← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2025:5467

vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Team Familie & Jeugd Parketnummers: 13.002724.24 (zaak A) en 13.080868.24 (zaak B) Parketnummer vordering tenuitvoerlegging: 13.118808.23 Datum uitspraak: 20 maart 2025 Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaken tegen [verdachte] Geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2005, wonende op het adres [adres 1] . 1Onderzoek ter terechtzitting De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting achter gesloten deuren van 6 maart

  1. De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.D. Braber en van wat verdachte en zijn raadsman mr. N. Hendriksen naar voren hebben gebracht. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat onder meer door [naam 1] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), [naam 2] , namens Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: JBRA), B. van Baaren, kinder- en jeugdpsychiater, S.J. Sahtoe, GZ-psycholoog, en door de moeder van verdachte naar voren is gebracht. De vader van verdachte heeft de zitting bijgewoond tot de bespreking van de persoonlijke omstandigheden. In zaak A is namens de benadeelde partij [benadeelde partij 1] (eigenaar van het [bedrijf 1] ) aanwezig mr. [naam 3] , namens de benadeelde partij [benadeelde partij 2] is aanwezig P.W. Rijnenam-van Oosterom en namens benadeelde partij [benadeelde partij 3] is aanwezig mw. [naam 4] van Slachtofferhulp Nederland. Mr. M.M. de Boer is als toehoorder aanwezig namens de benadeelde partij [benadeelde partij 4] . In zaak B is aanwezig benadeelde partij [benadeelde partij 5] bijgestaan door mw. [naam 4] van Slachtofferhulp Nederland. Namens de benadeelde partij [benadeelde partij 6] en de [bedrijf 2] is aanwezig mr. V.H. Hammerstein en namens de benadeelde partij [benadeelde partij 7] is aanwezig mr. D. Bouwmeester. 2Tenlastelegging Zaak A Aan verdachte is, kort gezegd, ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan: Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde: diefstal met geweld en/of bedreiging met geweld, in vereniging, van meerdere geldbedragen en goederen toebehorend aan [bedrijf 1] (gelegen aan [adres 2] ) gepleegd op 15 december 2023 te Amsterdam; Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde: medeplegen van het voorhanden hebben van een wapen van categorie III onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten een alarmpistool, op 15 december 2023 te Amsterdam. De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. Zaak B Aan verdachte is na wijziging van de tenlastelegging, kort gezegd, ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan: Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde: primair: poging tot diefstal van geldbedragen en/of goederen van de [bedrijf 2] te Amsterdam, in vereniging, waarbij geweld is gebruikt en gedreigd is met geweld tegen [benadeelde partij 6] , [slachtoffer 1] , [benadeelde partij 5] en [benadeelde partij 7] door een mes en een vuurwapen te tonen op 22 december 2023; subsidiair: medeplegen van uitlokking van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] tot poging tot diefstal van geldbedragen en/of goederen van de [bedrijf 2] te Amsterdam, in vereniging, waarbij geweld is gebruikt en gedreigd is met geweld tegen [benadeelde partij 6] , [slachtoffer 1] , [benadeelde partij 5] en [benadeelde partij 7] door een mes en een vuurwapen te tonen op 22 december 2023, door (op 22 december 2023 te Amsterdam) giften, beloften, misbruik van gezag, geweld, bedreiging en/of misleiding en/of door het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen; meer subsidiair: medeplichtigheid aan poging tot diefstal van geldbedragen en/of goederen van de [bedrijf 2] te Amsterdam, in vereniging, waarbij geweld is gebruikt en gedreigd is met geweld tegen [benadeelde partij 6] , [slachtoffer 1] , [benadeelde partij 5] en [benadeelde partij 7] door een mes en een vuurwapen te tonen op 22 december 2023, door (op 22 december 2023 te Amsterdam) opzettelijk behulpzaam te zijn geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te hebben verschaft; Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde: primair: poging tot afpersing van geldbedragen en/of goederen van de [bedrijf 2] te Amsterdam, in vereniging, waarbij geweld is gebruikt en bedreigd is met geweld tegen [benadeelde partij 6] , [slachtoffer 1] , [benadeelde partij 5] en [benadeelde partij 7] door een mes en een vuurwapen te tonen op 22 december 2023; subsidiair: