← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2025:4464

RECHTBANK Amsterdam Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel Zaaknummer / rolnummer: C/13/767320 / KG ZA 25-249 IHJK/EvK Vonnis in kort geding van 1 mei 2025 in de zaak van

  1. de vennootschap onder firma [naam vof] , gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna te noemen: de vof,
  2. [eiser 2], wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: [eiser 2] ,
  3. [eiser 3], wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: [eiser 3] , eisers bij dagvaarding van 9 april 2025, hierna samen te noemen: [eisers] , advocaat: mr. B.A.M. Hampsink te Amsterdam, tegen de coöperatie COÖPERATIEVE RABOBANK U.A., gevestigd te Amsterdam, gedaagde, hierna te noemen: Rabobank, advocaat: mr. F.M.A. ’t Hart te Amsterdam. 1De procedure 1.
  4. Op de zitting van 17 april 2025 heeft [eisers] de vordering zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. Rabobank heeft verweer gevoerd. Beide partijen hebben stukken (producties) ingediend en gebruikgemaakt van pleitaantekeningen die aan het procesdossier zijn toegevoegd. 1.
  5. Ter zitting waren aanwezig: aan de kant van [eisers] : [eiser 2] en [eiser 3] , met mr. Hampsink. aan de kant van Rabobank: mr. J. Derksen, advocaat bij de Rabobank, [naam] , medewerker afdeling offboarding bij Rabobank, met mr. F.M.A. ’t Hart. 1.
  6. Vonnis is bepaald op vandaag. 2De feiten 2.
  7. [eisers] , tot 1 oktober 2024 handelend onder de naam LDB Administratie & Advies, is een belastingadvies- en administratiekantoor gespecialiseerd in het ondersteunen van kleine en middelgrote ondernemingen. De vennoten van [eisers] zijn [eiser 2] en [eiser 3] . 2.
  8. [eiser 2] heeft ook een eenmanszaak [naam eenmanszaak] , tot 31 januari 2025 handelend onder de naam Max Hypotheken. [eiser 2] richtte zich met deze eenmanszaak op hypotheekadvisering, waarvoor hij ook een vergunning had op grond van de Wft (Wet op het financieel toezicht) verleend door de Autoriteit Financiële markten (Afm). 2.
  9. [eisers] heeft in februari 2024 een zakelijke rekening en een bedrijfsspaarrekening geopend bij Rabobank. Ook heeft zij Euro-incasso overeenkomsten met de Rabobank gesloten. Dat is een dienst waarmee [eisers] automatische incasso’s kan aanmaken. 2.
  10. Op 14 juli 2024 is er in het Financieele Dagblad (FD) een artikel verschenen met de titel ‘Crimineel netwerk kocht honderden woningen via listige hypotheekfraude’. Dit artikel gaat (samengevat) over een onderzoek naar een crimineel netwerk waarbij hypotheken zijn afgesloten met valse documenten voor woningen die worden gebruikt voor opslag van drugs, als onderduikadres voor criminelen of om arbeidsmigranten te huisvesten. Ook andere media hebben over deze kwestie gepubliceerd. 2.
  11. Het artikel in het FD vormde aanleiding voor Rabobank om een klantenonderzoek naar [eisers] te starten op grond van de Wwft (Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme). Op 7 oktober 2024 heeft Rabobank negen vragen gesteld aan [eisers] met het verzoek om deze vóór 15 oktober 2024 te beantwoorden. Vraag 6 luidt: “Uit openbare bronnen hebben wij vast kunnen stellen dat LDB Administratie en Advies verdachte is in een onderzoek naar grootschalige hypotheekfraude (Crimineel netwerk kocht honderden woningen via listige hypotheekfraude (fd.nl). Graag ontvangen wij onderbouwende documentatie met betrekking tot de status van dit strafrechtelijk onderzoek.” 2.
