vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummers: 13/406841-24 (zaak A) en 13/339271-24 (zaak B) (ter terechtzitting gevoegd) Datum uitspraak: 11 april 2025 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1992 te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ), zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, thans gedetineerd in [detentieplaats] . 1Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 maart
- Verdachte was daarbij aanwezig, evenals zijn raadsvrouw, mr. J. Mens. De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna respectievelijk als zaak A en zaak B aangeduid. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.S. Bond, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw naar voren hebben gebracht. Daarnaast heeft de rechtbank ter terechtzitting [naam] (reclasseringswerker bij GGZ Reclassering Inforsa) op de zitting als deskundige gehoord. 2Tenlastelegging Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan: zaak A: feit 1: opzet- dan wel schuldaanranding van een onbekend gebleven vrouw op 25 december 2024 te Amsterdam; feit 2: diefstal bij [naam winkel] op 25 december 2024 te Amsterdam; zaak B: overtreding van een 24-uurs verwijderingsbevel op 24 oktober 2024 te Amsterdam. De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 3Waardering van het bewijs 3.1 Het standpunt van het openbaar ministerie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten bewezenverklaard kunnen worden. De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de onder zaak A ten laste gelegde feiten gebaseerd op het proces-verbaal van bevindingen waarin de verbalisanten de ten laste gelegde handelingen waarnemen en de verklaring van [getuige] . De officier van justitie vindt dat zaak B bewezenverklaard kan worden op grond van onder andere de bekennende verklaring van verdachte. Volgens de officier van justitie berust de in het proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2024254802-5 vermelde datum op een verschrijving. Uit het dossier blijkt immers voldoende dat verdachte op 24 oktober 2024 is aangehouden in het overlastgebied. 3.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van zaak A gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsvrouw heeft wat betreft zaak B vrijspraak bepleit, wegens onvoldoende bewijs. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat het verwijderingsbevel niet in het dossier is opgenomen, waardoor niet gecontroleerd kan worden of aan de formaliteiten is voldaan. 3.3 Het oordeel van de rechtbank 3.3.1 Ten aanzien van het onder zaak A, feit 1 ten laste gelegde (opzet- dan wel schuldaanranding) Op 25 december 2024 zagen verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] dat verdachte op de Leidestraat te Amsterdam naast een vrouw stond. Zij zagen dat verdachte de vrouw met zijn linkerhand vastpakte en zijn hand op de rug en heup van de vrouw legde. De vrouw bewoog in tegengestelde richting van verdachte, duwde zijn hand meermaals weg en liep vervolgens van hem weg. Vervolgens zag verbalisant [verbalisant 3] dat verdachte zijn hoofd naar het hoofd van de vrouw bracht, hetgeen hij heeft geverbaliseerd als een kennelijke poging om de vrouw te zoenen. Hierna trok de vrouw haar hoofd weg en liep een Starbucks in, terwijl verdachte achter haar aan liep. Tegenover verbalisant [verbalisant 1] heeft de (onbekend gebleven) vrouw verklaard dat zij verdachte niet kende en dat hij erg vervelend was. Zij verklaarde dat verdachte haar telefoonnummer wilde en met haar mee naar huis wilde gaan. Nadat zij tegen verdachte had gezegd dat zij dat niet wilde, probeerde hij haar te zoenen. Ten slotte verklaarde de vrouw dat verdachte haar meerdere keren heeft aangeraakt. Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting verklaard dat zich niets kan herinneren van het incident omdat hij alcohol had gedronken. De ten laste gelegde handelingen Op basis van het proces-verbaal van bevindingen is de rechtbank van oordeel dat er voldoende bewijs voor de ten laste gelegde handelingen is. Verdachte stond naast de vrouw en legde zijn hand op haar rug en heup, waarna hij zijn hoofd richting haar hoofd bracht in een kennelijke poging de vrouw te zoenen. Op basis van deze handelingen, in combinatie met de omstandigheid dat de vrouw heeft verklaard dat verdachte met haar mee naar huis wilde gaan, is de rechtbank van oordeel dat de handelingen van verdachte een seksuele strekking hadden. Opzetaanranding De vrouw heeft verdachte direct duidelijk gemaakt dat zij niet gediend was van zijn wens om met haar mee naar huis te gaan door te zeggen dat zij dat niet wilde. Desondanks legde hij zijn hand op haar rug en heup. Als reactie op deze handelingen heeft zij zijn hand meermaals weggeduwd en is bij hem weggelopen. Hoewel zij aan hem kenbaar maakte dat zij geen fysiek contact wenste, heeft hij haar toch aangeraakt. Uit het voorgaande blijkt niet alleen dat de wil van de vrouw ten aanzien van het seksuele contact ontbrak, maar ook dat verdachte wist dat haar wil hiertoe ontbrak. Uit het voorgaande blijkt het opzet van de verdachte zodat de rechtbank de opzetaanranding bewezen acht. Partiële vrijspraak De rechtbank zal verdachte partieel vrijspreken van de handeling dat hij de vrouw heeft geprobeerd te zoenen door zijn hoofd richting haar hoofd te brengen. Uit de bewijsmiddelen blijkt immers niet dat hij de vrouw daadwerkelijk heeft gezoend. Er is daarom ten aanzien van deze handeling geen sprake van een voltooide aanranding. 3.3.2 Ten aanzien van het onder zaak A, feit 2 ten laste gelegde (diefstal) Op 25 december 2024 zien verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 3] dat verdachte bij [naam winkel] , gevestigd aan [adres] te Amsterdam, drie cakejes pakte en naar buiten liep. Op grond van dit proces-verbaal van bevindingen en de verklaring van [getuige] acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van meerdere spacecakejes bij [naam winkel] . 3.3.3 Ten aanzien van het onder zaak B ten laste gelegde (24-uurs gebiedsverbod) De rechtbank merkt op dat in het proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2024254802-5 staat dat verdachte op 25 oktober 2024 om 23.30 uur is aangehouden op het Stationsplein te Amsterdam. Uit het proces-verbaal van aanhouding en het proces-verbaal van voorgeleiding blijkt echter dat verdachte op 24 oktober 2024 is aangehouden. Bovendien is verdachte op 25 oktober 2024 om 09.20 uur gehoord over het ten laste gelegde feit. De rechtbank stelt op basis van het voorgaande vast dat sprake is van een kennelijke verschrijving in het proces-verbaal van bevindingen en dat er vanuit kan worden gegaan dat verdachte op 24 oktober 2024 om 23.30 uur is aangehouden. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw. Hoewel het 24-uurs verwijderingsbevel zich niet in het dossier bevindt, kan de inhoud van het bevel – dat de politie zelf namens de burgemeester mag geven - op basis van het proces-verbaal van uitreiking worden vastgesteld. Daaruit blijkt immers dat het bevel mondeling aan verdachte is medegedeeld en dat het bevel, samen met de waarschuwingskaart, aan verdachte is uitgereikt. Bovendien blijkt uit het proces-verbaal dat verdachte heeft verklaard de strekking van het bevel te begrijpen. Het 24-uurs verwijderingsbevel is op 24 oktober 2024 om 15.00 uur aan verdachte uitgereikt op het Koningsplein 1 te Amsterdam. Verdachte werd vervolgens op dezelfde dag om 23.30 uur aangehouden op het Stationsplein te Amsterdam. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat het kan dat hij zich in het overlastgebied bevond terwijl hij daar niet mocht zijn en dat hij zich niet aan het verwijderingsbevel heeft gehouden omdat hij dronken was. De rechtbank acht bewezen dat verdachte opzettelijk het 24-uurs verwijderingsbevel heeft overtreden. 4Bewezenverklaring De rechtbank acht bewezen dat verdachte: ten aanzien van zaak A, feit 1: op 25 december 2024 te Amsterdam met een onbekend gebleven vrouw seksuele handelingen heeft verricht, door - die voornoemde vrouw met zijn hand vast te pakken en - zijn hand op de rug en de heup van voornoemde vrouw te leggen terwijl hij, verdachte, wist dat bij die onbekend gebleven vrouw daartoe de wil ontbrak; ten aanzien van zaak A, feit 2: op 25 december 2024 te Amsterdam spacecakejes, die aan [naam winkel] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen; ten aanzien van zaak B: op 24 oktober 2024 te Amsterdam opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens enig wettelijk voorschrift, te weten artikel 172 en/of 177 van de Gemeentewet en/of 2.9 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008, in elk geval krachtens wettelijk voorschrift, namens de burgemeester van Amsterdam (zijnde eenambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast) gegeven bevel, inhoudende om zich uit het overlastgebied 1 Centrum en ondergrondse metrostations te verwijderen en zich daar gedurende 24 uur niet meer te bevinden. De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Die bewijsmiddelen zijn opgesomd in bijlage II bij dit vonnis. 