RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 24/2309 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juni 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser ( [gemachtigde eiser] ), en het college van burgemeester en wethouders van Diemen, het college (gemachtigde: [gemachtigde verweerder] en mr. J. Bakker). Samenvatting
- Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de bestuurlijke boete die het college heeft opgelegd wegens het zonder een vergunning onttrekken van een woning aan de woonruimtevoorraad. Eiser is het hier niet mee eens. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college een bestuurlijke boete mocht opleggen aan eiser. 1.
- De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college een bestuurlijke boete mocht opleggen aan eiser. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop
- Op 13 juni 2023 heeft een toezichthouder geconstateerd dat in de woning gelegen op het perceel [adres] in Diemen (de woning) vijf arbeidsmigranten verbleven voor kortdurende periodes afhankelijk van een werkovereenkomst. Deze arbeidsmigranten hebben hun hoofdverblijf in het land van herkomst, vormen geen huishouden en staan niet ingeschreven in de Basisregistratie personen (BRP). De bevindingen zijn neergelegd in de bestuurlijke rapportage van 7 augustus
- 2.
- Volgens het college is de woning onttrokken aan de woonruimtevoorraad zonder onttrekkingsvergunning. Er bestaat een onrechtmatige verhuursituatie. Daarmee bestaat geen zekere duurzaamheid in de bewoning zoals de Huisvestingswet 2014 (Hvw) vereist. Het college merkt eiser aan als overtreder van artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a, van de Hvw omdat het bedrijf van eiser, [naam bedrijf] , de woning verhuurde aan zijn werknemers en de huur betaalde aan de eigenaren van de woning. Het college heeft eiser met het besluit van 24 oktober 2023 een bestuurlijke boete opgelegd van € 17.500,-. Ook de eigenaren van de woning hebben ieder afzonderlijk een bestuurlijke boete opgelegd gekregen. 2.
- Met het bestreden besluit van 29 februari 2024 heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. 2.
- Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.
- De rechtbank heeft het beroep op 13 mei 2025 op zitting behandeld tegelijk met het beroep van eiser met zaaknummer AMS 24/
- In beide zaken wordt afzonderlijk uitspraak gedaan. Aan de zitting hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college. Beoordeling door de rechtbank Kan eiser als overtreder worden aangemerkt?
- Eiser voert aan dat hij niet de eigenaar was of ooit is geweest van de woning. Ook is hij op geen enkele wijze betrokken geweest bij het huren van de woning. Eiser bemiddelde alleen tussen de huurders en verhuurders en wanneer er betalingsproblemen waren ondersteunde eiser slechts met het betalen van de huur. Verder heeft eiser toegelicht dat in zijn bedrijf nog nooit overtredingen zijn geweest. Dit volgt ook uit het rapport van de Nederlandse Arbeidsinspectie van 27 juni
- 3.
- Op grond van artikel 5:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder overtreder verstaan degene die de overtreding pleegt of medepleegt. Alleen degene tot wie een voorschrift zich richt, kan dit voorschrift overtreden. 3.
- De rechtbank overweegt dat in het voorliggende geval sprake is van een overtreding van artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a, van de Hvw. Dit is tussen partijen ook niet in geschil. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) eerder heeft geoordeeld is eenieder verboden om woonruimte zonder vergunning aan de bestemming tot bewoning te onttrekken of onttrokken te houden en dus niet slechts de eigenaar van de woning. Uit de bestuurlijke rapportage van 7 augustus 2023 volgt dat eiser de arbeidsmigranten in de woning huisvestte, daarvoor huur inhield op hun salaris en de duur van het verblijf afhankelijk was van de werkovereenkomst die de arbeidsmigranten met [naam bedrijf] hadden. De rechtbank volgt eiser niet in het betoog dat hij zijn werknemers slechts hielp met bemiddelen omdat hij een goede werkgever is. Tijdens de controle van de toezichthouders hebben twee verblijvende arbeidsmigranten verklaard dat zij in de woning mogen verblijven zolang zij werkzaam zijn bij [naam bedrijf] . Gelet op het voorgaande is het aannemelijk dat eiser over de woning beschikte en daarmee overtreder is van het voorschrift waarvoor de bestuurlijke boete werd opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat nu duidelijk is dat de norm uit artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a, van de Hvw zich niet alleen richt tot de eigenaar, maar tot een eenieder, eiser als overtreder kan worden aangemerkt. De rechtbank komt dan ook niet toe aan de bespreking van functioneel daderschap. 3.
