← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2025:2948

RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 25/2408 uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 mei 2025 in de zaak tussen [verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster (gemachtigde: mr. C.G.M. de Groot), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder ( [gemachtigde verweerder] ). Samenvatting

  1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het aanbod voor opvang van verzoekster en de weigering van een noodbed door de Blijf Groep. Verzoekster is het hier niet mee eens.
  2. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of sprake is van spoedeisendheid en of de bezwaren een redelijke kans van slagen hebben. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekster.
  3. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Procesverloop
  4. De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam heeft in een eerdere procedure op 7 april 2025 bepaald dat verweerder per direct passende opvang aan verzoekster moet aanbieden, in ieder geval 24-uurs opvang, tot aan de plaatsing van verzoekster in de opvang in een toegewezen maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo). Verweerder heeft verzoekster vervolgens een opvangplek aangeboden aan de [adres] te Amsterdam. Verzoekster vindt dat er hiermee geen passende voorziening wordt aangeboden en heeft hiertegen bezwaar gemaakt, alsmede een nieuw verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
  5. Daarnaast heeft verzoekster een noodbed aangevraagd bij de Blijf Groep. Deze aanvraag is afgewezen. Hiertegen heeft verzoekster eveneens bezwaar gemaakt. Het onderhavige verzoek om een voorlopige voorziening richt zich eveneens op de afwijzing van de aanvraag voor een noodbed.
  6. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 28 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van verweerder. Namens verweerder is tevens de heer [naam] verschenen. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  7. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist.
  8. Na de uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 april 2025, waarbij werd vastgesteld dat verzoekster terecht vreesde voor haar veiligheid, heeft verweerder voor verzoekster met ingang van 8 april 2025 24-uurs-opvang gefaciliteerd aan de [adres] . Daar was voor haar een afsluitbare éénpersoonskamer beschikbaar. Op deze locatie is tevens begeleiding en beveiliging aanwezig. Met dit aanbod is aan verzoekster voorrang gegeven op 31 andere wachtenden die momenteel op straat verblijven. Verzoekster is op 8 april 2025 niet verschenen op de [adres] . Een dag later, op 9 april 2025 is aan haar nogmaals de gelegenheid geboden om te verschijnen voor een intake. Op 9 april 2025 is verzoekster opnieuw niet verschenen. De kamer op de [adres] is daarna toegewezen aan iemand anders op de wachtlijst.
  9. Verzoekster voert aan dat de vrees voor haar veiligheid nog steeds actueel is en dat zij daarom een spoedeisend belang heeft. Zij heeft het aanbod voor opvang aan de [adres] niet aangenomen omdat er veel mannen in de opvang wonen en omdat de bewoners van de opvanglocatie op de [adres] veelal verslaafd zijn. Verzoekster kampte in het verleden met een drugsverslaving en vreest met het voorhanden zijn van drugs in en rondom de opvanglocatie voor een terugval. Opvang in het centrum van Amsterdam is gelet hierop volgens verzoekster niet passend.
  10. De voorzieningenrechter is van oordeel dat doordat verzoekster tot tweemaal toe niet is verschenen op de [adres] van onverwijlde spoed geen sprake (meer) is. Het aanbod op de [adres] bood voldoende waarborgen voor de veiligheid en het risico op middelengebruik van verzoekster. Immers had verzoekster hier 24 uur per dag een eigen kamer kunnen betrekken die zij had kunnen afsluiten en was er beveiliging en begeleiding voorhanden. De voorzieningenrechter begrijpt dat deze locatie niet meest ideaal is voor verzoekster maar zij had hiermee wel een veilige plek om te verblijven waardoor er geen sprake meer is van een acute noodsituatie.
  11. De voorzieningenrechter betrekt bij dit oordeel ook dat in de afgelopen weken geen incidenten ten aanzien van verzoekster hebben plaatsgevonden en de Blijf Groep de aanvraag voor een noodbed heeft afgewezen omdat zij geen acute dreiging voor verzoekster heeft aangenomen. Daarnaast heeft verweerder ter zitting de verwachting uitgesproken binnen drie weken een beslissing op bezwaar te nemen. Gelet hierop is niet gebleken dat verzoekster de beslissing op bezwaar niet kan afwachten.
  12. Wegens het ontbreken van spoedeisend belang komt de voorzieningenrechter niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van verzoeksters verzoekschrift. Dit is alleen anders als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht al duidelijk is dat het door verweerder ingenomen standpunt onjuist is en het besluit in de bezwaarfase geen stand zal houden.
  13. Hiervan is, gelet op het vorenstaande, in de onderhavige zaak niet gebleken. De voorzieningenrechter overweegt daarbij dat wanneer een voorziening niet in ieder opzicht ideaal is, dit niet zonder meer met zich brengt dat deze als niet passend moet worden beschouwd. Uit de memorie van toelichting bij de Wmo blijkt dat een maatregel dient te passen bij de gegeven omstandigheden, dat wil zeggen dat zoveel mogelijk moet worden aangesloten bij de behoefte van de betrokkene, zonder dat van het college kan worden verwacht dat het op stel en sprong een precies passende maatregel treft. Het aanbod voor opvang op de Poeldijkstraat is naar het oordeel van de voorzieningenrechter daarom niet evident onrechtmatig.
  14. Ten aanzien van het weigeren van een noodbed door de Blijf Groep ziet de voorzieningenrechter evenmin evidente onrechtmatigheid. Partijen verschillen van mening ten aanzien van de vraag of de weigering van een noodbed door de Blijf Groep kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Dit is een kwestie die in de bezwaarprocedure nader onderzocht kan worden. Conclusie en gevolgen
  15. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. Bakker, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 7 mei
  16. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. ECLI:NL:RBAMS:2025:2552 Kamerstukken II, 2013-2014, 33 841, nr. 3, p.147

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.