Rechtbank Amsterdam – ECLI:NL:RBAMS:2025:2966
RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer: 11448968 EA VERZ 24-1254 beschikking van: 9 april 2025 func.: 364 beschikking van de kantonrechter I n z a k e de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [verzoekster] B.V. gevestigd te [vestigingsplaats] verzoekster, nader te noemen: [verzoekster] gemachtigde: mr. R. Olde en mr. E.M. de Moor t e g e n [gedaagde] wonende te [woonplaats] verweerder, nader te noemen: [gedaagde] gemachtigde: mr. S.W. Claassen.
VERLOOP VAN DE PROCEDURE [verzoekster] heeft op 12 december 2024 een verzoekschrift met producties ingediend, dat strekt tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. [gedaagde] heeft op 21 februari 2025 een verweerschrift met producties ingediend, met een aantal tegenverzoeken.
De zaak is behandeld op de zitting van 3 maart 2025, waar namens [verzoekster] [naam 1] is verschenen, die werd vergezeld door de gemachtigden en een tolk. Ook [gedaagde] is verschenen, vergezeld door zijn gemachtigde en een tolk. Partijen hebben ter zitting hun standpunten toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen en vragen van de kantonrechter beantwoord. Ten slotte is een datum voor beschikking bepaald.
GRONDEN VAN DE BESLISSING Feiten 1.1. [verzoekster] is in het jaar 2020 opgericht door [gedaagde] , geboren op [geboortedatum] 1995, samen met [naam 2] en investeringsmaatschappij Airbridge Equity Partners en houdt zich bezig met de ontwikkeling van locatieoplossingen voor mobiele apps.
1.2. [verzoekster] heeft een vestiging in India en in Nederland. In India werd de productontwikkeling en bouw gedaan door [naam 2] . In Nederland hield [verzoekster] kantoor aan de [locatie] .
1.3. [gedaagde] was samen met de anderen aandeelhouder en statutair bestuurder van [verzoekster] . Als het uitkwam kreeg hij in het begin een managementvergoeding, daarna maandelijks.
1.4.
Op 1 januari 2022 heeft [gedaagde] met [verzoekster] ook een arbeidsovereenkomst gesloten als CEO. Zijn salaris bedroeg toen € 3.500,- bruto per maand.
1.5.
In de loop van 2023 kreeg het Franse bedrijf [bedrijf] SAS interesse in overname van het door Airbridge Equity Partners gehouden meerderheidsbelang van 67,07%. Eind 2023 heeft een uitgebreid due diligence onderzoek plaatsgevonden. Tijdens de overnamegesprekken is naar voren gekomen dat na overname de salesactiviteiten van [verzoekster] overgenomen zouden worden door [bedrijf] en dat het product zou worden geïntegreerd in [bedrijf] .
1.6.
Op 22 november 2023 is een koopovereenkomst met betrekking tot de aandelen van Airbridge Equity Partners in [verzoekster] gesloten en is op 23 november 2023 een aandeelhoudersovereenkomst gesloten tussen [bedrijf] , [naam holding] B.V. (de persoonlijke holding van [gedaagde] , hierna; de holding), Stichting Administratiekantoor Geospark en [naam 2] .
1.7.
In artikel 6.2 sub i van de koopovereenkomst van aandelen van 22 november 2023 is bepaald dat de huidige leden van de raad van bestuur van [verzoekster] zullen aftreden en decharge wordt verleend en dat [bedrijf] wordt benoemd tot enig lid van de raad van bestuur van [verzoekster] .
1.8.
Op 15 december 2023 heeft [bedrijf] de aandelen die Airbridge Equity Partners hield in [verzoekster] overgenomen en zijn [gedaagde] en [naam 2] als statutair bestuurder teruggetreden. Uiteindelijk is niet alleen [bedrijf] als statutair bestuurder benoemd, maar ook de holding, waardoor [gedaagde] (middellijk) bestuurder bleef.
1.9.
Bij de overname is besproken dat [gedaagde] een salaris van € 4.320,37 bruto zou ontvangen en € 679,63 vanuit zijn holding zou factureren.
1.10.
Bij de overname is besloten dat het niet langer nodig is om kantoor te houden aan de [locatie] ; alleen [gedaagde] werkte nog vanuit Nederland voor [verzoekster] . [verzoekster] is vervolgens ingeschreven op het huisadres van [gedaagde] aan de [adres] . Vanaf begin december 2023 is de huur voor het huisadres van [gedaagde] door [verzoekster] rechtstreeks aan de verhuurder ten bedrage van € 2.950,- per maand betaald.
1.11.
Volgens zijn laatste salarisstroken bedraagt het salaris van [gedaagde] € 4.320,37 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag. Daarnaast factureerde [gedaagde] vanuit zijn holding aan managementfee over januari tot en met maart 2024 een bedrag van € 2.500,-, over april 2024 € 1.000,-, over mei, juni, juli 2024 € 500,-, over augustus 2024 € 1.000,- en over september 2024 € 500,-, exclusief btw per maand.
1.12. [gedaagde] heeft na de overname met [naam 3] , medeoprichter en COO van [bedrijf] , wekelijks gesprekken gevoerd over het werk. Op 7 mei 2024 heeft [gedaagde] een bericht aan de CEO van [bedrijf] , [naam 1] , gestuurd, waarin hij kort gezegd liet weten dat hij ontevreden was over zijn rol binnen [verzoekster] en dat dat zijn werk negatief beïnvloedde. Volgens [gedaagde] was hij niet meer enthousiast en weinig gemotiveerd. [naam 1] heeft [gedaagde] vervolgens voorgesteld om [verzoekster] te verlaten, waarna [gedaagde] hem op 9 juni 2024 een tweede bericht heeft gestuurd. Daarin stelt [gedaagde] kort samengevat dat hij weinig andere keus heeft dan te kijken naar de optie om weg te gaan bij [verzoekster] . Volgens [gedaagde] waren de verwachtingen die hij had van de overname niet uitgekomen, voelde hij zich ondergewaardeerd omdat hij na de overname nooit een echte rol had gekregen en werd er negatief over hem en [verzoekster] gesproken. [gedaagde] heeft de (financiële) voorwaarden uiteengezet waaronder zijn dienstverband met wederzijds goedvinden kon worden beëindigd. Partijen zijn daar niet uitgekomen.
