RECHTBANK AMSTERDAM Civiel recht Kantonrechter Zaaknummer: 11405145 \ CV EXPL 24-14626 Vonnis van 4 juli 2025 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: mr. I.M. Mos-Bolier, tegen
- de stichting STICHTING THEATRUM VITAE,
- de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid STIJN & ZO HOLDING B.V., beide gevestigd te Amsterdam, gedaagden, hierna samen te noemen Theatrum Vitae c.s. en afzonderlijk Theatrum Vitae en Stijn, gemachtigde: mr. M.H.J. van Riessen. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 31 oktober 2024, met producties, - de conclusie van antwoord, met producties, - het tussenvonnis van 4 februari 2025, waarin de mondelinge behandeling is bepaald, - de op 20 mei 2025 binnengekomen akte met producties van [eiser] , - de mondelinge behandeling van 3 juni 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt die zich in het dossier bevinden. 1.
- Daarna is bepaald dat vandaag een vonnis wordt uitgesproken. 2De feiten 2.
- [eiser] verricht zakelijke dienstverlening op het gebied van evenementenorganisatie en horecaontwikkeling. 2.
- Theatrum Vitae exploiteert theaters en laat in samenwerking met Stijn culturele programmeringen uitvoeren. 2.
- Theatrum Vitae en Stijn wilden op enig moment een ‘general manager’ aantrekken om leiding te geven aan verschillende theaters van Theatrum Vitae en het project “TenClub”. In dat verband zijn zij via een recruitmentbureau in contact gekomen met [eiser] . 2.
- Op 12 oktober 2023 hebben Theatrum Vitae en Stijn ieder een – inhoudelijk gelijke – overeenkomst van opdracht gesloten met [eiser] . Partijen hebben daarin afgesproken dat [eiser] de functie van ‘general manager’ zou bekleden tegen een door zowel Theatrum Vitae als Stijn te betalen maandelijkse vergoeding van € 4.250 exclusief 21% btw. Verder hebben partijen vastgelegd dat [eiser] die vergoeding maandelijks achteraf zou factureren en dat [eiser] voor niet gewerkte dagen een dagtarief in mindering zou brengen op de maandelijkse factuur. De overeenkomsten zijn aangegaan voor de periode van 16 oktober 2023 tot 15 maart
- 2.
- Op enig moment is tussen partijen onvrede ontstaan over het verloop van hun samenwerking. Daarover hebben zij op 9 januari 2024 overleg gevoerd en vervolgens besloten de samenwerking voort te zetten. 2.
- Op vrijdag 26 januari 2024 heeft Theatrum Vitae c.s. aan [eiser] gemaild dat zij de samenwerking met [eiser] per 1 februari 2024 stopzet en voor die datum nog een aantal punten opgeleverd wil zien. Op dezelfde dag heeft [eiser] geantwoord dat hij in zijn laatste drie werkdagen naar eigen inzicht de door Theatrum Vitae c.s. genoemde opleverpunten zou afwikkelen en dat hij ervan uitgaat dat dit geen gevolgen heeft voor de door hem over de maand januari 2024 te factureren vergoeding. 2.
- In reactie daarop heeft Theatrum Vitae c.s. op zondag 28 januari 2024 aan [eiser] gemaild dat zij de opdracht met onmiddellijke ingang beëindigt, omdat zij er – naar aanleiding van zijn reactie – geen vertrouwen meer in heeft dat [eiser] zijn werkzaamheden op zorgvuldige wijze zal afronden. 2.
- Op 1 februari 2024 heeft [eiser] de vergoedingen voor de maand januari 2024 van € 3.724,26 en € 5.142,50 aan Theatrum Vitae respectievelijk Stijn gefactureerd. Theatrum Vitae en Stijn hebben die facturen niet betaald. 2.
- [eiser] heeft Theatrum Vitae en Stijn bij brieven van 6 en 11 maart 2024 gesommeerd tot betaling van voornoemde facturen. 2.
- Op 6 augustus 2024 heeft [eiser] aan Theatrum Vitae en Stijn afzonderlijk een vergoeding voor de maand februari en de periode 1 tot en met 15 maart 2024 van ieder € 7.915,18 gefactureerd. Theatrum Vitae en Stijn hebben die facturen niet betaald. 3Het geschil 3.
- [eiser] heeft bij dagvaarding – samengevat – gevorderd dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis: Theatrum Vitae: veroordeelt tot betaling van € 11.639,44, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente; veroordeelt tot betaling van € 891,39 aan buitengerechtelijke incassokosten; Stijn: veroordeelt tot betaling van € 13.057,68, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente; veroordeelt tot betaling van € 905,58 aan buitengerechtelijke incassokosten; Theatrum Vitae c.s.: - veroordeelt hoofdelijk in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.
- Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] zijn vorderingen beperkt tot € 25.000 en uitdrukkelijk afstand gedaan van het meerdere. 3.
- [eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat Theatrum Vitae en Stijn op grond van de overeenkomsten de door hem over de maanden januari tot en met maart 2024 gefactureerde managementvergoedingen moeten betalen. Volgens [eiser] zijn partijen duurovereenkomsten voor bepaalde tijd aangegaan zonder tussentijdse opzegmogelijkheid. Theatrum Vitae c.s. heeft zonder wederzijds goedvinden de overeenkomsten opgezegd, zodat sprake is van een onregelmatige beëindiging. 3.
- Theatrum Vitae c.s. voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de proceskosten. Volgens Theatrum Vitae c.s. is de overeenkomst beëindigd met wederzijds goedvinden, zodat zij de facturen van [eiser] over de maanden februari maart 2024 niet hoeft te betalen. Daarnaast hoeft zij de facturen over de maand januari 2024 niet te betalen, omdat [eiser] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeengekomen werkzaamheden. 3.
- Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling de overeenkomsten zijn op 28 januari 2024 beëindigd door opzegging 4.
- De eerste vraag die moet worden beantwoord is wanneer de tussen partijen gesloten overeenkomsten zijn geëindigd. De kantonrechter is van oordeel dat de overeenkomsten op 28 januari 2024 door opzegging zijn geëindigd en legt hierna uit waarom. 4.
- Voorop staat dat partijen met elkaar overeenkomsten van opdracht hebben gesloten in de zin van artikel 7:400 Burgerlijk Wetboek (BW). Daarbij traden Theatrum Vitae en Stijn op als opdrachtgevers en trad [eiser] op als opdrachtnemer. Op grond van artikel 7:408 BW is de opdrachtgever te allen tijde bevoegd de overeenkomst op te zeggen. Dat geldt ook voor overeenkomsten die voor bepaalde tijd zijn aangegaan, zoals hier het geval is. 4.
- Theatrum Vitae c.s. heeft de overeenkomsten met [eiser] op 28 januari 2024 per e-mail met onmiddellijke ingang opgezegd. Gezien het wettelijke uitgangspunt artikel 7:408 BW mocht Theatrum Vitae c.s. dat in beginsel ook doen. Er kunnen beperkingen aan de opzegbaarheid zijn, bijvoorbeeld wanneer een bepaalde opzegtermijn is overeengekomen of de eisen van de redelijkheid en billijkheid dat vergen. Daarvan is in dit geval geen sprake. Een opzegtermijn is niet overeengekomen en dat de redelijkheid en billijkheid dit vereisen is niet gebleken. 4.
- De overeenkomsten zijn dus op 28 januari 2024 beëindigd. Dit heeft tot gevolg dat [eiser] recht heeft op betaling van de facturen die zien op de periode van vóór de opzegging (januari). [eiser] heeft echter geen recht op betaling van de facturen die zien op de periode na de opzegging (februari en maart). Dit oordeel wordt hierna uitgelegd. Theatrum Vitae c.s. moet de facturen over januari 2024 (tot en met de 28e) betalen 4.
- [eiser] vordert nakoming van zijn facturen over de maand januari 2024 (tot en met de 28e), waarin hij nog wel gewerkt heeft voor Theatrum Vitae c.s. Daar heeft hij in beginsel recht op, want hoewel de overeenkomsten zijn beëindigd, moet de opdrachtgever wel betalen voor de reeds verrichte maar nog niet gefactureerde werkzaamheden. 4.
- Volgens Theatrum Vitae c.s. hoeft zij deze facturen niet te betalen, omdat [eiser] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeengekomen werkzaamheden. Of sprake is van een tekortkoming aan de zijde van [eiser] kan in het midden blijven. Er is namelijk niet gebleken dat Theatrum Vitae c.s. [eiser] (voldoende) in gebreke heeft gesteld. Dat Theatrum Vitae c.s. [eiser] verschillende keren heeft aangesproken op zijn functioneren, zoals zij stelt, is daarvoor onvoldoende. De functie van een ingebrekestelling is om de schuldenaar nog een laatste termijn voor nakoming te geven en aldus te bepalen tot welk tijdstip nakoming nog mogelijk is zonder dat van een tekortkoming sprake is. Kort gezegd: het moet voor de schuldenaar duidelijk zijn dat hij of zij een laatste kans heeft om te presteren. Zonder een dergelijke ingebrekestelling staat niet vast dat [eiser] in verzuim is geraakt, zodat reeds op die grond het verweer van Theatrum Vitae c.s. niet slaagt. 4.
