RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 25/58 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juli 2025 in de zaak tussen [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. R.A. Dayala), en de minister van Financiën, verweerder (gemachtigde: mr. S. Salhi). Samenvatting
- Eiseres is slachtoffer van de Toeslagenaffaire. Deze uitspraak gaat over de weigering van de minister om schulden van eiseres af te betalen op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres is het hier niet mee eens en voert hiertoe aan dat de minister heeft gehandeld in strijd met de algemene beginselen van bestuur, met name met het zorgvuldigheidsbeginsel, het verbod op willekeur en het motiveringsbeginsel. Ook heeft er volgens eiseres geen belangenafweging plaatsgevonden bij het nemen van het bestreden besluit. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank over de weigering tot overname van de schulden. 1.
- De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de schulden van eiseres bij Rochedale en Kind abc terecht niet heeft overgenomen. Enkel betalingen die eiseres heeft verricht op of na 14 juli 2022 komen voor terugbetaling in aanmerking, mits ook aan de overige wettelijke voorwaarden is voldaan. Eiseres heeft haar schulden ruim voor deze datum al afbetaald. Aangezien de wetgever een gemotiveerde keuze heeft gemaakt om onder de regeling van artikel 4.3 Wht alleen al afgeloste schulden te compenseren die betaald zijn met een bedrag dat vanuit de hersteloperatie is ontvangen, kunnen deze schulden van eiseres onder de Wht niet worden overgenomen. Het beroep van eiseres op de verschillende algemene beginselen van behoorlijk bestuur slagen ook niet. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Wat aan deze procedure voorafging
- Eiseres is erkend gedupeerde van de Toeslagenaffaire. Zij heeft een schuldenlijst toegestuurd aan Sociale Banken Nederland (SBN) met daarop een aantal schulden bij verschillende schuldeiseres. Eiseres heeft de SBN verzocht om deze schulden op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) over te nemen.
- Met het primaire besluit van 16 augustus 2024 heeft de SBN, namens de minister, beslist op de overname van deze schulden. SBN heeft met verwijzing naar een cijfercode bepaald dat de schulden bij Rochedale
(2x), Kind abc en Dwi niet over te nemen.
- Eiseres was het hier niet mee eens en heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering tot overname van deze schulden. Met het bestreden besluit van 6 december 2024 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de weigering tot overname schulden gebleven. Eiseres heeft vervolgens beroep ingesteld tegen het bestreden besluit omdat zij vindt dat de minister de twee schulden bij Rochedale en de schuld bij Kind abc had moeten overnemen. De minister heeft gereageerd met een verweerschrift. 4.
- De rechtbank heeft het beroep op 20 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van eiseres deelgenomen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door bovengenoemde gemachtigde. Beoordeling door de rechtbank
- De rechtbank beoordeelt of verweerder terecht heeft geweigerd om de twee schulden van eiseres bij Rochedale en de schuld bij Kind abc over te nemen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
- De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Zij zal dit hieronder verder toelichten.
- Het terugbetalen van reeds betaalde private schulden door de SBN vindt plaats op grond van hoofdstuk 4 van de Wht. Artikel 4.3., eerste lid van de Wht bepaalt, voor zover hier van belang, dat verweerder aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt de Catshuisregeling op aanvraag compensatie verleent voor een afgeloste geldschuld die op grond van artikel 4.1 Wht voor overneming in aanmerking zou komen als deze niet voldaan was. Eén van de voorwaarden die artikel 4.1., tweede lid, stelt voor overname van een geldschuld is dat het gaat om een geldschuld die voor 1 juni 2021 opeisbaar is geworden. 7.
- Op grond van het derde lid, en onder a, van artikel 4.
- van de Wht, voor zover hier van belang, wordt de compensatie verleend voor een geldschuld en kosten die zijn voldaan door een aanvrager na de ontvangst van de Catshuisregeling. 7.
- Om voor de hiervoor genoemde compensatie in aanmerking te komen, moet sprake zijn van voldoening van een schuld na ontvangst van het compensatiebedrag. Eiseres is in eerste instantie bij de lichte toets voor compensatie afgewezen en heeft daarom pas op 27 mei 2024, na de integrale toets, de Catshuisregeling uitgekeerd gekregen. Schulden die voor die datum zijn betaald, vallen buiten de reikwijdte van deze regeling. Voor ouders als eiseres, die bij de lichte toets zijn afgewezen, maar bij de integrale beoordeling alsnog als gedupeerde ouder zijn erkend, heeft de wetgever een aanvullende regeling getroffen. In die gevallen kan een al betaalde schuld worden terugbetaald, indien die schuld voldoet aan de voorwaarden en is voldaan tussen het moment van de dagtekening van de beschikking van de Belastingdienst/Toeslagen waarin de ouder bij de lichte toets is afgewezen als gedupeerde ouder. Dit is in het geval van eiseres op 14 juli
- 7.