1.13.
De holding is op de aandeelhoudersvergadering van 5 september 2024 ontslagen als statutair bestuurder.
1.14.
Bij brief van 12 december 2024 heeft de toenmalige advocaat van [verzoekster] voor zover nodig ‘any management agreement’ opgezegd op een termijn van een maand.
Het geschil 2. [verzoekster] verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de arbeidsovereenkomst met [gedaagde] te ontbinden en hem te veroordelen in de kosten van dit geding.
Naast het toe-eigenen van het bedrag heeft dit geleid tot een ernstige en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding tussen partijen en gezien zijn negatieve houding is het volgens [verzoekster] ook niet verantwoord [gedaagde] nog langer in dienst te houden. Ten slotte stelt [verzoekster] dat tussen de werkzaamheden van [gedaagde] als middellijk bestuurder en zijn werkzaamheden op grond van de arbeidsovereenkomst geen onderscheid is te maken zodat met het ontslag van de holding als bestuurder, de arbeidsovereenkomst tussen partijen een lege huls is geworden. Ook dat is een reden om de verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst toe te wijzen, aldus [verzoekster] .
Beoordeling 7. Ter zitting is allereerst aan de orde geweest dat de kantonrechter gelet op artikel 2:241 BW niet bevoegd is om kennis te nemen van een verzoekschrift dat strekt tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wanneer het gaat om een (middellijk) statutair bestuurder. Beide partijen hebben daarop meegedeeld dat het in onderhavig geval niet gaat om een arbeidsovereenkomst met een statutair bestuurder.
Daaruit volgt dat de positie van [gedaagde] als (middellijk) bestuurder niet gelijkwaardig was aan die van statutair bestuurder [bedrijf] en dat [gedaagde] via zijn holding geen inhoudelijke rol vervulde als bestuurder. [verzoekster] wordt daarom niet gevolgd in haar stelling dat de arbeidsovereenkomst tussen [verzoekster] en [gedaagde] en zijn rol als middellijk bestuurder in feite één en ondeelbaar zijn Dat lijkt [verzoekster] overigens ook zelf niet zo te hebben ervaren, nu op de aandeelhoudersvergadering van 5 september 2024 de holding is ontslagen als statutair bestuurder maar over de arbeidsovereenkomst tussen [gedaagde] en [verzoekster] toen verder niet is gesproken. De kantonrechter is dan ook bevoegd onderhavig verzoek te behandelen.
Daaruit volgt dat [gedaagde] maandelijks een bestand met de banktransacties van [verzoekster] met [bedrijf] deelde, waarop ook betalingen van € 2.950,- aan de verhuurder van [gedaagde] zijn te zien. [gedaagde] heeft de betalingen dus niet aan zichzelf gedaan en deze evenmin ‘verstopt’ zoals [verzoekster] stelt. [gedaagde] mocht er dan ook van uitgaan dat met het verstrekken van deze financiële informatie aan de accountant van [verzoekster] , [verzoekster] ervan op de hoogte was dat deze betalingen werden gedaan. Niet valt in te zien dat hij deze informatie los daarvan ook nog expliciet moest delen met de CEO of de COO van [bedrijf] , zoals [verzoekster] suggereert. Als werknemer mocht [gedaagde] erop vertrouwen dat de leidinggevenden van [verzoekster] bekend waren met de informatie van de boekhouder.
Tot slot volgt uit de overgelegde en niet betwiste verklaring van [naam 2] , medeoprichter van [verzoekster] , dat zowel [naam 3] als [naam 1] van het begin af aan ervan op de hoogte waren dat de persoonlijke huurkosten van [gedaagde] door [verzoekster] werden gedekt. [gedaagde] heeft derhalve voldoende gemotiveerd betwist dat hij in het geheim geld zou hebben weggesluisd van de bankrekening van [verzoekster] . Evenmin kan worden vastgesteld dat [gedaagde] heeft geweigerd om de nieuwe bestuurder van [verzoekster] toegang tot of inzage in de bankrekening van [verzoekster] te verschaffen. [verzoekster] heeft haar stelling op dit punt verder niet toegelicht en uit het door [gedaagde] in het geding gebrachte e-mailbericht van 10 oktober 2024 aan [naam 1] , waarin [gedaagde] beschrijft dat hij tevergeefs heeft geprobeerd om een geautoriseerd persoon toegevoegd te krijgen aan de bankrekening van [verzoekster] (productie 17 verweerschrift), lijkt eerder het tegendeel te volgen.
Dat [gedaagde] onrechtmatig geld heeft weggesluisd kan dan ook niet worden vastgesteld.
Tegenverzoeken van [gedaagde] 14. Nu de arbeidsovereenkomst niet wordt ontbonden, wordt toegekomen aan de primaire tegenverzoeken van [gedaagde] , die zien op de opzegging van 12 december 2024 van de door [gedaagde] als ‘tweede arbeidsovereenkomst’ aangeduide overeenkomst en op betaling van achterstallig loon.
BESLISSING De kantonrechter: wijst het verzoek van [verzoekster] tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst af; wijst de tegenverzoeken van [gedaagde] af; compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. L. van Berkum, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.