  12. Op 13 oktober 2024 heeft [eisers] de vragen beantwoord. [eisers] heeft medegedeeld geen bankrekeningen bij een andere bank te hebben. In reactie op de vraag over de hypotheekfraude, heeft [eisers] als volgt geantwoord: “Wat betreft de onderzoek naar grootschalige hypotheekfraude kan ik het volgende vermelden. Wij doen met meer dan 300 partijen zaken, die actief zijn in de woningmarkt. Denk hierbij aan makelaars, taxateurs, bouwkundig inspecteurs, notarissen en administratiekantoren. In het kader van de onderzoek hebben we te horen gekregen dat een van deze zakelijke relaties de hoofdverdachte is in deze. Tot op heden zijn meer dan 30 partijen verhoord, waaronder Max Hypotheken en LDB Administratie en Advies, die in de afgelopen jaren zaken hebben gedaan met de hoofdverdachte. Wij hebben netjes onze administratie opengesteld en ons is verteld dat het onderzoek naar de hoofdverdachte nog enige tijd in beslag zal nemen. We hebben te horen gekregen dat we het proces af moeten wachten en vanzelf een reactie zullen ontvangen, zodra er meer bekend is. Dit is wat ik voor zover kan vertellen over het onderzoek. Ik mag helaas geen officiële stukken over het proces met wie dan ook delen.” 2.
  13. Bij e-mail van 15 oktober 2024 heeft Rabobank vijftien aanvullende vragen gesteld. Met betrekking tot de hypotheekfraudezaak zijn (onder meer) de volgende vragen gesteld: “(…)
  14. U heeft aangegeven dat één van uw zakelijke relaties de hoofdverdachte in het onderzoek betreft. Is LDB Administratie en Advies als verdachte aangehouden in dit onderzoek? Zo ja, van welk delict wordt de onderneming verdacht? Wat is uw kijk hierop?
  15. Is één van de vennoten (oud of huidig) aangehouden in het strafrechtelijke onderzoek? Zo ja, welke vennoot en heeft u hier meer informatie over verkregen? Wat is uw kijk hierop?
  16. U geeft aan geen officiële stukken over het proces te mogen delen. Dit impliceert dat u over stukken beschikt die meer duidelijkheid kunnen verschaffen over de status van het onderzoek. Om ons klantonderzoek met goed gevolg af te kunnen ronden, hebben wij deze documenten wel nodig. Graag ontvangen wij deze alsnog. (Ook stukken die erop wijzen dat u geen verdachte bent, maar bijvoorbeeld als getuige gehoord bent, kunnen duidelijkheid voor ons verschaffen)
  17. U geeft aan geen officiële stukken te mogen delen. Kunt u toelichten van wie u deze stukken niet mag delen? Graag ontvangen wij hier bewijs van. (…)” 2.
  18. Op 5 november 2024 heeft [eisers] gereageerd op de aanvullende vragen – na eerder al op 16 oktober 2024 te hebben aangegeven dat het haar niet zou lukken om binnen één week te antwoorden. Met betrekking tot de vragen over de officiële stukken heeft zij aangegeven dat sprake lijkt te zijn van een misverstand. [eisers] benadrukt dat zij niet beschikt over officiële stukken of over een strafdossier en dat zij dus niet kan geven wat zij niet heeft. Verder heeft zij over de hypotheekfraudezaak geantwoord, voor zover relevant: “(…) Met grote spijt moeten wij u informeren dat onze onderneming momenteel betrokken is bij een landelijk omvangrijk en diepgaand onderzoek dat wordt uitgevoerd door autoriteiten. Wij betreuren het ten zeerste dat onze onderneming onvrijwillig in deze situatie verzeild is geraakt. Hoewel we alles in het werk stellen om volledige medewerking te verlenen, betreuren wij dat onze naam in verband wordt gebracht met dit grootschalige onderzoek. We willen benadrukken dat de focus van dit onderzoek voornamelijk ligt op andere ondernemingen binnen de vastgoedsector. Onze betrokkenheid in deze zaak heeft ons diep geraakt, en we realiseren ons de impact die dit kan hebben op het vertrouwen dat de bank in ons stelt. Wij blijven ons volledig inzetten om onze integriteit te bewaken en onze relaties te informeren zodra er nieuwe inzichten zijn die relevant zijn voor onze dienstverlening. Wij hechten grote waarde aan transparantie en integriteit en werken vanzelfsprekend op een constructieve en volledige wijze samen met alle betrokken instanties om dit proces te faciliteren. Onze organisatie neemt deze ontwikkeling zeer serieus, en we zetten alles op alles om de situatie zo spoedig mogelijk op te helderen. (…)” 2.
