RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-061116-25 Datum uitspraak: 27 mei 2025 TUSSEN-UITSPRAAK op de vordering van 21 maart 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 17 februari 2020 door the Republic of Croatia, County Court in Zagreb, prison sentence execution centre, Kroatië (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1973, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP adres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 24 april 2024, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. R. Zilver, advocaat te Utrecht. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de einduitspraak. Het onderzoek is aangehouden tot de zitting van 13 mei 2025 omdat een terugkeergarantie ontbrak en om de officier van justitie navraag te laten doen in welke detentie-instelling de opgeëiste persoon na overlevering hoogstwaarschijnlijk zal worden gedetineerd. De behandeling is – met toestemming van partijen – in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 13 mei 2025, in aanwezigheid van mr. M. al Mansouri, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. R. Zilver, advocaat te Utrecht. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd omdat zij onderzoek doet naar een reëel gevaar van schending van de grondrechten van de opgeëiste persoon, als bedoeld in artikel 11, eerste lid, OLW, onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een judgment of the Municipal Criminal Court in Zagreb, No. K-1985/16 van 8 februari 2019. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. 3.1 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan. Op grond van artikel 12, sub d, OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering niet weigeren, als de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat (
- i)het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en (
- ii)de opgeëiste persoon wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel. Het EAB vermeldt in het EAB in onderdeel d): 3.4. the person was not personally served with the decision, but x the person will be personally served with this decision without delay after the surrender; and x when served with the decision, the person will be expressly informed of his or her right to a retrial or appeal, in which he or she has the right to participate and which allows the merits of the case, including fresh evidence, to be re-examined, and which may lead to the original decision being reversed; and x the person will be informed of the timeframe within Which he or she has to request a retrial or appeal, which will be 1 YEAR. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet deze verklaring aan de eisen van artikel 12, sub d, OLW en doet de in dit artikel bedoelde weigeringsgrond zich niet voor. Dit betekent dat de veroordeling niet onherroepelijk is zodat ook de weigeringsgrond van artikel 6a, eerste lid, OLW zich niet voordoet. Voor de toepassing van artikel 6, eerste lid, OLW moet het EAB worden verstaan als strekkende tot (verdere) vervolging (zie hierna onder 5.). 4Strafbaarheid, feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten: illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. Anders dan waarvan tijdens de zitting van 24 april 2025 werd uitgegaan, volgt uit het EAB – onderdeel
- e)– dat op de feiten waarvoor het lijstfeit is aangekruist naar het recht van Kroatië een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 5De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn belangen in Nederland gevestigd. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan. De Senior Judicial Advisor heeft namens de Zagreb County Court op 12 mei 2025 de volgende garantie gegeven: We can guarantee that if [opgeëiste persoon] is sentenced to an unconditional and irrevocable prison sentence in Croatia (in case he demands a retrial and the retrial is granted), he will be allowed to carry out his punishment in the Netherlands. Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende. 6Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden In een uitspraak van 27 december 2023 heeft de rechtbank geoordeeld dat voor gedetineerden in the Zagreb Remand Prison een algemeen reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling. Zoals op de zitting van 24 april 2025 door de officier van justitie is benoemd, is in deze zaak sprake van een executie-EAB, maar de veroordeling is nog niet onherroepelijk en de opgeëiste persoon heeft verklaard dat hij gebruik wil maken van de verzetgarantie. Daarom is nagevraagd in welke detentie-instelling de opgeëiste persoon in Kroatië zal worden gedetineerd en of kan worden uitgesloten dat hij in the Zagreb Remand Prison terecht zal komen. Namens de uitvaardigende justitiële autoriteit is hier op 12 mei 2025 het volgende op geantwoord: Should his surrender be authorized, we do not know in which prison he will most likely be detained. We cannot guarantee that [opgeëiste persoon] will not be incarcerated in Zagreb Remand Prison. De raadsman heeft betoogd dat de overlevering niet kan worden toegestaan omdat deze garantie niet toereikend is. Bovendien moeten zwaardere eisen worden gesteld aan de detentiegarantie gelet op de medische situatie van de opgeëiste persoon, zoals benoemd op de zitting van 24 april 2025. Subsidiair moet de zaak nogmaals worden aangehouden om nadere garanties op te vragen. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de detentiegarantie niet voldoet, omdat niet gegarandeerd is dat de opgeëiste persoon niet in the Zagreb Remand Prison terecht zal komen. De officier van justitie heeft verzocht de zaak nog eenmaal aan te houden. Oordeel van de rechtbank Nu onduidelijk is waar de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd en ook niet is uitgesloten dat dit in the Zagreb Remand Prison zal zijn, bestaat er voor de opgeëiste persoon een reëel gevaar dat hij in detentie in Kroatië onmenselijk of vernederend zal worden behandeld zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De door de verdediging benoemde medische situatie van de opgeëiste persoon speelt hierbij geen rol. Nu een individueel gevaar wordt aangenomen, dient de rechtbank de beslissing aan te houden op grond van artikel 11, tweede lid, OLW, tenzij evident is dat het gevaar niet binnen een redelijke termijn zal worden weggenomen als gevolg van een wijziging in de omstandigheden. De rechtbank acht het niet ondenkbaar dat aanvullende informatie met betrekking tot de detentieplaats van de opgeëiste persoon mogelijk een dergelijke wijziging kan opleveren. Daarom houdt de rechtbank de beslissing over de overlevering aan op grond van artikel 11, tweede lid, OLW. Ingevolge artikel 11, derde lid, OLW wordt de uitvaardigende justitiële autoriteit daarvan onder opgave van redenen van de aanhouding in kennis gesteld door de officier van justitie. Gedurende de aanhouding zal de rechtbank nagaan of er een wijziging in de omstandigheden plaatsvindt. De rechtbank stelt de in artikel 11, vierde lid, OLW bedoelde redelijke termijn in deze zaak vast op dertig dagen. De voortzetting van de zaak zal worden ingepland aan het einde van deze termijn (25 juni 2025) dan wel uiterlijk tien dagen na die datum, zodat nagegaan kan worden of binnen die redelijke termijn een wijziging van de omstandigheden is opgetreden. Wanneer dit niet het geval is, zal ingevolge artikel 11, eerste lid, OLW geen gevolg worden gegeven aan het EAB. 7Beslissing HEROPENT en SCHORST het onderzoek en bepaalt dat de zaak opnieuw wordt ingepland uiterlijk tien dagen na 25 juni 2025. HOUDT AAN de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW. VERLENGT op grond van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen, omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen, onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW. BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon en zijn raadsman tegen een nader te bepalen datum en tijdstip. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Glerum, voorzitter, mrs. H.H.J. Zevenhuijzen en E. Biçer, rechters, in tegenwoordigheid van mrs. F.K. Verbruggen en A.T.P. van Munster, griffiers, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 27 mei 2025. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie artikel 22, eerste, derde, vierde en vijfde lid OLW. Zie onderdeel
- e)van het EAB. Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. (Mandat d’arrêt européen à l’encontre d’un ressortissant d’un État tiers), ECLI:EU:C:2023:444, punt 64. ECLI:NL:RBAMS:2023:8493.