RECHTBANK Amsterdam Civiel recht Zaaknummer: C/13/756444 / HA ZA 24-1000 Vonnis van 21 mei 2025 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid INTERESTATE HOLDING B.V., te Amsterdam, eisende partij, hierna te noemen: InterEstate, advocaat: mr. S.J. Kloosterman, tegen 1 [gedaagde] , te [woonplaats] , advocaat: mr. Y.V. Ridley, hierna te noemen: [gedaagde]2. de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE AMSTERDAM, te Amsterdam, niet verschenen, hierna te noemen: Gemeente Amsterdam gedaagde partijen. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van InterEstate van 27 augustus 2024 met producties 1 t/m 14;- de conclusie van antwoord van [gedaagde] ; - het tussenvonnis van 18 december 2024 waarin een mondelinge behandeling is bepaald; - het proces-verbaal van de gerechtelijke plaatsopneming en de mondelinge behandeling van 8 april 2025 en de daarin genoemde stukken, met aangehecht de reacties op het proces-verbaal van mr. Kloosterman bij brief van 30 april 2025 en 1 mei 2025 en van mr. Ridley bij brief van 30 april 2025. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [gedaagde] huurde van 1960 tot 1971 de ruimte op de begane grond met tuin aan de [adres 1] . Deze ruimte was gelegen op het perceel grond met kadastrale aanduiding [woonplaats] 1110 (hierna: het Perceel 1110). [gedaagde] runde hier tot 1971 een kapperszaak en woonde tot 1964 in de achterste kamers van het pand. 2.2. [gedaagde] woont sinds 1964 in de woning met tuin aan de [adres 2] (de woning). De woning met tuin zijn gelegen op het perceel grond met kadastrale aanduiding [woonplaats] 1993 (hierna: het Perceel 1993). Eerst huurde [gedaagde] de woning van 1964 tot 1994. Daarna is zij lid geworden van de bij de woning horende coöperatieve flatexploitatievereniging van 1994 tot 2001. Sinds 2001 is [gedaagde] rechthebbende geworden van het appartementsrecht van de woning. [gedaagde] is sindsdien ook (mede) erfpachter van het Perceel 1993. 2.3. De tuin gelegen op het Perceel 1993 grenst (met een hoek) aan het Perceel 1110. Toen [gedaagde] vanaf 1964 huurder was van beide percelen, heeft [gedaagde] een deel van de strook grond gelegen op het Perceel 1110 (hierna: de strook grond) samen met de tuin gelegen op Perceel 1993 (en een deel van een ander naastliggend perceel met kadastraal nummer 1109 (hierna: het Perceel 1109)) ingericht en in gebruik genomen als één tuin. [gedaagde] heeft in de loop der jaren op de strook grond onder meer een (kunst)grasmat gelegd, verschillende bomen en struiken aangebracht (rondom de (kunst)grasmat) en een bankje geplaatst. 2.4. Op onderstaande kadastrale tekening zijn de percelen zichtbaar. Het stuk binnen de blauwe lijnen is het deel van de percelen dat [gedaagde] – bij benadering – als één tuin in gebruik heeft genomen. Deze zaak gaat alleen over het gebruik door [gedaagde] van de strook grond op het Perceel 1110 – hieronder groen gearceerd – en niet over haar gebruik van Perceel 1109. 2.5. In 2021 heeft InterEstate – in het kort – de appartementsrechten en het erfpachtrecht van het pand met tuin aan de [adres 1] gekocht. 2.6. Gemeente Amsterdam is eigenaar van het Perceel 1993 en het Perceel 1110. 3Het geschil 3.1. InterEstate vordert – samengevat – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis: primair: I. te verklaren voor recht dat [gedaagde] geen erfpachtgerechtigde is geworden van de strook grond; II. veroordeling van [gedaagde] om binnen 30 dagen na vonnis het gebruik van de strook grond te staken, gestaakt te houden en leeg en ontruimd ter beschikking te stellen en te laten aan InterEstate, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag met een maximum van € 250.000,00; voorwaardelijk primair: III. veroordeling van [gedaagde] om binnen 30 dagen na vonnis het erfpachtrecht op de strook grond over te dragen aan InterEstate, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag; IV. te verklaren voor recht dat het vonnis dezelfde kracht heeft als de rechtshandeling die [gedaagde] op grond van het vonnis moet verrichten dan wel dat het vonnis in de plaats treedt van de voor inschrijving benodigde akte; voorwaardelijk subsidiair: V. veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een schadevergoeding van € 79.750,54 aan InterEstate, vermeerderd met rente; en primair en voorwaardelijk primair en subsidiair: VI. veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, vermeerderd met rente. 3.2. InterEstate legt aan haar vorderingen I en II het volgende ten grondslag. InterEstate is sinds 2021 erfpachtgerechtigde van de strook grond. [gedaagde] heeft de strook grond, zonder recht of titel, in gebruik en maakt daarmee inbreuk op het erfpachtrecht van InterEstate. InterEstate is op grond van artikel 5:2 Burgerlijk Wetboek (BW) gerechtigd staking van het gebruik en ontruiming van de strook grond te vorderen. Aan haar voorwaardelijke vorderingen III, IV en V legt InterEstate ten grondslag dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door de strook grond in het verleden in bezit te nemen. InterEstate lijdt als gevolg daarvan schade. [gedaagde] dient deze schade, in natura door overdracht van de strook grond, dan wel door betaling van een geldsom, aan InterEstate te vergoeden. 