  19. Op 11 december 2024 heeft Rabobank [eisers] bericht dat de informatie die [eisers] had gedeeld ‘onvoldoende verklaarbaar was’, wat een heroverweging van de klantrelatie noodzakelijk maakt. Rabobank heeft daarbij (samengevat) overwogen dat de door [eisers] gegeven antwoorden onvoldoende comfort geven om uit te kunnen sluiten dat zij betrokken is bij criminele activiteiten. [eisers] heeft verklaard zaken te hebben gedaan met de hoofdverdachte en dat brengt het risico met zich mee dat er inkomsten op de Rabobankrekening zijn ontvangen die mogelijk afkomstig zijn uit het criminele milieu. Verder heeft [eisers] geen duidelijk antwoord gegeven op de vraag of zij en/of haar vennoten zijn aangemerkt als verdachte en, als dat het geval zou zijn, van welk delict zij worden verdacht. Omdat deze onduidelijkheden onvoldoende zijn weggenomen is geen sprake meer van een vereiste vertrouwensrelatie. Het onderzoek wordt overgedragen aan de afdeling Offboarding. 2.
  20. Op 18 december 2024 heeft de Afm [eiser 2] bericht dat zij op zijn verzoek de vergunning voor Max Hypotheken (nu [naam eenmanszaak] ) intrekt voor het verlenen van financiële diensten. 2.
  21. Op 23 januari 2025 heeft Rabobank per brief kenbaar gemaakt de klantrelatie met [eisers] per 24 maart 2025 te beëindigen. 2.
  22. Bij brief van 19 februari 2025 heeft (de advocaat van) [eisers] bezwaar aangetekend tegen deze beëindiging. 2.
  23. Op 26 maart 2025 heeft Rabobank inhoudelijk gereageerd op het bezwaar. Rabobank heeft ten eerste medegedeeld dat het noodzakelijke klantenonderzoek niet kan worden afgerond omdat de rol van LDB Administratie & Advies en Max Hypotheken in de negatieve berichtgeving en de relatie met de hoofdverdachte onvoldoende is verklaard. Daarom kan Rabobank niet voldoen aan haar verplichtingen op grond van de Wwft. Op basis van artikel 5 lid 3 Wwft ziet Rabobank zich genoodzaakt om de klantrelatie te beëindigen. Tevens heeft Rabobank rechtmatig gebruik kunnen maken van haar contractuele opzeggingsbevoegdheid als omschreven in artikel 35 van de Algemene Bankvoorwaarden (ABV). Alle overeenkomsten zullen worden opgezegd per 24 april
  24. 3Het geschil 3.
  25. [eisers] vordert – samengevat na eiswijziging – Rabobank primair te veroordelen de relatie met haar voort te zetten, ook na 24 april 2025, op straffe van een dwangsom, en subsidiair de opzegging op te schorten, totdat in een bodemprocedure in eerste aanleg is vastgesteld dat de opzegging rechtmatig is, en Rabobank te veroordelen in de proceskosten. 3.
  26. [eisers] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Rabobank heeft de bankrelatie met [eisers] opgezegd op grond van zowel artikel 5 lid 3 Wwft als op grond van artikel 35 ABV. [eisers] stelt dat deze opzegging onterecht is. Zij heeft alle vragen in het kader van het klantenonderzoek zo goed en volledig mogelijk beantwoord. Zij kan niet meer informatie geven omdat zij daar niet over beschikt. Zij doet daarom een beroep op haar onschuldpresumptie. In het kader van de belangenafweging – die een rol speelt bij de beëindiging van de bankrelatie op grond van artikel 35 ABV – dient eveneens te worden meegewogen dat het vrijwel onmogelijk is voor [eisers] om ergens anders een zakelijke rekening te openen. Dat heeft enorme gevolgen omdat zij dan geen zakelijke activiteiten meer kan verrichten. Daarom moet haar belang bij voortzetting van de relatie zwaarder wegen dan het belang van Rabobank bij beëindiging. 3.
  27. Rabobank heeft ten eerste toegezegd de bankrelatie voort te zetten totdat vonnis is gewezen in deze zaak. Daarnaast voert zij verweer. Rabobank is verplicht de bankrelatie te beëindigen op grond van artikel 5 lid 3 Wwft omdat zij het wettelijk voorgeschreven klantenonderzoek niet kan afronden. Daarnaast mocht Rabobank de bankrelatie ook beëindigen op grond van artikel 35 ABV. Zij is geconfronteerd met serieuze integriteits- en reputatierisico’s terwijl [eisers] onvoldoende transparant is en onvoldoende medewerking verleent met als gevolg dat sprake is van een vertrouwensbreuk. Rabobank heeft een zwaarwegend belang bij de beëindiging van de relatie. [eisers] heeft in het kader van de belangenafweging onvoldoende inspanningen verricht om elders een bankrekening te openen. 3.
