RECHTBANK Amsterdam Civiel recht Zaaknummer / rekestnummer: C/13/756027 / HA RK 24-286 Beschikking van 26 juni 2025 in de zaak van de rechtspersoon naar buitenlands recht ABN AMRO INVESTORS RECOVERY LIMITED, te Guernsey, verzoekende partij, hierna te noemen: Investors Recovery, advocaat: mr. Q.L.C.M. Bongaerts, tegen ABN AMRO BANK N.V., te Amsterdam, verwerende partij, hierna te noemen: de bank, advocaat: mr. T.M. Sweerts. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: ˗ het verzoekschrift van 29 augustus 2024 met bijlagen 1-28, ˗ het verweerschrift van 1 mei 2025 met bijlagen 1-82, ˗ de akte van Investors Recovery van 12 mei 2025 met bijlagen 29-39, ˗ de brief van Investors Recovery van 14 mei 2025 met een vermindering van het verzoek, ˗ het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 22 mei 2025 en de spreekaantekeningen van beide partijen, ˗ de brief van Investors Recovery van 18 juni 2025 met een reactie op het proces-verbaal. 1.2. De beschikking is bepaald op vandaag. 2De feiten 2.1. De bank is een bank met een Nederlandse bankvergunning. Sinds 20 november 2015 worden certificaten van aandelen in de bank verhandeld op de Amsterdamse beurs van Euronext. 2.2. Op 4 september 2018 werden de resultaten openbaar van onderzoek dat het Openbaar Ministerie onder de naam ‘Houston’ had uitgevoerd bij ING Bank. Het Openbaar Ministerie concludeerde dat ING Bank de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) niet had nageleefd en zich schuldig had gemaakt aan schuldwitwassen. Tevens werd bekend dat ING Bank een schikking was aangegaan en € 775 miljoen aan de staat had betaald, bestaande uit een boete van € 675 miljoen en een ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van € 100 miljoen. 2.3. Op 26 september 2019 maakte de bank voor beurs bekend dat het Openbaar Ministerie onder de naam ‘Guardian’ ook bij haar onderzoek deed naar mogelijke overtredingen van de Wwft. Die dag daalde de beurskoers van de bank. Partijen verschillen van mening hoe deze daling in een percentage moet worden uitgedrukt, maar dat was minimaal 12% (volgens de bank) en maximaal 13,2% (volgens Investors Recovery). 2.4. Op 12 februari 2020 publiceerde de bank haar cijfers over het vierde kwartaal van 2019. De beurskoers daalde daarop met rond vijf tot zeven procent. 2.5. Op 10 maart 2021 publiceerde de bank haar jaarverslag over 2020, waarin zij voor het eerst meldde dat zij ook werd verdacht van schuldwitwassen, en gelijktijdig werd bekend dat de certificaten van de aandelen in de bank niet meer genoteerd zouden zijn aan de Amsterdamse Euronext beurs maar voortaan aan de Amsterdam Midcap Index. De koers daalde met ongeveer drie procent. 2.6. Op 15 maart 2021 verscheen een artikel in De Telegraaf over de verdenking van de bank van schuldwitwassen, waarna een koersdaling volgde van ongeveer vijf procent. 2.7. Op 19 april 2021 publiceerde het Openbaar Ministerie het verslag van zijn onderzoek bij de bank. Het Openbaar Ministerie was van oordeel dat de bank zich schuldig heeft gemaakt aan overtredingen van de Wwft en aan schuldwitwassen in de periode van 2014 tot en met 2020. 2.8. Naar aanleiding van het onderzoek is de bank op 19 april 2021 een schikking aangegaan met het Openbaar Ministerie. In het kader daarvan heeft de bank in totaal een bedrag van € 480 miljoen aan de staat betaald, bestaande uit een boete van € 300 miljoen en € 180 miljoen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Op de bekendmaking van deze schikking reageerde de beurskoers positief. 2.9. Investors Recovery is opgericht door Woodsford Group Limited, dat op basis van no cure, no pay bedrijfsmatig juridische procedures initieert en financiert. Investors Recovery werpt zich op als behartiger van de belangen van 117 beleggers die schade hebben geleden als gevolg van informatieverzuim van de bank en hun vorderingen aan Investors Recovery hebben overgedragen. 