← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2025:4026

RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht Zaaknummer: AMS 25/2899 uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 juni 2025 in de zaak tussen [verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster (gemachtigde: mr. K.J.T.M. Hehenkamp), en de directeur van het Centraal Nautisch Beheer Noordzeekanaalgebied namens het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder (gemachtigde: mr. J.H.A. van der Grinten). Samenvatting 1.

  1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het opleggen van een last onder dwangsom vanwege het innemen van een ligplaats door verzoekster met twee vaartuigen zonder vergunning. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekster. 1.
  2. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Het bezwaar heeft volgens haar geen redelijke kans van slagen en het belang om te handhaven dient te prevaleren. Ook is er geen aanleiding om te bepalen de woonark op een andere door verzoekster beoogde locatie ligplaats te laten innemen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Procesverloop 2.
  3. Verzoekster heeft in mei 2024 met twee vaartuigen, te weten een woonark en een kleinere grijze boot, ligplaats ingenomen in de [locatie] te Amsterdam. Het is niet toegestaan om (zonder vergunning) op deze plaats te liggen met vaartuigen en er kan ook geen vergunning voor worden verkregen. Verweerder heeft verzoekster meermalen gemaand om de vaartuigen te verwijderen, maar daar heeft verzoekster geen gehoor aan gegeven. 2.
  4. Met het bestreden besluit van 17 april 2025 heeft verweerder daarop een last onder dwangsom opgelegd. Verzoekster heeft van verweerder in dat besluit nog vier weken de tijd gekregen om de vaartuigen uit het water van de gemeente Amsterdam te verwijderen. Doet verzoekster dit niet dan verbeurt zij € 100,- per vaartuig per dag met een maximum van € 3.000,-. 2.
  5. Verzoekster heeft hiertegen op 9 mei 2025 bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen strekkende tot schorsing van het besluit tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Daarnaast heeft verzoekster verzocht om te bepalen dat de woonark – in afwachting van de behandeling van een aangevraagde ligplaats- en omgevingsvergunning –tijdelijk ligplaats mag innemen aan de [adres 1] . 2.
  6. Verweerder heeft op 12 mei 2025 de werking van het besluit opgeschort totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan. 2.
  7. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 5 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 1] namens verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en namens verweerder mr. J.H. Beestman, [naam 2] en zijn gemachtigde. Beoordeling door de voorzieningenrechter De kleine grijze boot
  8. De voorzieningenrechter stelt vast dat haar oordeel nog slechts ziet op de woonark. Verzoekster heeft op de zitting aangegeven de andere, kleinere grijze, boot uiterlijk 20 juni 2025 te verwijderen uit de [locatie] . Verweerder heeft toegezegd tot dat moment ten aanzien van deze boot niet handhavend te zullen optreden. Spoedeisend belang 4.
  9. De voorzieningenrechter overweegt voorts dat zij op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening treft als "onverwijlde spoed" dat vereist. Voordat de voorzieningenrechter toekomt aan de inhoudelijke beoordeling van het verzoek, moet zij eerst beoordelen of daar sprake van is. 4.
  10. Verweerder heeft zich ter zitting wat dat betreft gerefereerd aan het oordeel van de voorzieningenrechter. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is bij verzoekster sprake van voldoende spoedeisend belang. Na deze uitspraak zal namelijk de begunstigingstermijn eindigen en zullen dwangsommen worden verbeurd. Daarnaast heeft verweerder aangekondigd de woonark daarna met bestuursdwang te verwijderen. Beginselplicht tot handhaving 5.
  11. De voorzieningenrechter beoordeelt vervolgens bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van verzoekster dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang. Als algemeen uitgangspunt geldt dat er geen reden bestaat een voorlopige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter het handhavingsbesluit (voorlopig) rechtmatig acht. 5.
  12. Tussen partijen is niet in geschil dat de woonark op een niet toegestane locatie ligt en er daarmee dus sprake is van een overtreding. 5.
  13. Op basis van vaste rechtspraak zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder dwangsom op te treden – gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving – in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. De reden voor deze beginselplicht is dat de rechtszekerheid vergt dat de feitelijke situatie in beginsel niet afwijkt van de juridisch toegestane situatie. Door middel van handhavend optreden wordt dit bereikt. Hieruit volgt het algemeen belang dat is gediend met handhaving. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen als concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding met de daarmee te dienen belangen dat van handhaving afgezien moet worden. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. 5.
