RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13.080.440-25 Datum uitspraak: 27 mei 2025 UITSPRAAK op de vordering van 17 maart 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 6 februari 2025 door the Circuit Court in Katowice, V Penal Division in Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1989, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in de [penitentiaire inrichting] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 13 mei 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M. de Klerk, advocaat te Haarlem en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding van de opgeëiste persoon bevolen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een enforceable judgement of the Katowice-Zachód District Court in Katowice of 19th february 2010 (reference VIII K 296/10). Het vonnis in eerste aanleg is in stand gebleven in het arrest van the judgment of the Regional Court in Katowice of 6th july 2010 (reference VI Ka 267/10). De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Deze straf is in eerste instantie voorwaardelijk opgelegd. Bij beslissing van 25 november 2015 van the Katowice-Zachód District Court in Katowice is echter de tenuitvoerlegging van deze straf bevolen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. 4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW De raadsman heeft geen verweer gevoerd ter zake van deze weigeringsgrond. De officier van justitie heeft zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat artikel 12 OLW niet aan overlevering in de weg staat. De rechtbank overweegt als volgt. Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. Op basis van hetgeen de uitvaardigende justitiële autoriteit in de aanvullende informatie heeft meegedeeld, is de rechtbank van oordeel dat de procedure in hoger beroep onder de reikwijdte van artikel 12 OLW valt. De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met d, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan. Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang. Uit het EAB en de aanvullende informatie van 12 mei 2025 blijkt dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het feit dat een strafrechtelijke procedure jegens hem aanhangig was en waarvan hij werd verdacht. Hij is immers in eerste aanleg in persoon ter terechtzitting verschenen. Uit de aanvullende informatie blijkt verder dat aan de opgeëiste persoon een adresinstructie is verstrekt, gedurende het vooronderzoek, die hij in persoon heeft ontvangen want hij heeft voor ontvangst van de instructie getekend. In de adresinstructie is de opgeëiste persoon op de hoogte gesteld van de op hem rustende verplichting om een adres op te geven waarop hij bereikbaar was voor de Poolse justitiële autoriteiten, alsmede dat hij iedere adreswijziging moest doorgeven. Tevens bleek uit de instructie dat deze verplichtingen gedurende de gehele strafrechtelijke procedure golden. De Poolse officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld en de oproeping voor de zitting in hoger beroep is op 10 juni 2010 betekend aan het door de opgeëiste persoon opgegeven adres en aldaar in ontvangst genomen door zijn moeder. Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat hij niet meer weet of hij voor de terechtzitting in hoger beroep is opgeroepen. Naar het oordeel van de rechtbank kan gelet op het vorenstaande worden vastgesteld dat de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon impliceert, omdat hij, zo hij al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces in hoger beroep, minst genomen kennelijk onzorgvuldig is geweest met betrekking tot de ontvangst van officiële correspondentie betreffende de strafrechtelijke procedure. Artikel 12 OLW staat daarom niet aan overlevering in de weg. Tevens overweegt de rechtbank het volgende. De vrijheidsstraf is aanvankelijk in voorwaardelijke vorm aan de opgeëiste persoon opgelegd. Bij beslissing van the Katowice-Zachód District Court in Katowice van 25 november 2015 is de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke vrijheidsstraf bevolen. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 maart 2023 volgt dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit die ten grondslag ligt aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf ook onderworpen dient te worden aan de toets van artikel 12 OLW. In de aanvullende informatie van 14 april 2025 is het volgende meegedeeld door de uitvaardigende justitiële autoriteit: (…) The District Court of Katowice-Zachód in Katowice, by its decision of 25.11.2015, file reference X Ko 2817/15, ordered [de opgeëiste persoon] to serve the sentence of 1 year of imprisonment imposed by the judgment of the District Court of Katowice-Zachód in Katowice of 19.02.2010, file reference Act VIII K 296/10, at the request of the probation officer – the convicted person did not perform the duties related to the probation – did not contact the probation officer, changed his place of residence without informing the authorities, did not take up legal employment, abused alcohol; (…) Er is aldus geen sprake van een veroordeling wegens een nieuw strafbaar feit die aan de beslissing tot tenuitvoerlegging ten grondslag ligt. De beslissing tot tenuitvoerlegging van 25 november 2015 zelf is geen beslissing waarbij de aard of de maat van de aanvankelijk opgelegde straf is gewijzigd. Deze beslissing valt daarom niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW. Dit betekent dat de rechtbank geen andere beslissing aan artikel 12 OLW hoeft te toetsen dan de veroordeling waarbij de voorwaardelijke straf is opgelegd. 5Strafbaarheid Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak. 6Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 7Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 en 12 OLW. 8Beslissing STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Circuit Court in Katowice, V Penal Division in Polen voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Glerum, voorzitter, mrs. H.H.J. Zevenhuijzen en E. Biçer, rechters, in tegenwoordigheid van mrs. Y.M.E. Jurgens en F.K. Verbruggen, griffiers, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 27 mei 2025. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32. HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023 (Minister for Justice and Equality (Herroeping van de opschorting)). HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023 (Minister for Justice and Equality (Herroeping van de opschorting)), punt 53.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.