2.10. Investors Recovery heeft geprobeerd een gesprek aan te gaan met de bank over betaling van schadevergoeding aan de certificaathouders. Daarvan is het niet gekomen. 3Het verzoek en het verweer 3.1. Investors Recovery houdt de bank verantwoordelijk voor onzuivere koersvorming in de periode van 20 november 2015 tot en met 15 maart 2021. Volgens Investors Recovery wist de bank in die periode van tekortkomingen in haar interne procedures gericht op het ontdekken en voorkomen van financieel-economische criminaliteit. De bank had deze moeten melden in het prospectus voor de beursintroductie in november 2015, vervolgens in haar kwartaalverslagen en jaarverslagen en in ad-hocpublicaties in de zin van artikel 17 van de Marktmisbruikverordening (hierna: MAR). 3.2. Volgens Investors Recovery kon de markt zich geen geïnformeerd oordeel vormen over de risico’s van investeren in de bank. Investeerders hebben hierdoor schade geleden. Zij hebben tegen een geïnflateerde koers gekocht en vervolgens het stuk inflatie zien verdampen. Investors Recovery begroot de totale schade op een bedrag tussen € 150,5 en € 233,6 miljoen. 3.3. Ten behoeve van een mogelijk aanhangig te maken schadevergoedingsprocedure verzoekt Investors Recovery de rechtbank om de bank op te dragen om stukken over te leggen en om getuigen te horen. Zij wil hiermee kunnen vaststellen: ˗ op welk moment de publicaties van de bank niet langer voldeden aan het getrouwbeeldvereiste en ˗ op welk moment aangenomen kan worden dat de bank bekend was of behoorde te zijn met informatie over tekortkomingen in haar interne procedures of de strafbare feiten die tussentijdse publicatie rechtvaardigden. Kort gezegd gaat het Investors Recovery erom dat zij wil vaststellen wie wanneer wat wist binnen de bank. 3.4. Het verslag van het Openbaar Ministerie vormt volgens Investors Recovery de top van de ijsberg. Investors Recovery verzoekt daarom om de bank op grond van artikel 843a (oud) Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) te verplichten de volgende documenten over te leggen, waarnaar wordt verwezen in het verslag van het Openbaar Ministerie, in perspublicaties en in (bijlagen bij) jaarverslagen: i. de (kwartaal)rapportages van de afdelingen compliance en audit in de periode 2014 tot en met 2020 die zien op compliance tekortkomingen en strafbare feiten aan het bestuur en de raad van commissarissen; ii. de interne waarschuwingen door de raad van commissarissen aan het bestuur in 2015 en 2016 en de reactie van het bestuur daarop; iii. de documentatie die de interne signalen van de afdelingen compliance en audit bevatten aan het bestuur en de raad van commissarissen dat (senior) management over onvoldoende managementinformatie over de ‘client life cycle’ beschikte; iv. de brandbrief van de afdeling compliance aan de raad van bestuur van eind 2017, waarin de afdeling compliance het signaal afgeeft dat te veel projecten binnen de bank stilliggen; v. de correspondentie tussen de chief compliance officer en de chief innovation & technology officer en een executive committee-lid van medio 2018 met betrekking tot (de niet-naleving van) de poortwachtersfunctie van de bank; vi. de drie brandbrieven die het hoofd processes & control group compliance aan de top van de bank stuurde in 2017 en 2018; vii. de notulen van de drie aanvullende vergaderingen van het risk & capital committee die in 2018 werden gehouden ten aanzien van antiwitwaswetgeving; viii. de updates die de afdeling detecting financial crime aan de raad van commissarissen zond ‘on the progress made as the license to operate was an important subject during the year under review’; ix. de notitie van de president-commissaris aan de bestuursvoorzitter uit medio of eind 2017 waarin de noodzakelijke verbeteringen voor de bank worden omschreven; x. de twee anonieme brieven van januari 2018 die betrekking hebben op het management van de bank. 3.5. Investors Recovery verzoekt om een