  28. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling Toetsingskader 4.
  29. Een vordering tot voortzetting van een bankrelatie kan in kort geding worden toegewezen als voorshands voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter het standpunt van de eisende partij zal volgen en als van de eisende partij niet kan worden gevergd dat hij de uitslag van de bodemprocedure afwacht. 4.
  30. Banken hebben op grond van de Wwft een verantwoordelijkheid bij het signaleren van zogenoemde financieel-economische criminaliteit en andere integriteitsrisico’s. Zij moeten zoveel mogelijk voorkomen dat het financiële systeem voor oneigenlijke doelen wordt gebruikt (of misbruikt). Daartoe moeten zij onderzoek doen naar hun cliënten en de verzamelde informatie up-to-date houden. Als een bank haar cliëntenonderzoek niet kan voltooien, moet zij de relatie met die klant beëindigen (artikel 5 lid 3 Wwft). De bank kan dan immers het risico van misbruik van de door haar aangeboden producten en diensten niet overzien. 4.
  31. Op grond van artikel 35 van de ABV – die op de rechtsverhouding tussen partijen van toepassing zijn – heeft de bank een contractuele bevoegdheid de relatie met een klant te beëindigen. De opzeggingsbevoegdheid van een bank en haar contractuele vrijheid zijn echter niet onbegrensd. Een opzegging moet worden beoordeeld tegen de achtergrond van de zorgplicht van de bank die zij bij haar dienstverlening in acht moet nemen, waarin ook het belang van betalingsverkeer voor de rekeninghouders wordt meegewogen (artikel 2 lid 1 ABV). Daarbij moet mede worden betrokken dat het voor (rechts)personen van groot belang is dat zij toegang hebben tot het bancaire systeem. De omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat een bank van haar contractuele opzeggingsbevoegdheid gebruik maakt (artikel 6:248 lid 2 Burgerlijk Wetboek; zie HR 10 oktober 2014, ECLl:NL:HR:2014:2929). Geen beëindiging op grond van artikel 5 lid 3 Wwft 4.
  32. Rabobank heeft in de eerste plaats de bankrelatie beëindigd omdat zij het wettelijk voorgeschreven klantenonderzoek niet heeft kunnen afronden. 4.
  33. Dat Rabobank op basis van de artikelen die in de media zijn verschenen over grootschalige hypotheekfraude een klantenonderzoek is gestart is begrijpelijk. Rabobank heeft in dat kader vragen gesteld aan [eisers] over deze hypotheekfraudezaak en de betrokkenheid van [eisers] hierbij. Op 13 oktober 2024 (zie 2.6) heeft [eiser 2] , namens [eisers] , medegedeeld dat Max Hypotheken en LDB Administratie & Advies zijn verhoord: “Tot op heden zijn meer dan 30 partijen verhoord, waaronder Max Hypotheken en LDB Administratie en Advies”. Daarna heeft Rabobank specifiek gevraagd of LDB Administratie & Advies als verdachte is aangehouden, en zo ja, van welk delict de onderneming wordt verdacht, en of er stukken zijn die erop wijzen dat zij niet als verdachte maar (bijvoorbeeld) als getuige is gehoord (zie 2.7). [eisers] heeft hierop niet concreet geantwoord, maar alleen in zijn algemeenheid over het onderzoek verklaard (zie 2.8). 4.
