RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummers: AWB 25/4000 (maatschappelijke opvang) en AWB 25/4002 (noodopvang) uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 juli 2025 in de zaken tussen [verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster (gemachtigde: mr. L. Veenman), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder (gemachtigde: mr. H. Kras). Procesverloop 1.
- Op 18 december 2024 heeft de GGD per e-mail aan verzoekster medegedeeld dat zij niet wordt toegelaten tot de maatschappelijke opvang. Op 18 maart 2025 heeft verzoekster hiertegen bezwaar gemaakt. Met het besluit van 24 juni 2025 heeft verweerder het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat zij wordt toegelaten tot de noodopvang. 1.
- Op 14 maart 2025 heeft verzoekster zich gemeld bij het Centraal Meldpunt Dakloze Gezinnen en gevraagd om opvang. Met het besluit van 14 maart 2025 heeft verweerder de aanvraag voor noodopvang afgewezen, omdat verzoekster zelfredzaam is en niet voldoet aan de bindingseis. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorzienig te treffen die ertoe strekt dat zij wordt toegelaten tot de noodopvang. 1.
- Verweerder heeft op de verzoeken gereageerd met een verweerschrift. 1.
- De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 9 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van verweerder. 1.
- Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Beoordeling door de voorzieningenrechter Spoedeisend belang
- De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoekster een spoedeisend belang bij een beslissing op haar verzoeken, omdat zij door de besluitvorming van verweerder dakloos dreigt te worden met haar kinderen. Zij verblijft momenteel nog bij een kennis, maar zij moet daar weg. Verzoekster mag nu nog uiterlijk tot de uitspraak bij haar blijven. Maatschappelijke opvang (Zaak AWB 25/4000) 3.
- De voorzieningenrechter ziet zich voor de vraag gesteld of het beroep van verzoekster in de maatschappelijke opvang-zaak een redelijke kans van slagen heeft. 3.
- Verzoekster stelt zich op het standpunt dat het overschrijden van de bezwaartermijn haar niet kan worden tegengeworpen omdat het besluit is neergelegd in een e-mailbericht. Het besluit is niet op de juiste wijze bekendgemaakt en bovendien is er geen rechtsmiddelenclausule opgenomen. Verzoekster had geen rechtsbijstand en het was voor haar onduidelijk dat het e-mailbericht een appellabel besluit betrof. Verweerder had het bezwaar inhoudelijk moeten behandelen. 3.
- Tussen partijen is niet in geschil dat het bezwaar te laat is. De bezwaartermijn tegen het besluit van 18 december 2024 eindigde op 3 februari
- Verzoekster heeft het bezwaarschrift bij verweerder op 18 maart 2025 ingediend. 3.
- Verder staat vast dat het besluit van 18 december 2024 geen rechtsmiddelenclausule bevat. Op grond van vaste rechtspraak leidt het ontbreken van een rechtsmiddelverwijzing bij een besluit in beginsel tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding, mits de belanghebbende daarop een beroep doet en stelt dat de termijnoverschrijding daarvan een gevolg is en indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat belanghebbende niet wist dat hij binnen een bepaalde termijn bezwaar moest indienen. 3.
- Verzoekster heeft een beroep gedaan op het ontbreken van een rechtsmiddelenclausule en gesteld dat de termijnoverschrijding daarvan een gevolg is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan voorts niet redelijkerwijs worden aangenomen dat verzoekster wist dat zij binnen een bepaalde termijn bezwaar moest maken. Uit de gedingstukken blijkt niet dat verzoekster voor het einde van de bezwaartermijn werd bijgestaan door een professionele rechtsbijstandverlener. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat verzoekster in verzuim is geweest, zodat niet-ontvankelijkverklaring van verzoeksters bezwaar achterwege had moet blijven. 3.
- Gelet op bovenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het beroep een redelijke kans van slagen heeft. 3.
- Nu verweerder op zitting heeft bevestigd dat de bezwaarfase opnieuw zal moeten plaatsvinden, moet er ook een nadere beoordeling plaatsvinden van de vraag of verzoekster al dan niet recht heeft op maatschappelijke opvang. Daarbij zal verweerder in de nieuwe beslissing op bezwaar kenbaar de belangen van de kinderen van verzoekster moeten meewegen.
- Omdat het beroep een redelijke kans van slagen heeft, ziet de voorzieningenrechter aanleiding het besluit van 24 juni 2025 te schorsen en het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen in die zin dat verzoekster wordt toegelaten tot de (nood)opvang. Noodopvang (Zaak AWB 25/4002) 5.
- In de zaak met zaaknummer AWB 25/4000 (maatschappelijke opvang) zal de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening toewijzen. Dat betekent dat verzoekster en haar kinderen worden toegelaten tot de (nood)opvang. 5.
- Verzoekster heeft daarom in de zaak met nummer AWB 25/4002, die ziet op de afwijzing van de aanvraag van verzoekster om noodopvang, geen procesbelang meer. Haar verzoek in deze zaak is daarom niet-ontvankelijk. Conclusie 6.
- De voorzieningenrechter wijst het verzoek in de zaak met zaaknummer AWB 25/4000 (maatschappelijke opvang) toe en treft de voorlopige voorziening dat verzoekster met haar kinderen per direct wordt toegelaten tot de (nood)opvang. 6.
- Omdat de voorzieningenrechter het verzoek in de zaak met zaaknummer AWB 25/4000 toewijst, moet verweerder het griffierecht aan verzoekster vergoeden. Ook krijgt verzoekster een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 907,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.814,-. 6.
- In de zaak met zaaknummer AWB 25/4002 (noodopvang) verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Er is daarom geen reden voor een proceskostenvergoeding of vergoeding van het griffierecht. Beslissing De voorzieningenrechter, in de zaak met zaaknummer AWB 25/4000: - wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe; - schorst het besluit van 24 juni 2025 tot zes weken nadat op het beroep is beslist; - bepaalt dat verzoekster per direct wordt toegelaten tot de (nood)opvang; - bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 53,- aan verzoekster moet vergoeden; - veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan verzoekster. in de zaak met zaaknummer AWB 25/4002: - verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C. Simonis, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 18 juli
- griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 5 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR1156 en van 11 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3089.