voorlopig getuigenverhoor te bevelen van: ˗ [naam 1] , van 2009 tot en met 2017 bestuursvoorzitter; ˗ [naam 2] , van 2013 tot en met 2016 financieel directeur en van 2017 tot en met 2020 bestuursvoorzitter; ˗ [naam 3] , van 2017 tot en met 2021 financieel directeur; ˗ [naam 4] , van 2014 tot en met 2018 lid van de raad van commissarissen en vanaf 2016 president-commissaris; ˗ [naam 5] , voorzitter van het audit committee voor het boekjaar 2015; ˗ [naam 6] , voorzitter van het audit committee voor de boekjaren 2016 tot en met 2021; ˗ [naam 7] , voormalig chief compliance officer; ˗ [naam 8] , voormalig hoofd processes & control group compliance; ˗ wanneer daarvoor aanleiding bestaat, andere betrokkenen van wie de persoonsgegevens bekend worden door kennisneming van de opgevraagde bescheiden of het verhoor van de voormelde personen. 3.6. Bij de mondelinge behandeling heeft Investors Recovery toegelicht waarover deze getuigen zouden kunnen verklaren: ˗ [naam 1] , [naam 7] , [naam 5] en [naam 4] over de rol van de raad van commissarissen en de interactie met het bestuur; ˗ [naam 1] en [naam 2] over de problemen bij de beoordeling van de klantendossiers bij retail & private banking in 2015 en 2016 en de informatievoorziening aan de raad van commissarissen; ˗ [naam 4] over de rol van en informatievoorziening aan de raad van commissarissen; ˗ [naam 6] over de informatievoorziening aan het audit committee; ˗ [naam 7] en [naam 8] over de inhoud van de onder iii. tot en met vi. genoemde stukken en de opvolging die het bestuur daaraan gaf; ˗ [naam 1] , [naam 2] , [naam 5] en [naam 4] over het feit dat het bestuur begin 2016 toegaf dat de situatie onhoudbaar was; ˗ [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] over het besluit om de zorgen bedoeld in de onder viii. genoemde stukken niet openbaar te maken; ˗ [naam 3] , [naam 2] en [naam 6] over de besluitvorming over de openbaarmaking van de verdenking van schuldwitwassen; ˗ [naam 6] over het feit dat de situatie dermate nijpend was dat de bankvergunning op het spel stond. 3.7. De bank voert ten eerste aan dat Investors Recovery niet ontvankelijk is omdat zij geen (processueel) belang heeft bij haar verzoeken. Zij hield geen certificaten in de bank en zij heeft niet aangetoond dat vorderingen van certificaathouders aan haar zijn overgedragen. 3.8. Aan de eisen van artikel 843a (oud) Rv is volgens de bank niet voldaan, omdat Investors Recovery geen begin van een onderbouwing heeft gegeven dat de bank onrechtmatig zou hebben gehandeld. Van de vereiste rechtsbetrekking is dus geen sprake. Investors Recovery licht ook nergens toe op welke wijze documenten of getuigenverklaringen zouden kunnen bijdragen aan de onderbouwing van haar vorderingen. Investors Recovery heeft ook onvoldoende onderbouwd dat certificaathouders schade hebben geleden. Zij heeft onvoldoende concreet en onderbouwd gesteld dat en waarom zij belang heeft bij de verlangde inzage en dat dit belang de inzage kan rechtvaardigen. Investors Recovery kent het bestaan van de stukken niet en speculeert enkel op de denkbare inhoud daarvan. Zij probeert met een zo breed mogelijke omschrijving van documenten zoveel mogelijk informatie op te halen bij de bank, er is sprake van een fishing expedition. Tot slot staan gewichtige redenen in de weg aan verstrekking van de bescheiden, waaronder doorkruising van de wettelijke informatierechten van certificaathouders en wettelijke geheimhoudingsplichten. 3.9. Het verzoek om getuigen te horen moet volgens de bank worden afgewezen omdat het verzoek niet aan de wettelijke eisen voldoet. Investors Recovery specificeert niet welke concrete feiten zij wil bewijzen en waarom de genoemde getuigen daarover uit eigen waarneming zouden kunnen verklaren. Dat blijkt al uit het verzoek om eerst stukken te krijgen en dan pas getuigen daarover te bevragen. Investors Recovery beschikt verder op basis van publiek toegankelijke informatie over de relevante feiten en kan haar procespositie dus al beoordelen. Bovendien beschikken de getuigen niet over relevante informatie, maakt Investors Recovery misbruik van bevoegdheid, zijn getuigenverhoren in strijd met de eisen van een goede procesorde en verzet een zwaarwegend belang zich daartegen. 