← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2025:5400

RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 24/4936 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2025 in de zaak tussen [eiser], uit [woonplaats], eiser (gemachtigde: mr. O. Smits), en Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven, verweerder (gemachtigde: mr. H.K.M. Smits). Procesverloop 1.

  1. Eiser heeft op 2 september 2022 een aanvraag ingediend voor een tegemoetkoming uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven. 1.
  2. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 27 februari 2024 (het primaire besluit) afgewezen. 1.
  3. Met het bestreden besluit van 10 juli 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. 1.
  4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft gereageerd op het beroep met een verweerschrift. 1.
  5. De rechtbank heeft het beroep op 9 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van partijen. Beoordeling door de rechtbank Het bestreden besluit
  6. Eiser heeft op 20 maart 2022 aangifte bij de politie gedaan en verklaard dat hij in [locatie] betrokken is geweest bij een steekpartij waarbij hij gewond is geraakt. Eiser heeft verklaard dat hij op een feest was met zijn vriend [naam 1]. Deze [naam 1] werd aangesproken door een man genaamd [naam 2] die hem vroeg mee te gaan naar buiten om te praten. Eiser is ook meegegaan. Buiten is een vechtpartij ontstaan. Op weg naar huis ontdekte eiser dat hij een verwonding in zijn rug had. Hij heeft niet gezien door wie hij is gestoken.
  7. Verweerder gaat er van uit dat eiser letsel heeft opgelopen, maar heeft de aanvraag om een tegemoetkoming afgewezen omdat de beschikbare informatie geen duidelijkheid biedt over de aanleiding en toedracht van de vechtpartij en de omstandigheden waaronder het letsel is ontstaan. Ook heeft verweerder teveel vragen over wat de rol van eiser is geweest bij de vechtpartij. Het strafrechtelijk onderzoek loopt nog. Op dit moment heeft verweerder daarom geen objectieve onderbouwing voor eisers opgave dat hij niets met [naam 2] dan wel met een ruzie tussen de anderen te maken heeft (gehad). Toetsingskader 4.
  8. In de beleidsregels van verweerder staat dat het opgegeven opzettelijk gepleegde geweldsmisdrijf aannemelijk moet worden gemaakt om in aanmerking te kunnen komen voor een uitkering uit het Schadefonds. Op basis van de gegeven onderbouwing moet het geloofwaardig zijn dat het gegaan is zoals opgegeven. Uit die onderbouwing moet een duidelijk en logisch beeld volgen van wat er is gebeurd en wat de aanleiding ervoor was. De toedracht van het geweldsmisdrijf moet duidelijk zijn, de aanleiding ervan en de omstandigheden waaronder het plaatsvond. 4.
  9. Verweerder kan bij de beoordeling informatie uit meerdere bronnen betrekken. Objectieve aanwijzingen zijn aanwijzingen afkomstig uit een andere bron dan van het slachtoffer zelf. Deze bronnen moeten betrouwbaar en onpartijdig zijn en vanuit eigen waarneming verklaren. Een tegemoetkoming is een uiting van solidariteit van de samenleving met het slachtoffer en een erkenning van het slachtofferschap, daarom is het belangrijk dat het geweldsmisdrijf aannemelijk is gemaakt. Aannemelijkheid van het geweldsmisdrijf
  10. Eiser stelt zich op het standpunt dat de toedracht van het incident voldoende aannemelijk is geworden. Op basis van die toedracht kan volgens eiser ook voldoende worden uitgesloten dat hij enig aandeel in het incident had. Eiser voert hierbij aan dat verweerder uit meerdere objectieve bronnen informatie heeft gehaald. Uit deze informatie blijkt dat er een vechtpartij heeft plaatsgevonden waarbij ook eiser is gestoken met messen. Uit deze informatie blijkt niet dat eiser de aanstichter is geweest van het incident. Ook blijkt uit deze informatie niet dat eiser een andere rol heeft gehad waaruit volgt dat het incident heeft plaatsgevonden mede door zijn eigen schuld. Eiser stelt zich daarom op het standpunt dat zijn lezing deels door de objectieve bronnen wordt bevestigd en door geen enkele bron wordt weersproken. Bovendien is eiser niet als verdachte aangemerkt en wordt zijn lezing - dat hij niets met de ruzie te maken had - door twee getuigen ondersteund.
  11. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het proces-verbaal aangifte volgt dat eiser zelf verklaard heeft ook geslagen te hebben. Eiser heeft ook verklaard dat hij wist dat zijn vriend [naam 1] in het verleden problemen heeft gehad met mensen en dat hij daarbij gewond is geraakt. Daarbij gaf hij aan dat dezelfde groep op het feest was. Toch is eiser met zijn vriend [naam 1] mee naar beneden gelopen. In het dossier zit een brief van het OLVG. Hieruit blijkt dat eiser in de kroeg een steekverwonding heeft opgelopen, wat erg naar is, maar het biedt geen onderbouwing voor de aanleiding en context van het misdrijf. Eiser heeft verder geen stukken overgelegd. Het uitgangspunt is dat het slachtoffer verantwoordelijk is voor het onderbouwen van de aanvraag met voldoende objectieve aanwijzingen. Uit de Beleidsbundel Schadefonds geweldsmisdrijven volgt dat een aangifte en het strafrechtelijk onderzoek dat erop volgt in hoge mate kan bijdragen aan de onderbouwing van een aanvraag. Maar uit de informatie van het Openbaar Ministerie volgt dat eiser niet is aangemerkt als slachtoffer. Daardoor is de rechtbank van oordeel dat de aanvraag onvoldoende onderbouwd is, nu er geen objectieve aanwijzingen zijn. Onduidelijk is gebleven wat de aanleiding van het misdrijf was, wat er precies is gebeurd en wat de rol van eiser daarin was. Dit betekent niet dat het in werkelijkheid niet zo kan zijn gegaan als eiser heeft verklaard, maar dat het niet voldoende aannemelijk is geworden wat er precies is gebeurd. Dit is wel een vereiste om een uitkering te kunnen krijgen. Conclusie
  12. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, rechter, in aanwezigheid van mr.C. Simonis, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 23 juli
  13. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingediend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De indiener van het hoger beroep kan de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening te treffen. Paragraaf 1.1.4 van de Beleidsbundel van 1 juli
  14. Paragraaf 1.1.
  15. Aannemelijkheid onder het kopje ‘de aangifte’.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.