RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AWB 24/4263 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 mei 2025 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. D.R. de Vries) en de heffingsambtenaar van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht, verweerder, hierna: de heffingsambtenaar (gemachtigde: mr. A.J. van Griethuijsen). Procesverloop Met het besluit van 29 februari 2024 (het primaire besluit) heeft de heffingsambtenaar aan eiser een aanslag waterschapsbelasting 2023 opgelegd van in totaal € 323,
- Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. In de uitspraak op bezwaar van 7 mei 2024 (het bestreden besluit) heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is behandeld op de zitting van 23 april
- Partijen zijn, met bericht, niet verschenen. Overwegingen Wat aan deze procedure voorafging
- De aanslag is opgelegd voor het object [adres] in [woonplaats] (hierna: het adres). De aanslag voor het belastingjaar 2023 betreft een watersysteemheffing ingezetenen ten bedrage van € 136,48 gebaseerd op één huishouden en een zuiveringsheffing woonruimten ten bedrage van € 187,11 gebaseerd op drie vervuilingseenheden.
- Met het bestreden besluit heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar meent dat de aanslag naar het juiste bedrag is opgelegd. De watersysteemheffing ingezetenen is een tijdstipbelasting, waarbij wordt gekeken naar de situatie op 1 januari van het betrokken belastingjaar. Volgens de heffingsambtenaar staat vast dat eiser op 1 januari 2023 met een adres in het verzorgingsgebied stond ingeschreven in de BRP, waardoor het vaste bedrag per woonruimte van de watersysteemheffing ingezetenen terecht is opgelegd. Aangezien op het adres in 2023 meer dan één persoon stond ingeschreven volgens de BRP (op 1 januari 2023 stonden twee personen ingeschreven en vanaf 30 juli 2023 stonden drie personen ingeschreven op het adres), is terecht uitgegaan van de reguliere heffingsgrondslag van drie vervuilingseenheden. Het oordeel van de rechtbank
- Eiser voert aan dat de hoorplicht is geschonden. Eiser heeft geen uitnodiging voor een hoorzitting ontvangen, terwijl hij wel in het bezwaarschrift heeft verzocht om te worden gehoord. De heffingsambtenaar geeft aan dat de gemachtigde van eiser op 29 april 2024 om 11:00 uur is uitgenodigd ten kantore van Waternet. De uitnodiging voor de hoorzitting is naar het adres van de gemachtigde gestuurd en niet onbestelbaar retour gekomen. Er moet dan ook van uit worden gegaan dat de uitnodiging de gemachtigde heeft bereikt. Omdat er niemand is verschenen, is de heffingsambtenaar ervan uitgegaan dat er geen behoefte meer bestond aan een hoorzitting. In overeenstemming met het standpunt van de heffingsambtenaar gaat de rechtbank ervan uit dat de uitnodiging voor de hoorzitting de gemachtigde heeft bereikt. Bovendien heeft eiser voldoende gelegenheid gehad om zijn standpunt naar voren te brengen. Naar het oordeel van de rechtbank is de hoorplicht niet geschonden.
- Eiser voert verder aan dat de aanslag en de uitspraak op bezwaar onbevoegd zijn genomen, nu het aanslagbiljet geen naam en handtekening bevat. De heffingsambtenaar legt uit dat een besluit door hem als heffingsambtenaar van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht wordt genomen. Dat staat ook op de aanslag. De heffingsambtenaar is een zelfstandig bestuursorgaan en geen persoon. De heffingsambtenaar meent dat het ontbreken van een naam en/of natte handtekening niet maakt dat de aanslag onbevoegd is genomen. Het moet eiser door de ondertekening als heffingsambtenaar duidelijk zijn dat de heffingsambtenaar het besluit heeft genomen. De rechtbank volgt dit standpunt van de heffingsambtenaar en oordeelt dat de aanslag en de uitspraak op bezwaar bevoegd zijn genomen.
- Daarnaast stelt eiser dat zijn adres niet binnen het beheersgebied van het waterschap is gelegen, waardoor geen aanslag kan worden opgelegd door het waterschap. De heffingsambtenaar verwijst naar het Reglement van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (hierna: het Reglement), waar met gebruikmaking van een kaart het verzorgingsgebied van het waterschap is vastgelegd. De heffingsambtenaar merkt op dat zelfs als de begrenzing van het verzorgingsgebied door de grootte van de kaart onduidelijk zou zijn, die onduidelijkheid zich hooguit op de uiterste randen van het gebied voordoet. Het adres valt echter ruimschoots binnen de belijning van het verzorgingsgebied. Er kan daarom geen twijfel bestaan over de vraag of het adres in het verzorgingsgebied valt. De rechtbank stelt vast, na het raadplegen van de kaart in het Reglement, dat het belastbaar feit binnen het beheersgebied van het waterschap is gelegen. De beroepsgrond slaagt niet.
- Eiser voert verder aan dat de Verordening watersysteemheffing Amstel, Gooi en Vecht 2023 en de Verordening zuiveringsheffing Amstel, Gooi en Vecht 2023 (hierna: de Verordeningen) op 9 december 2023 zijn ingetrokken, zodat op basis van deze verordeningen nadien geen aanslagen meer konden worden opgelegd. De rechtbank stelt vast dat de Verordeningen zijn ingetrokken met ingang van 1 januari 2024, met dien verstande dat zij van toepassing blijven op de belastbare feiten die zich in 2023 hebben voorgedaan. De beroepsgrond slaagt niet.
- Voor zover eiser heeft aangevoerd dat de watersysteemheffing ingezetenen geschiedt per woonruimte en dat dat in strijd is met verdragen en rechtsbeginselen, overweegt de rechtbank als volgt. De heffingsambtenaar heeft aangegeven dat de watersysteemheffing ingezetenen wordt geheven conform de bepalingen van de Waterschapswet en de geldende belastingverordening, nader ingevuld door het bestuur van het waterschap binnen de aan dit bestuur gegeven autonome bevoegdheden. In artikel 121 van de Waterschapswet wordt bepaald dat de watersysteemheffing ingezetenen wordt geheven per woonruimte naar een vast bedrag per woonruimte. De rechtbank oordeelt dan ook dat er geen strijd is met de door eiser genoemde verdragen en rechtsbeginselen. De beroepsgrond slaagt niet.
- De overige aangevoerde beroepsgronden kunnen ook niet slagen. Conclusie
- Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de heffingsambtenaar de aanslag terecht heeft opgelegd. Het beroep is daarom ongegrond.
- Voor een proceskostenvergoeding of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, rechter, in aanwezigheid van mr. H.M. Dost, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 mei
- griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.