← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2025:4191

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-143090-25 Datum uitspraak: 19 juni 2025 UITSPRAAK op de vordering van 15 mei 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 5 mei 2025 door het Amtsgericht Düsseldorf, Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 2004, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres] , gedetineerd in het [detentieadres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 5 juni 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. Z. Nahar, advocaat in Baarn. De rechtbank heeft voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. [nummer]

  1. Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van het Amtsgericht Düsseldorf van 5 mei 2025, met kenmerk 139 Gs 81/25 (52 Js 62/25). De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Duits recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. 4Strafbaarheid 4.1 Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het feit aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten: georganiseerde of gewapende diefstal; opzettelijke brandstichting. Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 4.2 Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de ‘beschadiging van goederen’ niet aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd - voldaan is aan het vereiste dat op het feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op: medeplegen van het opzettelijk vernielen of beschadigen van enig gebouw, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is. 5De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn belangen in Nederland gevestigd.Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan. Die Leitende Oberstaatsanwältin van Düsseldorf heeft per brief van 27 mei 2025 de volgende garantie gegeven: "Overlevering van de Nederlandse staatsburger [opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 2004 te [geboorteplaats] , vanuit Nederland aan Duitsland (...). Naar aanleiding van uw e-mail d.d. 27 mei 2025 garanderen wij dat de vervolgde persoon bij een rechterlijk vonnis met kracht van gewijsde in de Bondsrepubliek Duitsland op grond van het geldende versie van kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd met het oog op tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie (PbEU L 327 van 5 december 2008, pagina 27) voor verdere tenuitvoerlegging van zijn straf naar Nederland wordt teruggezonden." Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende. 6Verzoek tot aanhouding De raadsman heeft ter zitting verzocht om aanhouding van de behandeling van de zaak tot na afronding van de Nederlandse strafzaak. De opgeëiste persoon moet op 6 juni 2025 voorkomen in een Nederlandse witwaszaak met parketnummer 13-171682-24, waarbij hij aanwezig wil zijn om zijn verdediging te voeren. Dit lopende proces is van cruciaal belang voor de proportionaliteitsafweging. In de onderhavige zaak dient de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon te worden afgewogen tegen minder ingrijpende alternatieven, waarbij bijzondere aandacht moet uitgaan naar zijn persoonlijke omstandigheden en de parallelle Nederlandse strafvervolging. De officier van justitie heeft zich verzet tegen aanhouding van de behandeling van de zaak. De opgeëiste persoon kan aanwezig zijn bij de behandeling van de Nederlandse strafzaak. Wanneer de opgeëiste persoon in de Nederlandse strafzaak wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf, kan dat leiden tot uitstel van de feitelijke overlevering. Er bestaat geen reden om hierover op voorhand een beslissing te nemen. De rechtbank wijst het verzoek tot aanhouding af. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon op 6 juni 2025 aanwezig kan zijn bij de behandeling van de Nederlandse strafzaak. De rechtbank overweegt verder dat een eventuele veroordeling tot een gevangenisstraf in deze strafzaak ertoe kan leiden dat de feitelijke overlevering van de opgeëiste persoon naar Duitsland wordt uitgesteld. Daarover hoeft nu nog geen beslissing worden genomen. 7Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 8Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 48 en 170 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6 en 7 OLW. 9Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Amtsgericht Düsseldorf (Duitsland) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Sipkens, voorzitter, mrs. M.C. Danel en D.M.S. Gribling, rechters, in tegenwoordigheid van G. Riedijk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 19 juni
  2. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie onderdeel e) van het EAB. Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. (Mandat d’arrêt européen à l’encontre d’un ressortissant d’un État tiers), ECLI:EU:C:2023:444, punt 64.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.