← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2025:4977

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-087871-25 Datum uitspraak: 15 juli 2025 UITSPRAAK op de vordering van 1 mei 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 16 december 2024 door het Amtsgericht Regensburg, Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [BRP-adres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 1 juli 2025, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S. Melliti, advocaat in Utrecht. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een arrestatiebevel voorlopige hechtenis van 16 december 2024 uitgevaardigd door het Amtsgericht Regensburg in Duitsland met dossiernummer: III Gs 5108/24. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Duits recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. 4Genoegzaamheid Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht de overlevering te weigeren en heeft daartoe bepleit dat de omschrijving van het feit in onderdeel

  1. e)van het EAB niet genoegzaam is. Uit de feitomschrijving blijkt namelijk onvoldoende op welke pleeglocatie- en datum – anders dan dat dit in Nederland zou moeten zijn geweest – het strafbare feit zou zijn gepleegd. Bovendien is in het EAB niet vermeld op welke wijze de opgeëiste persoon betrokken zou zijn geweest bij de illegale handel in verdovende middelen. De verdenking is daarmee onvoldoende duidelijk omschreven waardoor niet kan worden beoordeeld of het specialiteitsbeginsel voldoende wordt gewaarborgd. Standpunt van de officier van justitie Volgens de officier van justitie moet het EAB in samenhang met het A-formulier worden gelezen. Uit de feitomschrijving is voldoende duidelijk geworden dat de opgeëiste persoon wordt verdacht van betrokkenheid bij de invoer van en handel in verdovende middelen. De pleegplaats (Nederland en Duitsland) en pleegdatum (kort voor 10 april 2024) volgen uit het EAB en het A-formulier. Daarmee is de omschrijving van het feit genoegzaam. Oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen. In deze zaak is het volgende van belang. Uit de feitomschrijving onder
  2. e)van het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon ervan wordt verdacht dat hij omstreeks 10 april 2024 behulpzaam zou zijn geweest bij de handel in en invoer van verdovende middelen in Duitsland. De opgeëiste persoon zou vermoedelijk in Nederland 4,981 kilo MDMA en 7,979 kilo hasj hebben verpakt. De verdovende middelen zouden vervolgens door een medeverdachte zijn vervoerd over de snelweg A3 in de richting van Passau in Duitsland. Daarnaast vermeldt het EAB dat de opgeëiste persoon als “hulp” wordt aangemerkt. Op grond van deze feitomschrijving is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een genoegzame omschrijving van het strafbare feit waarvan de opgeëiste persoon in Duitsland wordt verdacht en dat voldoende duidelijk is in welke mate de opgeëiste persoon bij dit feit betrokken zou zijn geweest. Het verweer van de raadsvrouw wordt daarom verworpen. 5Strafbaarheid Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland onder nummer 5 in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten: illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 6De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn belangen in Nederland gevestigd. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan. Het Internationaal Rechtshulpcentrum van het Openbaar Ministerie (IRC) heeft in dat verband op 3 juni 2025 het volgende verzoek gedaan aan de Duitse autoriteiten: “With reference to the European Arrest Warrant issued on 16 December 2024 (ref. III Gs 5116/24), concerning [de opgeëiste persoon] , born on [geboortedag] 1994 in [geboorteplaats] (the Netherlands), I hereby request additional information. [de opgeëiste persoon] is a Dutch national. As a consequence, pursuant to Article 5, paragraph 3, of the Framework Decision on the European Arrest Warrant (2002/584/JHA), and Article 6, paragraph 1, of the Dutch Surrender Act, the surrender may only be authorized after it can be guaranteed that, in case [de opgeëiste persoon] after the surrender is sentenced to an unconditional and irrevocable prison sentence in Germany, he will be allowed to carry out this punishment in the Netherlands (pursuant to the European Framework Decision 2008/909/JBZ).” De Procureur van de Republiek in Regensburg heeft op 5 juni 2025 ten behoeve van de opgeëiste persoon de volgende garantie gegeven: “Uitlevering van de staatsburger [de opgeëiste persoon] , GEBOREN OP [geboortedag] 1994 in [geboorteplaats] (NEDERLAND) vanuit het Koninkrijk der Nederlanden aan de Bondsrepubliek Duitsland met het oog op de strafrechtelijke vervolging wegens medeplichtigheid aan het handeldrijven in verdovende middelen. (…) Het Openbaar Ministerie Regensburg verzekert dat de vervolgde in geval van een onherroepelijke veroordeling door een Duitse rechtbank tot een gevangenisstraf, die ten uitvoer gelegd dient te worden, deze straf in het Koninkrijk der Nederlanden kan uitzitten.” Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie, gelezen in samenhang met de door het IRC gestelde vraag, voldoende. 7Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW Het EAB ziet op een feit dat geacht wordt geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren. Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft bepleit dat de overlevering dient te worden geweigerd, omdat de handelingen waarvan de opgeëiste persoon een verwijt wordt gemaakt geheel zijn gepleegd op Nederlands grondgebied en de opgeëiste persoon een zwaarwegend persoonlijk belang heeft bij strafvervolging in Nederland. De opgeëiste persoon heeft namelijk zijn hele leven in Nederland en wordt momenteel begeleid in het kader van een schorsing van de voorlopige hechtenis in een Nederlandse strafzaak. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie verzoekt de rechtbank af te zien van deze weigeringsgrond en heeft daartoe het volgende aangevoerd: Het onderzoek is in Duitsland aangevangen; Het bewijs en de verdovende middelen bevinden zich in Duitsland; De medeverdachte is in Duitsland berecht; De Nederlandse autoriteiten zijn niet voornemens om de opgeëiste persoon voor deze feiten te vervolgen. Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt voorop dat: - Aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn; - De gedachte achter deze facultatieve weigeringsgrond is, te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd. De rechtbank stelt vast dat in het licht van de door de officier van justitie gegeven argumenten het gegeven dat het feit wordt geacht geheel of gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd, onvoldoende aanleiding geeft om de weigeringsgrond toe te passen. Hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd, is onvoldoende voor de rechtbank om tot een ander oordeel te komen. 8Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 9Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 2, 5, 6 en 7 van de Overleveringswet. 10Beslissing STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan het Amtsgericht Regensburg, Duitsland, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel
  3. e)van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.M. Hamer, voorzitter, mrs. O.P.M. Fruytier en H.P. Kijlstra, rechters, in tegenwoordigheid van M.L. Kole, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 15 juli 2025. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel
  4. e)van het EAB. Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. (Europees aanhoudingsbevel tegen een onderdaan van een derde land), ECLI:EU:C:2023:444, punt 64. Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.