RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-346658-24 Datum uitspraak: 15 mei 2025 UITSPRAAK op de vordering van 7 maart 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 31 oktober 2024 door de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, Afdeling Antwerpen, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 2003, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 1 mei 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. H.G. Koopman, advocaat in Amsterdam. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel bij verstek uitgevaardigd door de onderzoeksrechter bij de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, afdeling Antwerpen, met dossiernummer 2023/161 OR G. Franssens. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Belgisch recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. 4Strafbaarheid; feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer - kort gezegd - voldaan is aan het vereiste dat op het feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op: opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is; opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen; het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. 5De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn belangen in Nederland gevestigd. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan. De procureur des Konings bij het Parket van de procureur des Konings, Antwerpen, afdeling Turnhout, heeft op 18 april 2025 de volgende garantie gegeven: “Overeenkomstig artikel 5 §3 van het kaderbesluit van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel, bied ik u de garantie voor de terugkeer naar Nederland van de door u over te leveren Nederlandse onderdaan of ingezetene, in casu [opgeëiste persoon] . Deze garantie houdt in dat, eens betrokkene in België onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel is veroordeeld, deze persoon naar Nederland zal terugkeren om zijn straf of maatregel aldaar te ondergaan. De terugkeer zal gebeuren op basis van het Europees Kaderbesluit inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op de vrijheidsbenemende straffen of maatregelen uitgesproken in een lidstaat van de Europese Unie (2008/909/JBZ).” Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende. 6Artikel 11 OLW 6.1 Aanwezigheidsrecht Standpunt van de raadsman De raadsman heeft ter zitting aangevoerd dat de opgeëiste persoon gedurende de schorsing van de overleveringsdetentie een brief van de rechtbank Antwerpen heeft ontvangen betreffende een zitting op 12 maart 2025. Voorafgaand aan die zitting bij de raadkamer van de rechtbank Antwerpen heeft de opgeëiste persoon verzocht om juridische bijstand, maar er is geen advocaat toegevoegd om de opgeëiste persoon aldaar te vertegenwoordigen. Gezien de schorsingsvoorwaarden, op grond waarvan hij Nederland niet mocht verlaten, heeft de opgeëiste persoon geen gebruik kunnen maken van zijn aanwezigheidsrecht op de zitting van 12 maart 2025 bij de rechtbank Antwerpen. De raadsman stelt zich op het standpunt dat geen sprake kan zijn van het recht op een eerlijk proces, nu uit de beschikking van de raadkamer van de rechtbank Antwerpen blijkt dat de zaak is doorverwezen naar de correctionele rechtbank. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft hiertegen aangevoerd dat de doorverwijzing naar de correctionele rechtbank van 12 maart 2025 niet leidt tot een schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon. De zitting van 12 maart 2025 had alleen betrekking op de vraag naar welk forum de zaak wordt verwezen. Oordeel van de rechtbank De rechtbank begrijpt het verweer van de raadsman aldus dat hij heeft willen aanvoeren dat de opgeëiste persoon in België geen eerlijk proces krijgt omdat hij daar niet bij de zitting in raadkamer aanwezig was dan wel kon zijn, toen werd besloten door welke rechterlijke instantie in België zijn strafzaak zal worden behandeld. De rechtbank moet daarom eerst nagaan of verdachten, die in België niet aanwezig (kunnen) zijn bij een zitting in raadkamer waar wordt beslist voor welk gerecht hun strafzaak zal worden behandeld, een algemeen reëel gevaar lopen dat zij geen eerlijk proces krijgen. De raadsman heeft geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens verstrekt die deze stelling onderbouwen. Evenmin is de rechtbank ambtshalve bekend met dergelijke gegevens. Nu de rechtbank een dergelijk gevaar niet kan vaststellen, slaagt het verweer alleen al daarom niet. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat blijkens de door de raadsman overgelegde brief op 12 maart 2025 geen (begin van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.