← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2025:3051

RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 24/4356 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 mei 2025 in de zaak tussen [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. S.V. Hendriksen), en de Dienst Toeslagen, verweerder. Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het aan haar definitief toegekende compensatiebedrag op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). 1.
  2. Met een besluit van 11 oktober 2022 (het primaire besluit I) heeft verweerder eiseres over het toeslagjaar 2012 een definitief compensatiebedrag toegekend van € 25.037,-. Met twee besluiten van 11 oktober 2022 (de primaire besluiten II en III) heeft verweerder eiseres over het toeslagjaar 2013 geen compensatie toegekend omdat geen sprake was van vooringenomenheid (UHT-DC-I A) en hardheid (UHT-DHA5). Met het besluit van 7 december 2023 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiseres heeft verweerder het compensatiebedrag over het toeslagjaar 2012 verhoogd en is verweerder ten aanzien van het toeslagjaar 2013 bij de eerdere besluiten gebleven. 1.
  3. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.
  4. De rechtbank heeft het beroep op 24 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft eiseres, samen met haar partner en bovengenoemde gemachtigde deelgenomen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Wat aan deze procedure voorafging
  5. Eiseres is erkend gedupeerde van de Toeslagenaffaire en heeft in het kader van de Catshuisregeling een bedrag van € 30.000,- ontvangen. Op 8 oktober 2020 heeft zij een verzoek gedaan voor de herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag (KOT). Verweerder heeft vervolgens voor de jaren 2012 en 2013 gekeken of en waar zij fouten hebben gemaakt bij de beoordeling van de KOT.
  6. Verweerder heeft in een drietal besluiten van 11 oktober 2022 aan eiseres uitgelegd dat verweerder enkel in het toeslagjaar 2012 fouten heeft gemaakt. Eiseres heeft weliswaar geen recht op compensatie op grond van de compensatieregeling, er is echter wel sprake van een bijzondere omstandigheid in de zin van de hardheidsregeling, aldus verweerder. Zo komt eiseres voor 2012 in aanmerking voor 100% matiging van de terugvordering. Met het bestreden besluit heeft verweerder enkele aanpassingen gedaan in de opbouw van het compensatiebedrag en dat bedrag verhoogd tot € 32.564,-. Eiseres krijgt een nabetaling van € 2.564,-. Ten aanzien van 2013 is verweerder bij de eerdere besluiten gebleven. Standpunt eiseres
  7. Eiseres is voor 2013 ten onrechte niet gecompenseerd. Er heeft bij haar vrees bestaan dat zij de ontvangen KOT over 2013 aan verweerder moest betalen. Daarnaast stelt eiseres zich ten aanzien van het toegekende compensatiebedrag op het standpunt dat de berekening van de juridische hulp niet correct is. Eiseres had in totaal 9 punten vergoed moeten krijgen met wegingsfactor 2 in plaats van 7 punten met wegingsfactor
  8. Beoordeling door de rechtbank
  9. De rechtbank beoordeelt of verweerder het compensatiebedrag en de kosten voor juridische hulp juist heeft vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
  10. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is en dat eiseres deels gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Kosten voor juridische hulp
  11. De gemachtigde van eiseres heeft haar ook bijgestaan in een procedure in 2017 om een betalingsregeling bij de Belastingdienst te bewerkstelligen. Dit heeft geresulteerd in een betalingsregeling die is vastgesteld in de beslissing op bezwaar van 17 oktober
  12. Daarvoor is een bedrag van € 496,- vergoed aan proceskosten. Gemachtigde van eiseres meent dat het compensatiebedrag verhoogd moet worden met 2 punten x wegingsfactor
  13. Op de zitting heeft verweerder aangegeven bereid te zijn één punt (€ 907 x wegingsfactor 2) extra te vergoeden. Gezien de omstandigheden en het feit dat deze betalingsregeling er daadwerkelijk is gekomen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder hier inderdaad een punt voor had moeten toekennen. Aangezien eiseres voor deze regeling al € 496,- vergoed heeft gekregen, moet dat bedrag van het totaal worden afgehaald. Dit komt neer op een bedrag van € 1.318,- (€ 907 x wegingsfactor 2 – € 496). Het compensatiebedrag had dan ook worden moeten worden vastgesteld op € 32.564 + € 1.318,- = € 33.882,-. Eiseres heeft nog recht op een nabetaling van € 1.318,-.