  34. Rabobank verwijt [eisers] een gebrek aan transparantie ten aanzien van de betrokkenheid van [eisers] (in het vervolg wordt uitgegaan van [eisers] in plaats van LDB Administratie & Advies, omdat zij per 1 oktober 2024 deze handelsnaam heeft, zie 2.1), of één van haar vennoten, bij strafbare feiten, en met name haar onduidelijke reactie op de vraag of [eisers] zelf verdachte is in de hypotheekfraudezaak. Uit de door [eisers] overgelegde verklaring van haar strafrechtadvocaat blijkt dat zij inderdaad verdachte is in de hypotheekfraudezaak. [eisers] heeft dat ook op zitting bevestigd. Het enkele feit dat [eisers] verdachte is en niet direct antwoord heeft gegeven op de vraag of zij zelf verdachte is en zo ja van welk delict, is echter onvoldoende om aan te nemen dat Rabobank haar cliëntenonderzoek niet heeft kunnen afronden. [eisers] heeft namelijk meegewerkt aan het onderzoek en alle vragen die Rabobank heeft gesteld beantwoord. Ook de vragen over de hypotheekfraudezaak. Verder heeft [eiser 2] op zitting uitgelegd dat hij naar zijn mening wel voldoende open is geweest over het feit dat [eisers] verdachte was in de hypotheekfraudezaak doordat hij in zijn antwoord had gemeld dat hij was verhoord. Daarbij heeft hij toegelicht dat het onderscheid tussen gehoord worden als verdachte of als getuige voor hem niet duidelijk is, en als hij dus mededeelt dat [eisers] is verhoord, voor Rabobank duidelijk had moeten en kunnen zijn dat zij dan verdachte is. De voorzieningenrechter acht deze uitleg van [eiser 2] aannemelijk, ook omdat [eiser 2] niet eerder betrokken is geweest bij een strafzaak. Het feit dat [eisers] niet meer stukken over de strafzaak of haar rol hierin heeft kunnen overleggen kan haar niet worden tegengeworpen. [eisers] kan geen stukken overleggen waar zij niet over beschikt. 4.
  35. Kortom, Rabobank moet zich inderdaad houden aan de verplichtingen op grond van de Wwft, maar [eisers] heeft gedaan wat zij kon en heeft de beschikbare informatie verstrekt. Daarom kan het standpunt van Rabobank dat zij, door de handelswijze van [eisers] , haar klantenonderzoek niet met goed gevolg heeft kunnen afronden geen stand houden en was Rabobank dus niet verplicht om de bankrelatie te beëindigen. Geen beëindiging op grond van artikel 35 ABV 4.
  36. Rabobank heeft in de tweede plaats van haar contractuele opzeggingsbevoegdheid gebruikgemaakt. In haar opzeggingsbrieven is het ontbreken van een vertrouwensrelatie en/of artikel 35 ABV ook genoemd. Om te bepalen of Rabobank op deze grond de bankrelatie mocht beëindigen moet een afweging van alle belangen worden gemaakt. 4.
  37. Volgens Rabobank is sprake van een vertrouwensbreuk omdat [eisers] onvoldoende open is geweest over haar rol bij de hypotheekfraude en te veel informatie heeft achtergehouden. De voorzieningenrechter gaat hier niet in mee. Hiertoe is het volgende relevant. Ten eerste heeft Rabobank aangevoerd dat [eisers] kennelijk zaken heeft gedaan met de hoofdverdachte, maar haar rol niet heeft verduidelijkt. Zoals hiervoor echter is overwogen (zie 4.6) is [eisers] voldoende duidelijk geweest over het feit dat zij is gehoord in het kader van de hypotheekfraude. Verder heeft [eiser 2] ter zitting verduidelijkt dat de hoofdverdachte een makelaar is met wie zij wel eens te maken heeft gehad. Haar relatie met deze partij is geweest dat klanten van haar een huis hebben gekocht of verkocht via deze makelaar. De vergelijking die Rabobank nog heeft gemaakt met een zaak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank waarbij de klant zijn criminele verleden ontkende gaat niet op. In dit geval is geen sprake van een crimineel verleden. [eisers] heeft alle vragen beantwoord, ook de vragen die zien op de hypotheekfraudezaak, en heeft niet achtergehouden of ontkent dat zij verdachte is. Daarnaast heeft Rabobank ook nieuwsberichten overgelegd die zien op explosies bij het pand van LDB Administratie & Advies en Max Hypotheken in het najaar van
  38. Als Rabobank hiermee wil betogen dat dit ook een aanwijzing is van betrokkenheid bij de strafzaak, en [eisers] dit bij Rabobank had moeten melden of moeten verduidelijken, wordt zij daarin niet gevolgd. Dat er een relatie is met de hypotheekfraudezaak is niet aannemelijk gemaakt. [eisers] heeft daartegenover juist een aangifte overgelegd van brandstichting en vernieling vanwege deze explosie en de politie heeft ook gemeld dat er in de buurt meerdere gevallen van vandalisme en pogingen tot brandstichting hebben plaatsgevonden. Verder meent Rabobank dat [eiser 2] had moeten melden dat de Afm-vergunning van zijn onderneming [naam eenmanszaak] is ingetrokken. Uit het tijdsverloop blijkt echter dat het klantenonderzoek van Rabobank al op 11 december 2024 was afgerond omdat zij toen heeft aangekondigd dat de afdeling Offboaring contact zou opnemen met [eisers] . De intrekking van de Afm-vergunning is pas van 18 december
  39. Daarom kan [eiser 2] niet worden verweten dat hij daarvan geen melding meer heeft gemaakt bij Rabobank. Bovendien staat niet vast, zoals Rabobank wel betoogt, dat de Afm [naam eenmanszaak] heeft geadviseerd om de Afm-vergunning zelf in te trekken vanwege de hypotheekfraudezaak. [eiser 2] heeft betoogd dat de vergunning op eigen verzoek is ingetrokken omdat hij vanwege de hypotheekfraudezaak geen hypotheekadviezen meer wilde verlenen. 4.
