RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-116200-25 Datum uitspraak: 12 juni 2025 UITSPRAAK op de vordering van 2 mei 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 7 april 2025 door het Federaal Parket van België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren in [geboorteplaats] (Joegoslavië) op [gebroortedag] 1990, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, uit anderen hoofde gedetineerd in de [detentieplaats] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 12 juni 2025, in aanwezigheid van mr. N.R. Bakkenes, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S.J. Römer, advocaat in Amsterdam. De rechtbank heeft op 12 juni 2025 het onderzoek gesloten en direct uitspraak gedaan. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een Internationaal aanhoudingsbevel bij verstek, uitgevaardigd door een rechter bij de Franstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op 31 maart 2025 (de rechtbank merkt op dat de maand foutief is vertaald met 31 oktober 2025 terwijl in het originele EAB en het a-formulier 31/03/2025 vermeld staat). De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Belgisch recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. 3.1 Weigeringsgrond artikel 2 OLW Standpunt verdediging De raadsman heeft naar voren gebracht dat het doel van het EAB was om de opgeëiste persoon op zijn verzoek tijdelijk naar België over te brengen in de periode van 26 mei tot en met 5 juni 2025, zodat hij bij de zitting in de Belgische strafzaak op 4 juni 2025 aanwezig kon zijn. De Belgische advocaat van de opgeëiste persoon heeft op de zitting in België van 31 maart 2025 namelijk aangegeven dat de opgeëiste persoon graag gebruik wilde maken van zijn aanwezigheidsrecht. De bedoeling was dat – nu de opgeëiste persoon uit anderen hoofde gedetineerd zit – er toestemming zou worden gegeven dat hij voor één dag naar België zou mogen, zodat hij het proces in België kon bijwonen door middel van een incidenteel verlof of strafonderbreking. De Belgische autoriteiten hebben een EAB uitgevaardigd, omdat dit de snelste manier leek om de opgeëiste persoon naar België over te brengen voor de zitting van 4 juni 2025. De behandeling van het EAB is echter niet snel genoeg op zitting gepland en inmiddels heeft de zitting in België al plaatsgevonden. De opgeëiste persoon kon aldus niet aanwezig zijn bij deze zitting en de behandeling van de zaak is daarom uitgesteld. Er moet nog een nieuwe zittingsdatum gepland worden. De Belgische advocaat van de opgeëiste persoon is in overleg met de Belgische officier van justitie om te kijken of het EAB kan worden ingetrokken en of er niet een andere mogelijkheid is om hem in België bij de behandeling van zijn strafzaak aanwezig te laten zijn, maar hier is nog geen antwoord op gekomen. Voordat dit EAB werd uitgevaardigd, zat de opgeëiste persoon in Nederland in detentiefasering, nu hij zijn Nederlandse staf van 45 maanden bijna uitgezeten had. Hij mocht van maandag tot en met vrijdag overdag naar buiten om te werken. In de weekenden was hij vrij en kon hij tijd met familie doorbrengen en hij had een telefoon. Sinds 25 april 2025 zijn deze verloven (vanwege het EAB en als gevolg daarvan de overleveringsdetentie) ingetrokken en zit hij weer in een streng regime binnen de penitentiaire inrichting. Standpunt officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan. Er ligt nog steeds een EAB nu de Belgische autoriteiten niet hebben aangegeven dat het EAB is ingetrokken. Hierop moet beslist worden. Dat er in het EAB specifiek melding van wordt gemaakt dat het EAB is uitgevaardigd voor een bepaalde periode en deze periode nu verstreken is, maakt niet dat de overlevering op grond daarvan kan worden geweigerd. Voorgaande is immers geen weigeringsgrond volgens de OLW. Het doel van het EAB is nog steeds om de opgeëiste persoon bij zijn proces in België aanwezig te laten zijn. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat als de rechtbank toch nog vragen heeft of België het EAB handhaaft, de behandeling van het EAB kan worden aangehouden om hierover vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Oordeel rechtbank De rechtbank overweegt dat in het EAB onder
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.