beschikking RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugd zaaknummer / rekestnummer: C/13/ 771117 / FA RK 25-4593 Beschikking van 20 juni 2025 betreffende een klacht als bedoeld in artikel 10:7 lid 1 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz) tevens houdende de beslissing op het verzoek tot schadevergoeding als bedoeld in artikel 10:11 lid 2 Wvggz. op verzoek van: [verzoeker] , advocaat: mr. J.W.F. Menick, hierna te noemen: verzoeker. De rechtbank merkt als verweerder aan: GGZinGeest gevestigd te Amsterdam. hierna te noemen: verweerder. 1
- Procesverloop 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: het verzoekschrift met bijlagen, ingediend door verzoeker op 9 juni 2025, ontvangen door de rechtbank op 10 juni
- het e-mailbericht van de advocaat van verzoeker van 16 juni
- 1.
- Het verzoek is niet besproken tijdens een mondelinge behandeling. In de beoordeling hierna zal de rechtbank uitleggen waarom daarvoor geen gelegenheid is geboden. 2Feiten 2.
- Aan betrokkene is op 3 maart 2025 een zorgmachtiging aansluitend op een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel verleend voor de duur van zes maanden. 2.
- Aan betrokkene is verplichte zorg in de vorm van in ieder geval ‘het toedienen van medicatie’ en ‘het opnemen in ene accommodatie’ aangezegd. 2.
- Bij beslissing van 16 april 2025 van de Klachtencommissie GGZ Amsterdam en omstreken (hierna: de klachtencommissie), schriftelijk verzonden op 28 april 2025, is de klacht van verzoeker ongegrond verklaard en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen. 3Beoordeling Ontvankelijkheid 3.
- Op grond van artikel 10:7 Wvggz kan verzoeker binnen zes weken na de dag waarop de beslissing van de klachtencommissie aan de verzoekster is medegedeeld, een schriftelijk en gemotiveerd verzoekschrift indienen bij de rechter ter verkrijging van een beslissing over de klacht. 3.
- De rechtbank stelt vast dat het door verzoeker ingediende verzoekschrift weliswaar binnen de genoemde termijn is ingediend, maar dat het verzoekschrift geen gronden bevat die het standpunt van verzoeker, dat zij zich niet kan verenigen met het oordeel van de klachtencommissie, staven. Aldus is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een gemotiveerd verzoekschrift, zoals de Wvggz in artikel 10:7 lid 1 Wvggz wel dwingend voorschrijft als voorwaarde voor een verzoekschrift gericht tegen een beslissing van de klachtencommissie. Met het vergunnen van een nadere termijn voor het aanvoeren van de gronden, zou verzoeker buiten de termijn voor het indienen van een verzoekschrift treden. Deze omstandigheden verzetten zich naar het oordeel van de rechtbank tegen een behoorlijke procesorde. Naar het oordeel van de rechtbank wordt aan verzoeker, gelet op de wettekst van artikel 10:7 Wvggz, geen mogelijkheid geboden om pro forma een verzoekschrift in te dienen, zoals in feite is gebeurd. Ook is door verzoeker geen verschoonbare reden aangevoerd voor het ontbreken van een deugdelijke motivering van het verzoekschrift, hetgeen de rechtbank dan ook niet tot een ander oordeel leidt. 3.
- Het vorenstaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat het verzoekschrift niet voldoet aan de daaraan op grond van artikel 10:7 Wvggz te stellen vereisten, nu het verzoekschrift niet is gemotiveerd. Dit brengt mee dat het verzoek zoals ingediend door verzoeker niet ontvankelijk is. 4Beslissing De rechtbank: verklaart het verzoek niet-ontvankelijk. Deze beschikking is gegeven door mr. E. Dinjens, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van J.M. Vos op 20 juni
- Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.