  40. Verder speelt in deze zaak mee dat [eisers] op dit moment slechts verdachte is. [eisers] heeft in dit kader een beroep gedaan op de onschuldpresumptie: zij is onschuldig totdat het tegendeel is bewezen. Zij ontkent niet dat zij verdachte is, maar zij ontkent wel enige betrokkenheid bij de hypotheekfraude. De onschuldpresumptie werkt door in een bankrelatie doordat de bank altijd, dus ook bij een strafrechtelijke verdenking, op grond van haar zorgplicht zoals neergelegd in artikel 2 ABV zo goed mogelijk rekening moet houden met de belangen van een klant, op een manier die aansluit bij de aard van de dienstverlening. De onschuldpresumptie kan een rol spelen in het kader van een belangenafweging. Indien een klant van een strafbaar feit verdacht wordt, heeft de klant er een gerechtvaardigd belang bij dat die verdenking alleen gevolgen heeft voor de dienstverlening door de bank als de verdenking gegrond is en dus om voor onschuldig te worden gehouden zolang de schuld niet vaststaat. Anderzijds heeft de bank er een gerechtvaardigd belang bij dat zij gevolgen kan verbinden aan omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat de klant zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit en dat die gevolgen niet pas kunnen intreden als de verdachte in een strafproces is veroordeeld. De enkele verdenking is gezien deze wederzijdse belangen een te smalle basis om een onaanvaardbaar risico op bijvoorbeeld witwassen aan te nemen en de bankrelatie te beëindigen. Van een klant kan niet worden gevergd dat hij in zo’n situatie jegens de bank zijn onschuld aantoont. Dit is anders als er meer bekend is dan alleen de verdenking, bijvoorbeeld omdat de bank op grond van haar bekende feiten en omstandigheden (al dan niet verkregen na het van haar te vergen onderzoek) meer concrete aanwijzingen heeft voor betrokkenheid bij een strafbaar feit en daarover vragen stelt. In dat geval mag van de klant worden verwacht dat hij op concrete aanwijzingen voor zijn schuld reageert door die vragen afdoende te beantwoorden, zodat de bank het risico op bijvoorbeeld witwassen kan beoordelen. 4.
  41. In deze zaak is [eisers] gehoord in het strafrechtelijk onderzoek naar hypotheekfraude en heeft zij zaken gedaan met de hoofdverdachte. [eisers] is hier open over geweest naar Rabobank en heeft de informatie gegeven over het strafrechtelijk onderzoek waarover zij beschikt. Meer kan zij op dit moment niet doen en kan van haar ook niet worden verwacht. Volgens Rabobank zijn er echter wel concrete risico’s. Ten eerste het risico dat Rabobank zelf een strafbaar feit pleegt door deze (vermoedelijke) strafbare feiten te faciliteren wat kan kwalificeren als schuldwitwassen. Ten tweede het integriteits- en reputatierisico, inhoudende dat deze strafbare feiten mede ‘dankzij’ Rabobank konden plaatsvinden en gecontinueerd konden worden. Ook kleine transacties kunnen daarbij een vorm van witwassen zijn. Het risico van betrokkenheid van [eisers] bestaat eruit dat zij indirect (door het opstellen van valse stukken waarmee een hypotheek kan worden verkregen), of direct, (door de ontvangst van vergoedingen die men daarvoor krijgt) onderdeel kan zijn van het witwascircuit, aldus Rabobank. Aangezien [eiser 2] (via zijn onderneming [naam eenmanszaak] ) op dit moment geen hypotheekadviseur meer is, speelt het integriteitsrisico in dat kader nu geen rol meer. Voor wat betreft haar rol als administrateur zijn deze risico’s hier echter niet concreet. Op basis van enkel de verdenking van [eisers] heeft Rabobank deze conclusies getrokken, maar zij heeft geen concrete aanwijzingen dat [eisers] , als administrateur, ook daadwerkelijk heeft meegewerkt aan het opstellen van valse stukken om hypotheken te verkrijgen. Rabobank heeft dit alleen gebaseerd op het feit dat in het algemeen op deze manier hypotheekfraude kan worden gepleegd, maar dat is onvoldoende om aan te nemen dat [eisers] daarbij een rol heeft gespeeld. Rabobank had meer informatie moeten hebben over de rol van [eisers] of hier zelf onderzoek naar moeten doen. Daarom weegt de onschuldpresumptie van [eisers] in dit geval zwaarder nu Rabobank geen verdere aanwijzingen heeft van betrokkenheid van [eisers] bij de hypotheekfraude. 4.