  14. De rechtbank volgt de gemachtigde van eiseres niet in zijn standpunt dat ook een punt moet worden toegekend voor een hoorzitting in bovengenoemde procedure. Deze hoorzitting heeft immers niet plaatsgevonden. Uit genoemde beslissing volgt dat de gemachtigde heeft afgezien van een formeel hoorgesprek en dat hij dit vervolgens per e-mail aan verweerder heeft bevestigd. Er is weliswaar telefonisch contact geweest over het wel of niet houden van een hoorzitting, maar dat is niet gelijk te stellen met een hoorzitting. De tijdsbesteding en werkzaamheden voor dit korte gesprek zijn bijzonder summier geweest en niet vergelijkbaar met die van een hoorzitting. Toeslagjaar 2013
  15. Ook volgt de rechtbank eiseres niet in haar standpunt dat verweerder haar compensatie voor het toeslagjaar 2013 had moeten toekennen vanwege de vrees voor een terugvordering van KOT over dat jaar omdat zij ook een terugvordering had ontvangen van de KOT van
  16. De rechtbank stelt vast dat eiseres in december 2012 een voorschotbeschikking voor het toeslagjaar 2013 heeft gekregen met een bedrag van € 19.000,- aan KOT. Eiseres heeft echter in 2013 geen kinderopvang afgenomen. Daarom heeft zij op 31 december 2013 een voorschotbeschikking voor het jaar 2013 ontvangen waarin het voorschot KOT is vastgesteld op €
  17. De kinderopvanginstelling die de KOT had ontvangen, heeft in januari 2014 dit geld terugbetaald aan de Dienst Toeslagen. Hierdoor zijn er geen aanmaningen dan wel invorderingsmaatregelen jegens eiseres geweest. Vervolgens heeft eiseres op 6 januari 2015 de definitieve beschikking over toeslagjaar 2013 ontvangen waarin staat dat er geen bedrag hoeft te worden terugbetaald. Bij beslissing van 31 juli 2015 is de KOT 2012 definitief berekend en daaruit volgt pas dat eiseres de KOT 2012 moest terugbetalen. Op dat moment was al (lang) duidelijk dat er over 2013 niets hoefde te worden terugbetaald.
  18. De rechtbank volgt eiseres dan ook niet in haar standpunt dat zij had moeten vrezen dat de KOT 2013 zou worden teruggevorderd. De omstandigheid dat de KOT 2013 in eerste instantie eind 2013 bij haar was teruggevorderd, doet daar niet aan af. Na contact met de kinderopvanginstelling was al snel duidelijk dat de kinderopvanginstelling de KOT had terugbetaald. Hierin hoefde verweerder dan ook geen aanleiding te zien om eiseres te compenseren voor het jaar
  19. Er is geen sprake van een bijzondere omstandigheid in de hardheidsregeling en geen aanleiding voor hardheidscompensatie. De rechtbank wil daarbij benadrukken dat dit niet wegneemt dat eiseres en haar partner heel veel leed hebben ervaren als gevolg van de kinderopvangtoeslagaffaire. In deze procedure is – als gezegd – echter geen ruimte voor compensatie voor het toeslagjaar
  20. Conclusie en gevolgen
  21. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor wat betreft de hoogte van het compensatiebedrag. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en het compensatiebedrag vast te stellen op € 33.882,- en te bepalen dat verweerder eiseres recht een bedrag van € 1.318,- nabetaalt. Voor het overige laat de rechtbank het bestreden besluit in stand.
  22. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het griffierecht vergoeden. Eiseres heeft ook recht op proceskosten voor deze procedure zijnde (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van € 907,- per punt en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit voor wat betreft de hoogte van het compensatiebedrag; herroept het primaire besluit I voor wat betreft de hoogte van het compensatiebedrag; stelt het compensatiebedrag vast op € 33.882,-; bepaalt dat verweerder eiseres een bedrag van € 1.318,- nabetaalt; bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dat is vernietigd; veroordeelt verweerder tot het betalen van € 1.814,- aan proceskosten aan eiseres; bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 51,- aan eiseres moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.W. Jansen, rechter, in aanwezigheid van mr. F. van der Maas, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 6 mei
  23. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.