- Op zitting is nog gesproken over het rapport van de Nederlandse Arbeidsinspectie van 27 juni
- In dit rapport heeft de Nederlandse Arbeidsinspectie vastgesteld dat in het onderzoek naar de onderwerpen Arbeidstijdenwet, ‘onderzoek tewerkstelling van vreemdelingen’ en ‘betaling van loon en vakantiebijslag’ geen overtredingen zijn geconstateerd in het bedrijf van eiser. De rechtbank overweegt dat de Nederlandse Arbeidsinspectie niet de taak heeft om te onderzoeken of er overtredingen zijn op grond van de Hvw. De Nederlandse Arbeidsinspectie heeft een andere taak, namelijk toezicht houden op gezonde en veilige werkomstandigheden en een eerlijke betaling. De Nederlandse Arbeidsinspectie heeft in dat kader onderzocht of de inhoudingen op het loon van de werknemers van eiser ook te maken hebben met huurpenningen en niet of er sprake is van een legale huurconstructie. Het rapport van de Nederlandse Arbeidsinspectie werpt dan ook geen ander licht op de zaak. Hoogte van de boete
- Eiser voert aan dat de hoogte van de boete buiten proportie zwaar is. Door de stress en een burn-out is de familie van eiser compleet uiteen gevallen. Hierdoor was eiser genoodzaakt zijn bedrijf te staken en hij heeft zijn bedrijf verkocht. Eiser wil zijn schulden aflossen en hij heeft al betalingsregelingen lopen voor een eerdere bestuurlijke boete uit 2023 die aan eiser is opgelegd. 4.
- Het college kan een lagere boete opleggen als de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgelegde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is. De Afdeling heeft overwogen dat een verminderde verwijtbaarheid, een beperkte ernst van een overtreding en een geringe financiële draagkracht kunnen worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 5:46, derde lid, van de Awb. 4.
- De rechtbank is van oordeel dat er geen aanleiding bestaat om de bestuurlijke boete te matigen. Eiser heeft geen stukken overgelegd die inzicht geven in zijn financiële positie. Eiser stelt zijn bedrijf verkocht te hebben, maar heeft hiervan geen stukken overgelegd. Wel heeft eiser een brief overgelegd waaruit blijkt dat hij zich heeft aangemeld voor de schuldhulpverlening. De rechtbank kan echter uit deze brief niet opmaken hoe eisers financiële positie eruit ziet. Op de zitting heeft eiser verzocht de gelegenheid te krijgen om zijn financiële positie inzichtelijk te maken. De rechtbank ziet hiertoe geen aanleiding omdat eiser op zitting niet concreet heeft kunnen maken wat voor stukken hij wil overleggen om inzicht te geven in zijn financiële positie. Bovendien heeft eiser dit pas laat in de beroepsprocedure verzocht, terwijl het voor eiser al eerder in deze procedure duidelijk moest zijn dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat hij de bestuurlijke boete niet kan betalen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij een te lage financiële draagkracht heeft om de bestuurlijke boete te betalen. Daarnaast is het voor eiser mogelijk om de bestuurlijke boete in termijnen te betalen. Verder is er geen sprake van een verminderde verwijtbaarheid of een beperkte ernst van de overtreding. Van eiser had verwacht mogen worden dat hij zich aan de regels houdt, die het algemene belang van een goede verdeling van de woningvoorraad beschermt. Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, rechter, in aanwezigheid van mr. G. dos Santos 't Hoen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 5 juni
- griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zie de uitspraak van de Afdeling van 23 maart 2022, ECLILNL:RVS:2022:
- Zie de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1654.