  42. In de belangenafweging speelt tot slot ook mee dat [eisers] heeft aangevoerd dat het openen van een zakelijke bankrekening bij andere banken vrijwel onmogelijk is. Het belang van [eisers] bij het hebben van een bankrekening is groot. Zij stelt dat zij geen zakelijke activiteiten meer kan verrichten en dat de kans groot is dat zij failliet zal gaan. Volgens Rabobank heeft [eisers] echter onvoldoende aangetoond dat zij geen bankrekening kan openen bij een andere bank. De overgelegde producties van Knab en bunq bank zijn onvoldoende. Het is algemeen bekend dat Knab sowieso geen vof accepteert als klant en de (gestelde) afwijzing van bunq bank is niet volledig omdat de aanvraag ontbreekt, aldus Rabobank. De voorzieningenrechter gaat er echter niet in mee dat [eisers] onvoldoende inspanningen heeft verricht om ergens anders een zakelijke bankrekening te openen. Het is aannemelijk dat door de EVR-registratie van [eiser 2] het vrijwel onmogelijk is om ergens anders een bankrekening te openen. [eiser 2] heeft ter zitting gezegd dat hij bezwaar heeft gemaakt tegen de EVR-registratie via een klacht bij Kifid, maar die zaak loopt nog. Dat volgens Rabobank een klacht bij Kifid niet de aangewezen weg is om tegen de registratie op te komen, doet niet af aan de gevolgen die de registratie op dit moment voor [eisers] heeft. Dat – zoals Rabobank betoogt – [eisers] dan maar een andere structuur moet aannemen waarbij [eiser 2] geen vennoot meer is en de kans op het verkrijgen van een bankrekening wordt vergroot, is mogelijk een optie, maar niet op zo’n korte termijn. Alles afwegend wordt aan het belang van [eisers] bij behoud van haar zakelijke rekening meer gewicht toegekend dan aan het belang van Rabobank bij beëindiging van de relatie. Conclusie 4.
  43. De primaire vordering van [eisers] wordt toegewezen en Rabobank zal worden veroordeeld om de klantrelatie met [eisers] voort te zetten. Op dit moment geldt dat enkel het feit dat [eisers] verdachte is van een strafbaar feit, onvoldoende is om de bankrelatie te beëindigen. Rabobank is daarmee eigenlijk ‘te vroeg’. Dit kan anders worden als er meer informatie naar boven komt in de hypotheekfraudezaak, en de rol van [eisers] hierbij. Nu Rabobank heeft toegezegd dat zij aan dit vonnis zal voldoen, zal de gevorderde dwangsom worden afgewezen. Proceskosten 4.
  44. Rabobank is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 119,40 - griffierecht € 714,00 - salaris advocaat € 1.107,00 - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.118,40 5De beslissing De voorzieningenrechter 5.
  45. veroordeelt Rabobank de klantrelatie met [eisers] voort te zetten en de bankrekeningen van [eisers] met nummers [rekeningnummer 1] en [rekeningnummer 2] met bijbehorende bankproducten inclusief de Rabo-incasso voort te zetten, 5.
  46. veroordeelt Rabobank in de proceskosten van € 2.118,40, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als Rabobank niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.
  47. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 5.
  48. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. I.H.J. Konings, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. E.H. van Kolfschooten, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 mei
  49. Voorzieningenrechter rechtbank Amsterdam 7 augustus 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:5725 Vergelijkend; rechtbank Amsterdam 14 september 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:5340 en voorzieningenrechter rechtbank Amsterdam 13 november 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:8678 type: EvK coll: KH

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.