5De strafbaarheid van de feiten De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 6De strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 7Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders 7.1 De eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van twee jaren. Er is volgens de officier van justitie geen alternatief voorhanden, omdat verdachtes verblijfsrecht is ingetrokken. De maatregel is bovendien nodig om ervoor te zorgen dat verdachte begeleiding krijgt bij zijn terugkeer naar [land van herkomst] en de juiste behandeling krijgt zodat hij niet weer recidiveert. 7.2 Strafmaatverweer van de verdediging De raadsvrouw heeft primair verzocht om geen ISD-maatregel op te leggen, omdat niet wordt voldaan aan de zachte criteria. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om aan verdachte een voorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen voor de duur van één jaar, zodat hij zelfstandig (met hulp van AMOC) kan terugkeren naar [land van herkomst] . 7.3 Oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Aard en ernst van de feiten Verdachte heeft zich binnen een korte periode schuldig gemaakt aan drie strafbare feiten. Op 24 oktober 2024 schuldig gemaakt aan het niet voldoen aan een 24-uursgebiedsverbod. Door het negeren van dit verbod heeft verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor het openbaar gezag. Op 25 december 2025 heeft hij zich eerst schuldig gemaakt aan een opzetaanranding van een onbekend gebleven vrouw. Verdachte heeft haar ongevraagd aangeraakt op een respectloze en seksueel geladen manier, terwijl hij wist dat zij dat niet wilde. Hij heeft daarmee geen respect getoond voor haar afwijzing en zich laten leiden door zijn eigen behoeftes. Op dezelfde dag heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal. Winkeldiefstal levert overlast op voor de winkels en daarnaast ervaart het winkelpersoneel veel ongemakken door winkeldiefstal. Strafblad De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 4 maart
- Hieruit blijkt dat verdachte in het verleden vaker onherroepelijk is veroordeeld. De rechtbank weegt dit in strafverzwarende zin mee. Reclasseringsadvies De rechtbank heeft kennisgenomen van het advies van GGZ Reclassering Inforsa van 20 maart 2025, opgemaakt door [naam] . Hieruit blijkt het volgende. Bij verdachte is sprake van middelenproblematiek en van instabiliteit op alle leefgebieden. Het ontbreekt verdachte aan probleembesef, hij bagatelliseert zijn middelengebruik en geeft geen openheid van zaken. Verdachte vertoont onder invloed van middelen onberekenbaar en seksueel overschrijdend gedrag, waar hij later van zegt zich niets te herinneren. De reclassering schat het risico op recidive in als hoog en het risico op letselschade als gemiddeld tot hoog. Het voorgaande, tezamen met de omstandigheid dat het verblijfsrecht van verdachte in december 2024 is ingetrokken, maakt dat de reclassering geen mogelijkheden meer ziet om verdachte binnen een drangkader te begeleiden. De reclassering ziet geen andere mogelijkheid dan oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel te adviseren. Verdachte voldoet aan zowel de harde als de zachte ISD-criteria. Interventies gericht op repatriëring bieden de meest reële kans op het terugdringen van recidive en bieden verdachte het meest reële toekomstperspectief. De deskundige [naam] , reclasseringswerker bij GGZ Reclassering Inforsa te Amsterdam, heeft voornoemd advies op de terechtzitting bevestigd en daar waar nodig aangevuld. Zij heeft benadrukt dat als de ISD-maatregel wordt opgelegd, de nadruk komt te liggen op ondersteuning bij repatriëring naar [land van herkomst] . Gelet op het hoge recidiverisico van verdachte, het ontbreken van probleembesef en de omstandigheid