3.3. [gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van InterEstate, dan wel tot afwijzing van alle vorderingen van InterEstate, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van InterEstate in de proceskosten. [gedaagde] legt aan haar verweer tegen de vorderingen I en II ten grondslag dat zij vanaf 1971 de strook grond in bezit heeft genomen en vervolgens het erfpachtrecht door bevrijdende verjaring heeft verkregen. Tegen de voorwaardelijke vorderingen III, IV en V voert [gedaagde] aan dat zij een bezitter te goeder trouw was. Daarnaast heeft [gedaagde] niet onrechtmatig gehandeld jegens InterEstate en heeft InterEstate ook geen schade geleden. 3.4. InterEstate heeft geen vorderingen ingesteld tegen Gemeente Amsterdam. De Gemeente Amsterdam is niet verschenen. 3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling Kern van de zaak 4.1. In de kern draait deze zaak om de vraag of het erfpachtrecht op de strook grond toebehoort aan InterEstate of aan [gedaagde] . InterEstate zou het erfpachtrecht in 2021 hebben verkregen toen zij de appartementsrechten en het erfpachtrecht van het pand met tuin aan de [adres 1] kocht. [gedaagde] stelt dat zij het erfpachtrecht daarvoor al, door ononderbroken bezit van de strook grond voor meer dan twintig jaar, heeft verkregen. De rechtbank oordeelt dat niet is komen vast te staan dat [gedaagde] bezitter is geworden van de strook grond, zodat haar beroep op verjaring niet slaagt. InterEstate is dus in 2021 erfpachter van de strook grond geworden. De vordering van InterEstate tot – in het kort – staking van het gebruik en ontruiming van de strook grond door [gedaagde] wordt daarom toegewezen. Beoordelingskader 4.2. Artikel 5:2 BW geeft de eigenaar van een zaak het recht om de zaak op te eisen van een ieder die de zaak zonder recht houdt. Met de eigenaar kan gelijk worden gesteld degene die op grond van een beperkt recht de bevoegdheid heeft om de onroerende zaak onder zich te hebben (zoals een erfpachter). Een vordering tot staking van het gebruik en/of ontruiming van een onroerende zaak op grond van artikel 5:2 BW komt gelet hierop (mede) toe aan een erfpachter. 4.3. Om te kunnen bepalen of InterEstate erfpachter van de strook grond is geworden dient te worden beoordeeld of het verweer van [gedaagde] – dat zij door bevrijdende verjaring erfpachter van de strook grond is geworden – slaagt. Tussen partijen is namelijk niet in geschil dat InterEstate in 2021 – zonder de verjaring – het erfpachtrecht op de strook grond zou hebben verkregen na de koop van de appartementsrechten en het erfpachtrecht van het pand met tuin aan de [adres 1] . 4.4. In het kader van de bevrijdende verjaring is het volgende relevant. Degene die een onroerende zaak voor meer dan twintig jaar in bezit heeft, wordt na twintig jaar op grond van bevrijdende verjaring rechthebbende daarvan. De vraag of sprake is van bezit moet worden beoordeeld naar de verkeersopvattingen op grond van uiterlijke feiten. Dit is een objectieve maatstaf en alle relevante omstandigheden van het geval moeten daarbij in aanmerking worden genomen. Het bezit moet openbaar en ondubbelzinnig zijn. Dit betekent dat de bezitter zich op een manier moet gedragen dat de eigenaar tegen wie de verjaring loopt, daaruit niet anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert rechthebbende te zijn. Bezit wordt onder andere verkregen door feitelijke machtsverschaffing. Wanneer het goed in bezit is van een ander, zijn enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen daarvoor onvoldoende. Er moet sprake zijn van een zodanige machtsuitoefening dat naar verkeersopvatting het bezit van de oorspronkelijke bezitter teniet wordt gedaan. De drempel voor het aannemen van inbezitneming van een onroerend goed is hoog. 4.5. In deze zaak geldt dat [gedaagde] sinds 2001 erfpachter is van het Perceel 1993. Dat betekent dat zij nooit gepretendeerd kan hebben dat zij meer dan de erfpachter van de (naastliggende) strook grond was. De bezitshandelingen van een erfpachtgerechtigde zijn in de praktijk wel dezelfde handelingen als die van een eigenaar. De rechtbank zal de gestelde bezitsdaden van [gedaagde] daarom op dezelfde manier beoordelen als ware zij eigenaar geweest van het Perceel 1993. [gedaagde] heeft het erfpachtrecht op de strook grond niet in bezit gekregen; beroep op verjaring faalt en de vordering van InterEstate wordt toegewezen 4.6. Op grond van de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) rust op [gedaagde] , die zich in haar verweer op het rechtsgevolg verjaring beroept, de stelplicht en zo nodig de bewijslast van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat zij bezitter van het erfpachtrecht op de strook grond is geworden en dat dit gedurende de verjaringstermijn zo is gebleven. [gedaagde] heeft in dat verband gesteld dat de strook grond sinds 1971, althans sinds 1994, althans sinds 2001, voor een onafgebroken periode van meer dan twintig jaar in haar bezit is geweest. Dit volgt uit de door haar aangebrachte bomen en struiken rondom de strook grond, die een “ondoordringbare natuurlijke erfafscheiding” vormen. Daarnaast heeft [gedaagde] sindsdien de strook grond ingericht en onderhouden als één tuin. Dit deed [gedaagde] onder meer door structureel bloemen, bomen en struiken te planten en deze – zo nodig – te vervangen. Dit maakt dat zij zich de feitelijke macht over de strook grond heeft verschaft, aldus steeds [gedaagde] . 4.7. Ter onderbouwing van haar standpunten wijst [gedaagde] op diverse foto’s van (bomen en struiken geplaatst
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.