- Gezien het bovenstaande wijst de kantonrechter de vorderingen van [eiser] toe voor zover deze zien op de betaling van de facturen over januari
- Dit betekent dat Theatrum Vitae een bedrag van € 3.724,26 en Stijn een bedrag van € 5.142,50 aan [eiser] moet betalen. Het verschil laat zich verklaren doordat de vermindering met het dagtarief voor 29 tot en met 31 januari op één factuur is verwerkt. Desgevraagd hebben partijen op zitting bevestigd dat het totaal van beide facturen klopt en de overeengekomen vergoeding bedraagt voor 1 tot en met 28 januari
- Theatrum Vitae c.s. hoeft de facturen over februari en maart 2024 niet te betalen 4.
- [eiser] kan geen nakoming vorderen van de facturen over februari en maart
- Voor deze maanden bestaat immers geen betalingsverplichting meer voor Theatrum Vitae c.s., omdat de overeenkomsten zijn beëindigd op 28 januari
- 4.
- Onder omstandigheden heeft een opdrachtnemer op grond van artikel 7:411 BW recht op een redelijk loon indien de opdracht eindigt voordat de opdracht is volbracht of de tijd waarvoor zij is verleend is verstreken. Deze bepaling geldt echter niet voor opdrachten waarbij de vergoeding wordt voldaan per tijdseenheid. In die gevallen ontstaan de aanspraken van de opdrachtnemer immers gaandeweg de opdracht en worden zij doorgaans ook periodiek afgerekend. Dat is hier het geval. [eiser] werd per maand betaald en niet-gewerkte dagen werden in mindering gebracht op de maandelijkse factuur. Daarom is de regeling van artikel 7:411 BW niet van toepassing. 4.
- Ook op andere gronden heeft [eiser] geen recht op een vergoeding over de maanden februari en maart
- [eiser] heeft nog naar voren gebracht dat de opzegging als een verrassing kwam en hij niet op korte termijn een nieuwe opdracht kon vinden. Voor zover [eiser] hiermee een beroep heeft willen doen de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid, slaagt dit beroep niet. Tijdens het overleg van 9 januari 2024 heeft [eiser] zelf voorgesteld om de samenwerking te stoppen. Hoewel partijen daarna zijn doorgegaan, kon het voor [eiser] niet als een verassing komen dat er een einde zou kunnen komen aan de samenwerking. Daarnaast heeft [eiser] na de opzegging geen werkzaamheden meer verricht voor Theatrum Vitae c.s., zodat er geen redelijk grond is voor een vergoeding over de maanden februari en maart
- wettelijke handelsrente 4.
- [eiser] vordert de wettelijke handelsrente. Deze vordering wordt – voor zover deze ziet op de facturen over januari 2024 – toegewezen zoals hierna in de beslissing is vermeld nu het een handelsovereenkomst betreft. buitengerechtelijke incassokosten 4.
- [eiser] vordert ook vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van Theatrum Vitae en Stijn. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. 4.
- Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. De kantonrechter zal het bedrag dan ook toewijzen tot dit tarief. Van de door [eiser] gevorderde buitengerechtelijke kosten van Theatrum Vitae en Stijn wordt respectievelijk een bedrag van € 497,43 en € 632,13 toegewezen. proceskosten 4.
- Omdat partijen over en weer gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. uitvoerbaarheid bij voorraad 4.
- De veroordelingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dit betekent dat de veroordelingen ook moeten worden uitgevoerd als tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld en zolang daarop niet anders is beslist. 5De beslissing De kantonrechter 5.
- veroordeelt Theatrum Vitae om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 3.724,26, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, vanaf 10 februari 2024 tot de dag van volledige betaling, 5.
- veroordeelt Stijn om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 5.142,50, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, vanaf 10 februari 2024 tot de dag van volledige betaling, 5.
- veroordeelt Theatrum Vitae om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 497,43 aan buitengerechtelijke kosten, 5.
- veroordeelt Stijn om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 632,13 aan buitengerechtelijke kosten, 5.
- compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, 5.
- verklaart de veroordelingen onder 5.1 t/m 5.4 uitvoerbaar bij voorraad, 5.
- wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. M.L.S. Kalff, kantonrechter, bijgestaan door mr. J.G.H. Tonnaer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 juli
- Zie artikel 6:74 lid 2 BW in samenhang met artikel 6:82 lid 1 BW. Zie Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 7 titels 1, 7, 9 en 14 1991, p. 378.