← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2025:5428

RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 25/3937 uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 juli 2025 in de zaak tussen [verzoekers], uit Amsterdam, verzoekers (gemachtigde: mr. J. Smit), en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, het college. Overwegingen

  1. Uit artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vloeit voort dat een verzoek om een voorlopige voorziening moet voldoen aan de vereisten van (formele en materiële) ‘connexiteit’. Iemand die een verzoek om een voorlopige voorziening indient, moet een afschrift van het bezwaar- of beroepschrift en een afschrift van het besluit waarop het geschil betrekking heeft overleggen. Als dat niet gebeurt, kan de voorzieningenrechter – na een herstelmogelijkheid – het verzoek op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk verklaren.
  2. Bij het verzoekschrift van 19 juni 2025 is het bezwaarschrift en het besluit waarop het verzoek betrekking heeft, niet overgelegd. Met een e-mailbericht van 23 juni 2025 zijn verzoekers erop gewezen dat de bijlagen bij het verzoekschrift ontbreken. Verzoekers hebben niet gereageerd op dit e-mailbericht.
  3. Met de brief van 2 juli 2025 zijn verzoekers erop gewezen dat het verzoekschrift niet voldoet aan de voorwaarden die aan een verzoekschrift worden gesteld. Verzoekers zijn verzocht een kopie toe te sturen van het besluit waar zij het niet mee eens zijn en van het bezwaarschift. Verzoekers zijn verzocht om binnen één week dit verzuim te herstellen. Verder is in deze brief vermeld dat het niet toesturen van de gevraagde stukken kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het verzoekschrift. Ook heeft de griffier op 2 juli 2025 hierover telefonisch contact gehad met de gemachtigde van verzoekers.
  4. De voorzieningenrechter constateert dat verzoekers niet binnen de hersteltermijn een afschrift van het bezwaarschrift en van het besluit hebben overgelegd. Verzoekers hebben geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim. Nu er geen besluit en geen bezwaarschrift is, is niet voldaan aan de vereisten van formele en materiële connexiteit.
  5. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. G. dos Santos 't Hoen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 25 juli
  6. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Dit staat in artikel 8:81, vierde lid, van de Awb in samenhang met artikel 6:5, eerste lid, van de Awb.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.