- De verschillende schulden die eiseres overgenomen wil hebben, zijn oudere schulden uit de jaren 2014-2016, die door eiseres in die jaren al zijn terugbetaald, zij het met veel moeite. Dit betekent dat de schulden van eiseres niet voldoen aan het vereiste dat deze schulden op of na 14 juli 2022 moeten zijn afbetaald. Aangezien de wetgever een gemotiveerde keuze heeft gemaakt om onder de regeling van artikel 4.3 Wht alleen al afgeloste schulden te compenseren die betaald zijn met een bedrag dat vanuit de hersteloperatie is ontvangen, kunnen deze schulden van eiseres onder de Wht niet worden overgenomen. De rechtbank kan daarom ook niet anders oordelen dan dat verweerder deze schulden terecht niet heeft overgenomen.
- De beroepsgronden van eiseres die zien op het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het ontbreken van een causaal verband, volgt de rechtbank niet. De bestreden beslissing is tot stand gekomen op basis van de toepassing van de Wht. Door verweerder is voldoende duidelijk gemotiveerd welke criteria zijn gebruikt bij het beoordelen. Dat de schulden van eiseres niet aan deze voorwaarden voldoen, kan niet als onzorgvuldig worden bestempeld. Het causaliteitsvereiste is daarnaast geen beoordelingscriterium voor hoofdstuk 4 van de Wht en ook expliciet bij de toepassing van deze regeling losgelaten. Voor zover de gemachtigde van eiseres heeft geprobeerd te betogen dat eiseres aan de naam van het loket “Al betaalde schulden” vertrouwen kon ontlenen, volgt de rechtbank dit ook niet. De benaming van een loket is veel te algemeen om daaraan een toezegging te ontlenen dat de specifieke schulden van eiseres zouden worden overgenomen.
- Eiseres stelt zich daarnaast op het standpunt dat er sprake is van ongelijke behandeling ten opzichte van andere ouders wiens schulden wel zijn vergoed. De rechtbank volgt dit standpunt ook niet. De wetgever heeft beoogd dat schulden die reeds zijn afbetaald in beginsel niet voor overname in aanmerking komen. Dat kan anders zijn als de ouder het herstelbedrag heeft ontvangen en dat heeft gebruikt om een geldschuld te betalen die anders door de overheid zou zijn overgenomen. De wetgever heeft duidelijk beoogd om verschil te maken tussen afgeloste private schulden die wel, en afgeloste private schulden die niet gecompenseerd worden en dat verschil afhankelijk gemaakt van de mogelijkheid om gelden van bijvoorbeeld de Catshuisregeling besteedbaar te houden zodat zoveel mogelijk een nieuwe start kan worden gemaakt. Die afweging hangt dus samen met het door de wetgever beoogde doel van de schuldenaanpak, waarover hij heeft opgemerkt dat het doel van de schuldenregeling niet is om het onrecht in het verleden te herstellen, waarvoor hij andere trajecten in het leven heeft geroepen. Daarbij heeft hij ook onderkend dat dit zorgt voor situaties die onrechtvaardig kunnen voelen. Dat de schulden van eiseres niet aan de criteria voldoen zoals deze zijn gegeven in hoofdstuk 4 van de Wht en daardoor niet kunnen worden overgenomen, wil echter niet zeggen dat er voor eiseres helemaal geen mogelijkheid meer bestaat om deze schulden vergoed te krijgen. Zij kan bij de Commissie Werkelijke Schade verzoeken om schadeloosstelling voor deze schulden die volgens haar het gevolg zijn van de toeslagenaffaire.
- De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder deze schulden van eiseres terecht niet heeft overgenomen. Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.W. Jansen, rechter, in aanwezigheid van mr. F. van der Maas, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 9 juli
- griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Artikel 2.
- van de Wht. Artikel 4.3, derde lid, onder a van de Wht. Zie ook de uitspraak van 12 februari 2025 van de Afdeling bestuursrechtspraak (Afdeling) van de Raad van State ECLI:NL:RVS:2025:532, r.o. 7.
- Zie Kamerstukken II 2021/22, 36151, nr. 3, p.
- Uitspraak van de Afdeling 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:532, r.o. 7-5- 7.7; Kamerstukken II 2021/22, 36151, nr. 3, p. 161.