vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 13/047415-25 Datum uitspraak: 13 juni 2025 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2001, ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres: [BRP-adres] , hierna: verdachte. 1Onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 30 mei 2025. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. V.C. Padberg, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. P.D. Popescu, naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging Aan verdachte is – kort weergegeven – ten laste gelegd dat hij zich in de periode van 12 tot en met 17 februari 2025 schuldig heeft gemaakt aan een poging tot afpersing in vereniging van [aangever] . De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis. 3Waardering van het bewijs De officier van justitie stelt dat het tenlastegelegde kan worden bewezen. Verdachte heeft het tenlastegelegde feit bekend en nadien is door de raadsman geen vrijspraak bepleit. Dat verdachte het feit heeft gepleegd in nauwe en bewuste samenwerking met anderen volgt uit zijn eigen verklaring dat hij van iemand de opdracht heeft gekregen de bedreigingen te uiten en dat hij van deze persoon instructies kreeg over de manier waarop hij dit moest doen, de verklaring van de aangever dat hij door verschillende personen is gebeld, en het proces-verbaal van politie waarin staat beschreven dat op de uitgeluisterde gesprekken verschillende stemmen zijn gehoord. 4Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan op die wijze dat: hij op tijdstippen in de periode van 12 februari 2025 tot en met 17 februari 2025 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [aangever] te dwingen tot de afgifte van een gelbedrag van € 12.000, dat aan die [aangever] toebehoorde die [aangever] meermalen, anoniem heeft gebeld en vervolgens de volgende dreigende woorden heeft toegevoegd: -"Je moet vandaag € 12.000,- betalen anders wordt jouw woning en de woning van jouw ouders opgeblazen", en - " Je gaat nu betalen of er komt iemand naar je toe en die slaat je met een gunnoe", en - " Als jij niks gaat betalen, jouw osso's gaan de lucht in broer", en - " Ik ga jou alvast zeggen, als je niet komt met die doekoe dan heb je een probleem", en - " Je komt gewoon deze kant op. Nu hier anders gaat de shit de lucht in. Anders gaat shit de lucht in. In ieder geval jouw osso gaat de lucht in", en - " Ey luister dan, je snapt niet dat het geen geintje is. Je wil echt dat die huizen de lucht in gaan. Wil je dat echt?", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Voor zover in het bewezenverklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 5Strafbaarheid van het feit Het bewezenverklaarde feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 6Strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 7Motivering van de straffen De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 150 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 93 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Daarbij heeft zij als bijzondere voorwaarden een ambulante behandeling en een contactverbod met de medeverdachten en het slachtoffer gevorderd. Door de verdediging is geen strafmaatverweer gevoerd. De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een ernstige poging tot afpersing. Hij heeft het slachtoffer meerdere keren opgebeld en heeft onder andere gedreigd de woningen van het slachtoffer en van zijn ouders op te blazen. Hierbij zijn ook de woonadressen van het slachtoffer en zijn ouders genoemd, wat de dreiging kracht heeft bijgezet. Dergelijke dreigementen kunnen tot zeer angstige momenten en een onveilig gevoel leiden. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij hier totaal niet bij heeft stilgestaan. Verder heeft verdachte verklaard dat hij dit puur voor zijn eigen financiële gewin heeft gedaan; hij wilde namelijk snel geld verdienen. Dit weegt de rechtbank strafverzwarend mee. De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 29 april 2025. Hieruit blijkt dat verdachte in de afgelopen vijf jaar niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Dit leidt dus niet tot een zwaardere of lichtere straf. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 14 mei 2025. Hierin staat dat verdachte tegen de reclassering heeft gezegd dat hij na de terechtzitting niet meer wil meewerken aan een reclasseringstoezicht en dat hij liever zijn straf uitzit. Ondanks dat de reclassering ambulante behandeling binnen een forensisch kader geïndiceerd acht, adviseert de reclassering daarom geen bijzondere voorwaarden op te leggen. De reclassering ziet door deze opmerkingen van verdachte namelijk geen mogelijkheden meer om met interventies of toezicht de risico's, die zij wel aanwezig acht, te beperken of het gedrag van verdachte te veranderen. Op de terechtzitting heeft verdachte echter verklaard dat dit op een misverstand zou berusten en dat hij wel degelijk wil meewerken met de reclassering. In een eerder reclasseringsadvies van 10 april 2025 heeft de reclassering wel een aantal schorsingsvoorwaarden geformuleerd met een beschermend karakter die helpen het risico op recidive te verminderen. Verdachte is met deze bijzondere voorwaarden geschorst en heeft zich gedurende het schorsingstoezicht aan deze afspraken gehouden. De rechtbank wil de verdachte daarom de kans geven om te laten zien dat hij het meent als hij zegt dat hij (toch) met de reclassering aan de slag wil om zijn leven op orde te krijgen. De rechtbank zal dus een deels voorwaardelijke straf opleggen, met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals eerder door de reclassering zijn geadviseerd. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 150 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 92 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren passend en geboden. Aangezien verdachte 58 dagen in voorarrest heeft gezeten betekent dit dat hij niet terug hoeft naar de gevangenis. De 92 dagen voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van twee jaar worden opgelegd onder de volgende bijzondere voorwaarden: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.