  14. De voorzieningenrechter constateert dat tussen partijen niet in geschil is dat voor de locatie waar de handhaving op ziet geen sprake is van een concreet zicht op legalisatie. De ligplaats in de [locatie] zal niet gelegaliseerd worden, zodat dit geen reden is om van handhaving af te zien. De voorzieningenrechter is daarnaast van oordeel dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er een groot belang is bij de onmiddellijke uitvoering van het besluit. De beroepsvaart wordt gehinderd door de woonark en er kunnen onveilige situaties ontstaan, mede omdat de steiger waar de woonark aan ligt niet goed bereikbaar is door geplaatste hekwerken. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster daar geen belang tegenover heeft gesteld waardoor handhavend optreden onevenredig zou zijn. Het bezwaar heeft dan ook geen redelijke kans van slagen. Alleen al om die reden dient het verzoek om voorlopige voorziening om het handhavingsbesluit op te schorten te worden afgewezen. [adres 1] 6.
  15. Verzoekster heeft voor de woonark vergunningen aangevraagd om ligplaats te mogen innemen aan de [adres 1] . De voorzieningenrechter begrijpt verzoekster zo dat deze vergunningsaanvragen moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheid om van handhaving af te zien en een reden zijn voor het verzoek om gedurende die aanvragen alvast ligplaats te mogen innemen aan de [adres 1] . De woonark heeft hier in het verleden ook gelegen, maar is daar volgens verzoekster ten onrechte door verweerder weggesleept. Er was destijds geen sprake van hinder aan de noodsluis. Ook is volgens het omgevingsplan die locatie nog steeds aangewezen als ligplaats. Het door verweerder ingediende intrekkingsbesluit met betrekking tot de ligplaatsen is niet aantoonbaar bekendgemaakt en is dus nog niet in werking getreden. Volgens verzoekster is de kans daarom ook aanwezig dat positief op de aanvragen zal worden beslist. Op die manier kan de woonark weg uit de [locatie] waarmee wordt voldaan aan de opgelegde last. 6.
  16. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster niet heeft onderbouwd dat de gedane aanvragen voor een ligplaats- en omgevingsvergunning enigszins kansrijk zijn waardoor ze een bijzondere omstandigheid zouden kunnen vormen om van handhaving af te zien. Afgezien van de vraag of er, gelet op het door verweerder overgelegde intrekkingsbesluit, überhaupt nog een vaartuig ligplaats kan innemen aan de [adres 1] , is ten aanzien van de betreffende woonark door deze rechtbank eerder geoordeeld dat verweerder de woonark op die locatie heeft mogen wegslepen omdat deze hinder aan de noodsluis zou veroorzaken. Het hoger beroep tegen deze uitspraak loopt weliswaar nog, maar de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in zijn uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening geoordeeld dat er, gelet op de beoordelingsruimte van verweerder, niet op voorhand vanuit kan worden gegaan dat het oordeel van de rechtbank in de bodemprocedure (over het wegslepen) geen stand zal houden. Verzoekster heeft onvoldoende argumenten aangevoerd die maken dat daar nu anders over moet worden geoordeeld. Het enkele feit dat er nu een ligplaats- en omgevingsvergunning zijn aangevraagd, is daarvoor onvoldoende. De voorzieningenrechter overweegt daarom tevens – net als de Afdeling – dat het geen passende maatregel kan zijn om nu te bepalen dat verzoekster met de woonark weer illegaal ligplaats mag innemen op de beoogde locatie aan de [adres 1] . Conclusie en gevolgen
  17. De voorzieningenrechter zal het verzoek volledig afwijzen. Voor een vergoeding van het griffierecht dan wel voor een proceskostenveroordeling ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Tanis, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 13 juni
  18. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Op grond van artikel 2.3.1 eerste lid van de Verordening op het binnenwater 2010 en artikel 3.
  19. van de Regionale Havenverordening Noordzeekanaalgebied
  20. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 7 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2070 Zie uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 januari 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:
  21. Bij uitspraak van 18 april 2024 ECLI:NL:RVS:2024:1646.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.