dat hij eerder strafbare feiten heeft gepleegd onder invloed van alcohol, is de deskundige van oordeel dat verdachte niet zelfstandig terug kan keren naar [land van herkomst] . De deskundige acht het geïndiceerd dat verdachte een behandeling krijgt die gericht is op zijn middelenproblematiek en binnen de ISD-maatregel kan verdachte gebruik maken van het intramurale zorgaanbod. De rechtbank neemt de bevindingen en conclusies van de reclassering over en maakt die tot de hare. De op te leggen maatregel De ISD-maatregel heeft als doel de maatschappij te beveiligen en recidive te beëindigen. De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de bewezen geachte feiten in zaak A aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Verdachte heeft zich immers schuldig gemaakt aan misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Daarnaast is hij gedurende de vijf jaren voorafgaand aan de door hem begane misdrijven ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, terwijl de in dit vonnis bewezen verklaarde feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen. Verdachte voldoet hierdoor aan de harde criteria voor de ISD-maatregel. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verdachte ook aan de zachte ISD-criteria voldoet. Die houden in dat er geen reëel alternatief voor de oplegging van de ISD-maatregel bestaat. De rechtbank overweegt op basis van het hiervoor genoemde rapport en de daarop ter terechtzitting gegeven toelichting door de deskundige dat er geen reële alternatieven voorhanden zijn om het recidiverisico in te perken en om de middelenproblematiek van verdachte te behandelen. Bovendien is een minder dwingend kader niet uitvoerbaar, omdat verdachte zijn verblijfsrecht is ingetrokken en daarom geen aanspraak kan maken op sociale voorzieningen. De ISD-maatregel zal om die reden gericht zijn op repatriëring naar [land van herkomst] . Daarnaast moet er op basis van het reclasseringsadvies ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan. Verder eist de veiligheid van personen of goederen oplegging van deze maatregel, gelet op de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten. De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding om de ISD-maatregel op te leggen. De rechtbank ziet geen heil in het voorstel van de raadsvrouw om de ISD-maatregel in voorwaardelijke vorm op te leggen omdat het risico op recidive in die situatie onvoldoende wordt beperkt. Daarnaast acht de rechtbank het noodzakelijk dat er een behandeling gericht op het middelengebruik plaatsvindt, aangezien verdachte al langere tijd met deze problematiek kampt, geen probleembesef heeft en vaker strafbare feiten onder invloed van alcohol pleegt. Bovendien heeft de reclassering in het rapport en ter terechtzitting voldoende onderbouwd waarom er geen alternatieven voor een onvoorwaardelijke ISD-maatregel mogelijk zijn. Om de beëindiging van de recidive van verdachte en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven en voorts ter optimale bescherming van de maatschappij, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de (maximale) termijn van twee jaren opleggen en de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel. Ten aanzien van het bewezen verklaarde feit in zaak B kan de ISD-maatregel niet worden opgelegd. De rechtbank zal verdachte hiervoor schuldig verklaren zonder oplegging van straf. 8De toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 9a, 38m, 38n, 57, 63, 184, 241 en 310 Sr. 9Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezenverklaarde levert op: ten aanzien van zaak A, feit 1: opzetaanranding; ten aanzien van zaak A, feit 2: diefstal; ten aanzien van zaak B: opzettelijk niet voldoen aan een bevel of een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast. Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar. Legt terzake de bewezenverklaarde feiten in zaak A op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee
(2)jaren. Verklaart verdachte schuldig zonder oplegging van straf voor zaak B. Dit vonnis is gewezen door: mr. G. Oldekamp, voorzitter, mrs. H.E. Hoogendijk en G. Demmink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.K. Raspoort, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 april 2025. [..] [..] [..] [..] [..]