3.10. Subsidiair verzoekt de bank een toewijzende beschikking niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, te bepalen dat bepaalde gegevens zwart mogen worden gemaakt, te bepalen dat alleen bepaalde personen via een beveiligd online portaal kennis mogen nemen van de stukken, en te bepalen dat Investors Recovery de stukken niet met derden mag delen op straffe van een dwangsom. Verder verzoekt de bank bepaalde termijnen toe te staan en Investors Recovery te veroordelen tot betaling van een voorschot aan de bank van € 200.000 voor de kosten die de bank moet maken als zij de verzochte documenten moet aanleveren. 4De beoordeling Bevoegdheid en toepasselijk recht 4.1. Investors Recovery is niet in Nederland gevestigd, waardoor de rechtbank ambtshalve haar internationale rechtsmacht en het toepasselijk recht zal moeten beoordelen. De rechterlijke bevoegdheid bij voorlopige bewijsverrichtingen wordt volgens vaste rechtspraak ontleend aan de bevoegdheid om kennis te nemen van het bodemgeschil. Nu de bank in Nederland is gevestigd en de voorgenomen bodemvordering een burgerlijke of handelszaak betreft van na 10 januari 2015, is deze rechtbank op basis van de hoofdregel van artikel 4 lid 1 Brussel I bis ten aanzien van beide verzoeken internationaal bevoegd. Uit artikel 10:3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat op de wijze van procederen, waaronder begrepen het al dan niet uitvoeren van voorlopige bewijsverrichtingen, ten overstaan van de Nederlandse rechter het Nederlandse recht van toepassing is. 4.2. Op deze zaak is het bewijsrecht van toepassing zoals dat luidde vóór 1 januari 2025, aangezien het verzoekschrift voor die datum is ingediend. Nadere akte Investors Recovery 4.3. Investors Recovery heeft verzocht of zij zich na de mondelinge behandeling schriftelijk mag uitlaten over het door de bank gevoerde verweer. Zij noemt als reden hiervoor dat het verweerschrift zeer omvangrijk is en zij niet op alle verweren kan reageren tijdens de zitting. De bank heeft hiertegen bezwaar gemaakt en onder meer aangevoerd dat zij het verweerschrift ruim voor de zitting heeft moeten aanleveren en de bank bovendien geen voor Investors Recovery onbekende informatie heeft gebruikt om haar verweren te onderbouwen. 4.4. De rechtbank volgt de bank hierin. Met de door rechtbank bepaalde ruime termijn tussen het indienen van het verweerschrift en de mondelinge behandeling en de op verzoek van Investors Recovery verlengde spreektijd is voldoende gewaarborgd dat Investors Recovery adequaat op de verweren kon reageren en bestaat geen aanleiding voor een nadere schriftelijke ronde. Formele eisen 4.5. Investors Recovery heeft in het verzoekschrift wel vermeld dat mogelijk ook een vorderingsrecht bestaat tegen voormalig bestuurders en commissarissen van de bank, maar hen niet als verweerders of belanghebbenden aangemerkt. Dit was ten onrechte. Als potentiële gedaagden in de door Investors Recovery voorgenomen bodemprocedure zijn zij in ieder geval belanghebbenden. 4.6. Uit hetgeen hierna volgt zal blijken dat de verzoeken niet worden toegewezen. Om die reden bestaat geen aanleiding om de voormalig bestuurders en commissarissen alsnog op te roepen om op de verzoeken te worden gehoord. Geldigheid van de cessie 4.7. De rechtbank oordeelt dat Investors Recovery voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij van één belegger eventueel bestaande vorderingsrechten heeft overgenomen. 