Rechtbank Amsterdam – ECLI:NL:RBAMS:2025:3861
RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht kantonrechter: mr. R. Kruisdijk zaaknummer: 11607991 WM VERZ 25-2634 beslissing van: 20 mei 2025 func.: 65208 Beslissing inzake het beroep ingevolge de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (verder: de Wahv) van: [gemachtigde] (Verkeersboete.nl) verder: gemachtigde welk beroep is ingesteld bij verzoekschrift, ingekomen bij de CVOM te Utrecht op 20 maart 2024 en is gericht tegen de beslissing van 27 februari 2024 van de officier van justitie (verder: verweerder) ten aanzien van betrokkene, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002. [betrokkene] [adres] verder: betrokkene CJIB-nummer: [nummer] VERLOOP VAN DE PROCEDURE Aan betrokkene is bij beschikking van 6 juli 2023 (verder: de inleidende beschikking) een sanctie in het kader van de Wahv opgelegd. Betrokkene heeft tegen de inleidende beschikking beroep ingesteld bij verweerder. Deze heeft dat beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene vervolgens beroep ingesteld bij de kantonrechter. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende gegevens overgelegd. Het beroep is behandeld op de openbare zitting van 6 mei 2025. Partijen zijn voor deze zitting opgeroepen.
Betrokkene is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet bij de zitting verschenen. Namens gemachtigde is [naam 1] ter zitting verschenen. Verweerder is verschenen bij [naam 2] .
Ter zitting heeft verweerder gereageerd op de inhoud van het beroepschrift. Verweerder heeft geconcludeerd dat het beroep gegrond is.
GRONDEN VAN DE BESLISSING 1. Aan betrokkene is bij de inleidende beschikking wegens een verkeersgedraging een administratieve sanctie opgelegd ingevolge de Wahv. Betrokkene wordt verweten dat met het motorvoertuig, met kenteken [kenteken] , niet is gestopt voor een rood licht bij een driekleurig verkeerslicht op 27 juni 2023 aan de Hoofdweg te Amsterdam. Hierop is betrokkene staande gehouden.
Artikel 4:87, eerste lid, van de Awb: ‘Betaling geschiedt binnen zes weken nadat de beschikking op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt, tenzij de beschikking een later tijdstip vermeldt.’ Artikel 4:97 van de Awb: ‘De schuldeiser is in verzuim indien hij niet binnen de voorgeschreven termijn heeft betaald.’ Artikel 4:98, eerste lid, van de Awb: ‘Het verzuim heeft de verschuldigdheid van wettelijke rente tot gevolg overeenkomstig de artikelen 119, eerste en tweede lid, en 120, eerste lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.’ Artikel 4:99 van de Awb: ‘Het bestuursorgaan stelt het bedrag van de verschuldigde wettelijke rente bij beschikking vast.’ 13. De kantonrechter overweegt dat wettelijke rente verschuldigd is na zes weken na de beslissing van de officier van justitie om de inleidende beschikking te vernietigen (vlg. arrest hof Arnhem-Leeuwarden met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2021:3149). De officier van justitie had de proceskostenvergoeding uiterlijk zes weken na zijn beslissing van 14 november 2024 moeten betalen. De officier van justitie heeft dit nagelaten en er is dus sprake van verzuim.
BESLISSING De kantonrechter: verklaart het beroep gegrond; veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene, ter hoogte van € 737,70; bepaalt dat de wettelijke rente over de proceskostenvergoeding, in de fase van het administratief beroep, verschuldigd is vanaf zes weken na de brief van 14 november 2024.
De griffier De kantonrechter Datum verzending Bent u het met deze beslissing niet eens, dan kunt u binnen zes weken na de hierboven vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen indien de als gevolg van deze beslissing te betalen administratieve sanctie meer dan € 110,00 bedraagt. Het beroepschrift dient schriftelijk (niet per e-mail) te worden ingediend bij rechtbank Amsterdam, afdeling privaatrecht, team kanton, postbus 70515, 1007 KM, Amsterdam en dient door degene die het beroep instelt of een gemachtigde te worden ondertekend. De procedure bij het gerechtshof verloopt schriftelijk, tenzij in het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling wordt gevraagd.