RECHTBANK AMSTERDAM Civiel recht Kantonrechter Zaaknummer: 10701583 \ CV EXPL 23-12530 Vonnis van 18 april 2025 in de zaak van BILLINK B.V., gevestigd te Rotterdam, eisende partij, gemachtigde: [gemachtigde] , tegen [gedaagde] , handelend onder de naam [handelsnaam], wonende te [woonplaats] , gedaagde partij, niet verschenen. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 20 oktober 2023,- de akte van eisende partij. 1.
- Ten slotte is vonnis bepaald. 2De verdere beoordeling 2.
- De kantonrechter die het tussenvonnis heeft gewezen maakt niet langer deel uit van de rechterlijke macht, zodat de zaak is overgedragen. 2.
- Eisende partij is bij voornoemd tussenvonnis in de gelegenheid gesteld bij akte nader te onderbouwen dat gedaagde partij de artikelen genoemd in de factuur heeft gekocht terwijl hij handelde in de uitoefening van zijn onderneming. 2.
- Bij akte heeft eisende partij laten weten, kort gezegd, dat gedaagde partij bij het bestellen zijn handelsnaam heeft opgegeven en eisende partij niet kan controleren of die gegevens juist zijn. Dat de activiteiten van de onderneming van gedaagde partij niet in overeenstemming zijn met de gekochte artikelen, wil niet zeggen dat gedaagde partij niet handelde in de uitoefening van zijn onderneming toen de bestelling werd geplaatst. Hier is door gedaagde partij willens en wetens voor gekozen en het is niet aan eisende partij om hierover te oordelen, aldus steeds eisende partij. 2.
- Geoordeeld wordt dat eisende partij de gevraagde nadere onderbouwing niet heeft gegeven. De omstandigheid dat iemand een onderneming drijft, dan wel de keuze maakt voor het bestellen van goederen via een zakelijk account, is niet allesbepalend voor de vraag of diegene al dan niet als consument is aan te merken. Het begrip consument is een objectief begrip. Van belang is met welk doel de overeenkomst is aangegaan, wat met name moet worden afgeleid uit de aard van de goederen of diensten waarop de betrokken overeenkomst betrekking heeft (HvJEU 3 september 2015, C-110/14, ECLI:EU:C:2015:538 (Costea)). 2.
- Nu uit de aard van de goederen – te weten diverse parfums – zonder nadere onderbouwing niet kan worden afgeleid dat deze ten behoeve van de bedrijfsactiviteiten van gedaagde partij zijn aangeschaft, moet het ervoor worden gehouden dat gedaagde partij deze heeft aangeschaft als natuurlijke persoon, handelende voor doeleinden buiten haar bedrijfsactiviteiten. 2.
- Gevolg hiervan is dat gedaagde partij consumentenbescherming toekomt en de kantonrechter ambtshalve moet toetsen of aan de informatieplichten van artikel 6:230m lid 1 en 6:230v van het Burgerlijk Wetboek is voldaan. Ook moet de overeenkomst worden getoetst aan de Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn). 2.
- Eisende partij wordt in de gelegenheid gesteld gemotiveerd te stellen dat de informatieplichten zijn nageleefd. Die stellingen moeten worden gesubstantieerd. Daarnaast dient eisende partij de op de overeenkomst van toepassing verklaarde algemene voorwaarden in het geding te brengen. Naast het overleggen van de algemene voorwaarden die op de overeenkomsten van toepassing zijn verklaard, dient eisende partij de bedingen te noemen die aan de vordering ten grondslag zijn of kunnen worden gelegd en een standpunt in te nemen over de (on)eerlijkheid van die bedingen in de zin van de richtlijn. Tot slot dient eisende partij zich uit te laten over de uitgestelde betaling, een vorm van kredietverstrekking en toepasselijkheid van de bepalingen van Titel 2A van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. 2.
- De zaak wordt voor akte uitlating en overlegging stukken door eisende partij verwezen naar de rol. 2.
- Eisende partij dient de akte tenminste twee weken voor de hierna te bepalen rolzitting ook aan gedaagde partij te sturen, met de mededeling dat gedaagde partij op die rolzitting daarop mag reageren dan wel uitstel kan vragen en hoe en wanneer gedaagde partij uiterlijk moet reageren. Eisende partij wordt in dat kader verzocht om naast de akte ook de mededeling/brief aan gedaagde partij in het geding te brengen. Wanneer niet kan worden vastgesteld dat de akte tijdig en/of met de juiste mededeling aan gedaagde partij is toegestuurd, wordt deze in beginsel buiten beschouwing gelaten. 2.
- Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. 3De beslissing De kantonrechter 3.
- verwijst de zaak naar de rol van vrijdag 16 mei 2025 om 10.00 uur voor akte uitlating en overlegging stukken door eisende partij, zoals bepaald in overweging 2.7, 3.
- bepaalt dat eisende partij vorenbedoelde akte aan gedaagde partij moet toesturen, overeenkomstig het bepaalde in overweging 2.9, 3.
- houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. E. Pennink en in het openbaar uitgesproken op 18 april
- 991