4.8. Investors Recovery stelt dat zij de rechten van 117 beleggers heeft verkregen. Als voorbeeld heeft zij een participation agreement overgelegd tussen haar en de investeerder Fidelity Investments Funds IX (Fidelity) uit Londen. Daarin heeft Fidelity volgens Investors Recovery aanspraken tegen de bank en haar functionarissen overgedragen, die strekken tot vergoeding van verliezen voortvloeiend uit – kort gezegd – de verwerving van certificaten van aandelen in de bank. Een custodian statement van JPMorgan Chase Bank vermeldt dat zij ten behoeve van Fidelity geen certificaten van aandelen in de bank hield op 20 november 2015 en dat zij 231.446 van die certificaten hield op 8 oktober 2021. 4.9. Hiermee is naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk dat Fidelity certificaten van aandelen in de bank heeft gekocht in de periode voor 8 oktober 2021 en dat zij eventuele daaruit voortvloeiende rechten heeft overgedragen aan Investors Recovery. Weliswaar heeft de bank erop gewezen dat Fidelity volgens de participation agreement ‘shares’ en niet certificaten hield, maar het in de participation agreement vermelde identificatienummer komt overeen met het identificatienummer van de certificaten in het overgelegde custodian statement. Daarmee is voldoende duidelijk dat het gaat om certificaten van aandelen in de bank. 4.10. Niet van belang is of Investors Recovery van Fidelity een procesvolmacht heeft gekregen. Zij procedeert in eigen naam om een aan haar door Fidelity overgedragen vorderingsrecht geldend te maken. Investors Recovery heeft dus een eigen belang (artikel 3:303 BW) bij haar verzoeken. Voor de overige investeerders heeft Investors Recovery echter niets laten zien waaruit kan worden opgemaakt dat zij op enig moment certificaten van aandelen in de bank hielden en evenmin dat zij hun daarmee verband houdende gestelde vorderingen aan Investors Recovery zouden hebben overgedragen, wat de bank heeft betwist. 4.11. Investors Recovery heeft bovendien enkel ten aanzien van Fidelity toegelicht waarom, en op welke momenten deze belegger door het handelen van de bank schade zou hebben geleden waardoor deze een vorderingsrecht op de bank zou hebben. Dat heeft zij niet gedaan voor de overige 116 beleggers waarvan zij de vorderingsrechten stelt te hebben overgenomen. Evenmin heeft zij gesteld dat de vorderingen tegen de bank voor iedere belegger gelijk zijn en los staan van individuele feiten en omstandigheden. Dat alles betekent dat de rechtbank de verzoeken alleen zal beoordelen voor zover zij relevant zijn voor de positie van Fidelity als belegger. Exhibitieverzoek 4.12. Artikel 843a (oud) Rv is van toepassing. 4.13. Het Nederlandse recht kent geen algemene exhibitieplicht waarbij partijen verplicht zijn elkaar informatie en documenten te verschaffen, voorafgaand aan een procedure of anderszins. Hoofdregel is dat iemand onder hem berustende bescheiden niet aan een ander ter inzage of in afschrift hoeft te geven. Daarop vormt artikel 843a (oud) Rv een uitzondering met drie cumulatieve voorwaarden om fishing expeditions te voorkomen. Deze voorwaarden zijn: ˗ een rechtmatig belang bij afgifte of inzage, ˗ voldoende bepaalbaarheid van de bescheiden, ˗ aangaande een rechtsbetrekking waarin de verzoeker of zijn rechtsvoorgangers partij zijn. 4.14. De rechtbank oordeelt dat Investors Recovery de rechtsbetrekking waarop het verzoek is gebaseerd onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. 4.15. De gestelde rechtsbetrekking zou bestaan uit een vordering tot schadevergoeding vanwege een onrechtmatige daad. Investors Recovery dient derhalve gemotiveerd zodanige feiten en omstandigheden te stellen en met eventueel reeds voorhanden bewijsmateriaal te onderbouwen, dat voldoende aannemelijk is dat die onrechtmatige daad zich heeft voorgedaan. Zie Hoge Raad 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1251, overweging 3.1.4 (Semtex). 4.16. Het ligt daarmee op de weg van Investors Recovery om in de eerste plaats voldoende aannemelijk te maken dat de bank (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.