RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-243085-24 Datum uitspraak: 29 januari 2025 UITSPRAAK op de vordering van 15 november 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 13 juni 2024 door the Regional Courtin Gdańsk, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1976 te [geboorteplaats] (Polen), zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande, nu gedetineerd in [detentie-instelling] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 15 januari 2025, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsmaan, mr. J.W. Ebbink, advocaat te Haarlem, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een valid judgement of the District Court Gdańsk-South in Gdańsk van 13 mei 2022, met kenmerk: X K 1013/
- De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar en drie maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 3.1 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Standpunt van de raadsman De raadsman heeft verzocht om het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB nu de opgeëiste persoon geen eerlijk proces heeft gehad. In tegenstelling tot hetgeen in het EAB, dat op 13 juni 2024 is uitgevaardigd, wordt vermeld, volgt uit de door de raadsman overgelegde (vertaalde) Poolse processen-verbaal dat de opgeëiste persoon er niet één, maar meerdere zittingsdagen waren en dat hij op geen enkele zitting aanwezig is geweest. De opgeëiste persoon woonde ten tijde van de zittingen al niet meer in Polen, maar in Nederland en Tanzania. Nadat hierover vragen zijn gesteld heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit bij brief van 3 januari 2025 geantwoord dat abusievelijk in het EAB is aangekruist dat hij aanwezig was bij het proces. In plaats daarvan wordt gesteld dat de opgeëiste persoon op de juiste wijze in persoon is opgeroepen voor de zitting. De raadsman merkt op dat uit de overgelegde processen-verbaal blijkt dat de opgeëiste persoon zeker niet in persoon en ook niet steeds op de juiste wijze (naar Pools recht) is opgeroepen. Vervolgens wordt in het “nieuwe” EAB, dat op 7 januari 2025 is uitgevaardigd, genoemd dat de opgeëiste persoon toch niet in persoon is gedagvaard, maar dat hij anderszins op de hoogte zou zijn gesteld van de zitting. Uit laatstgenoemd EAB blijkt niet op welke zitting dit ziet en hoe dit is gebeurd. Evenmin is de opgeëiste persoon geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure. De raadsman betoogt dat hiermee is aangetoond dat de opgeëiste persoon geen eerlijk proces heeft gehad en dat de Poolse autoriteiten bij betwisting van feiten het EAB eenvoudigweg wijzigen maar nog steeds niet naar waarheid verklaren. Er kan in deze zaak dus niet worden vertrouwd op de juistheid van de door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte gegevens. De rechtbank zal dit verweer behandelen in het kader van artikel 12 OLW nu het ziet op de vraag of de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen. Standpunt officier van justitie De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de situatie als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW aan de orde is, omdat uit de aanvullende informatie van 3 januari 2025 volgt dat de opgeëiste persoon in persoon is gedagvaard voor de zitting. Subsidiair heeft de officier van justitie betoogd dat de omstandigheid als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW zich voordoet, omdat de opgeëiste persoon zijn advocaat heeft gemachtigd en dat deze advocaat daadwerkelijk de verdediging heeft gevoerd tijdens het merendeel van de zittingen, met uitzondering van de laatste zitting op 29 april
- Meer subsidiair heeft de officier van justitie verzocht om af te zien van weigering, nu de opgeëiste persoon blijkbaar (gezien de door hem gestuurde email) op de hoogte was van deze zitting en kennelijk stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis, terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt. Weliswaar is in het EAB aangekruist dat opgeëiste persoon aanwezig was op de zitting, uit latere informatie blijkt dat hij niet aanwezig is geweest op de vele zittingen die geleid hebben tot dit vonnis en ook dat de omstandigheid van artikel 12, sub a zich niet heeft voorgedaan (zoals hierna nader zal worden overwogen). Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang. Uit de aanvullende informatie van 3 januari 2025 van de uitvaardigende justitiële autoriteit blijkt dat in het EAB abusievelijk is vermeld dat de opgeëiste persoon aanwezig was bij het proces dat tot het vonnis heeft geleid. De uitvaardigende justitiële autoriteit schrijft vervolgens dat categorie 1b van onderdeel D van het EAB had moeten worden aangekruist, omdat de opgeëiste persoon in persoon is geïnformeerd over de plaats en tijd van de zitting die tot het vonnis heeft geleid, maar heeft niet nader toegelicht op welke zitting dit ziet, op welke datum deze dagvaarding in persoon zou hebben plaatsgevonden en waarom deze situatie van toepassing is, terwijl dit bovendien ertoe zou leiden dat categorie 1a had moeten worden aangekruist. Uit de door de raadsman overgelegde Poolse processen-verbaal blijkt dat er tussen 24 januari 2020 en 29 april 2022 ten minste 9 zittingen hebben plaatsgevonden waarbij in ieder geval op enkele zittingsdata getuigen en deskundigen zijn gehoord en de zaak dus inhoudelijk behandeld is. In geen enkel proces-verbaal is opgemerkt dat de opgeëiste persoon in persoon is opgeroepen. Vervolgens is op 7 januari 2025 door de uitvaardigende justitiële autoriteit een ‘nieuw’ EAB uitgevaardigd, dat de rechtbank niet als een zelfstandig EAB beschouwt, maar als een aanvulling op het eerder uitgevaardigde EAB, nu het slechts met betrekking tot onderdeel D afwijkt van het eerdere EAB. In onderdeel D is nu categorie 1b aangekruist en in de aanvullende informatie wordt nu genoemd dat de opgeëiste persoon door middel van email met de rechtbank correspondeerde en per email gevraagd heeft om uitstel van de zitting en hij dus op de hoogte was van die zitting. Uit de aanvullende informatie leidt de rechtbank af dat hier de zitting van 29 april 2022 bedoeld wordt. Hierbij wordt wederom niets vermeld over de andere zittingen die hebben plaatsgevonden. Ondanks het feit dat de uitvaardigende justitiële autoriteit tweemaal aanvullende informatie heeft verstrekt kan de rechtbank niet vaststellen of de overlevering van de opgeëiste persoon geen schending van zijn verdedigingsrechten oplevert. Daar komt bij dat uit het aanvullende EAB en de aanvullende informatie van 3 januari 2025 volgt dat de opgeëiste persoon op 29 april 2022 om uitstel van de procedure vraagt tot het moment waarop op zijn verzoek om rechtsbijstand van een andere advocaat zou zijn beslist. Een verzoek dat blijkens het door de raadsman ingediende proces-verbaal van 29 april 2022 kennelijk niet is toegewezen. Anders dan de officier van justitie stelt, volgt hieruit dat de opgeëiste persoon wel weet had van die specifieke zitting, maar niet dat hij uitdrukkelijk of stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. Van de overige zittingsdagen blijft onduidelijk of en zo ja op welke wijze hij zijn verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen. Gelet op het feit dat de uitvaardigende justitiële autoriteit reeds tweemaal aanvullende informatie heeft verstrekt en de beslistermijn binnenkort verstrijkt is er geen ruimte meer voor het stellen van nadere vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Het staat in onderhavige zaak als gevolg daarvan niet ondubbelzinnig vast dat de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen. Hierom zal de overlevering worden geweigerd. 4Slotsom De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd. 5Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 2 en 12 OLW. 6Beslissing WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Gdańsk (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB; HEFT OP de overleveringsdetentie van [opgeëiste persoon]. Deze uitspraak is gedaan door mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter, mrs. M.C. Danel en R.W.L. Koopmans, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 29 januari
- Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB.