loket betreft geen wettelijke regelgeving waardoor niet enkel op basis van deze bron gesteld kan worden dat het besluit evident onrechtmatig is. Conclusie en gevolgen
- De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. Bakker, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 7 mei
- griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2019:4212