medeplegen van uitlokking van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] tot poging tot afpersing van geldbedragen en/of goederen van de [bedrijf 2] te Amsterdam, in vereniging, geweld is gebruikt en bedreigd is met geweld tegen [benadeelde partij 6] , [slachtoffer 1] , [benadeelde partij 5] en [benadeelde partij 7] door een mes en een vuurwapen te tonen op 22 december 2023, door (op 22 december 2023 te Amsterdam) giften, beloften, misbruik van gezag, geweld, bedreiging en/of misleiding en/of door het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen; meer subsidiair: medeplichtigheid aan poging tot afpersing van geldbedragen en/of goederen van de [bedrijf 2] te Amsterdam, in vereniging, geweld is gebruikt en bedreigd is met geweld tegen [benadeelde partij 6] , [slachtoffer 1] , [benadeelde partij 5] en [benadeelde partij 7] door een mes en een vuurwapen te tonen op 22 december 2023, door (op 22 december 2023 te Amsterdam) opzettelijk behulpzaam te zijn geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te hebben verschaft; Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde: primair: poging tot afpersing in vereniging van een iPhone van [benadeelde partij 5] waarbij een mes is getoond op 22 december 2023 in Amsterdam; subsidiair: medeplegen van uitlokking van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] tot poging tot afpersing in vereniging van een iPhone van [benadeelde partij 5] waarbij een mes is getoond op 22 december 2023 in Amsterdam, door (op 22 december 2023 te Amsterdam) giften, beloften, misbruik van gezag, geweld, bedreiging en/of misleiding en/of door het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen; meer subsidiair: medeplichtigheid aan poging tot afpersing in vereniging van een iPhone van [benadeelde partij 5] waarbij een mes is getoond op 22 december 2023 in Amsterdam, door (op 22 december 2023 te Amsterdam) opzettelijk behulpzaam te zijn geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te hebben verschaft; Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde: medeplegen van het voorhanden hebben van een wapen van categorie III onder 4 van de Wet wapens en munitie op 15 december 2023 te Amsterdam. De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage II die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. 3Voorvragen De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs Zaak A Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde: Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde medeplegen van een overval op [bedrijf 1] . Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht de verdachte vrij te spreken van de volgende onderdelen van de tenlastelegging: “Doe rustig ik ga je echt schieten.” en “Ik ga je doodschieten.” Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat de onder 1 ten laste gelegde winkeloverval in vereniging is bewezen, omdat verdachte dit feit heeft bekend en zijn verklaring steun vindt in de overige bewijsmiddelen. De rechtbank acht de onderdelen van de tenlastelegging: “Doe rustig ik ga je echt schieten.” en “Ik ga je doodschieten.” ook bewezen. Op de beelden is te zien dat verdachte aangeefster [benadeelde partij 2] meeneemt naar het magazijn en het wapen op het gezicht van [benadeelde partij 2] richt. Ondanks dat de bedreigingen met de dood niet te horen zijn op de camerabeelden en de andere getuigen niet over de uitlatingen hebben verklaard, heeft de rechtbank, gezien de geschetste situatie met betrekking tot het vuurwapen, geen reden om te twijfelen aan de verklaring van [benadeelde partij 2] daarover. De rechtbank volgt derhalve de aangifte. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde: De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd voor het wapenbezit. De rechtbank is op grond van de bewijsmiddelen, met de officier van justitie, van oordeel dat het ten laste gelegde medeplegen van het voorhanden hebben van een alarmpistool wettig en overtuigend is bewezen. Zaak B Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde: Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit. Er is wat de officier van justitie betreft sprake van medeplegen van een overval op de [bedrijf 2] . Het standpunt van de verdediging De raadsman bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde. De [bedrijf 2] is overvallen door medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . Verdachte heeft het vuurwapen aan medeverdachte [medeverdachte 1] verstrekt. De Snapchat-conversatie waarin wordt gesproken over een beloning duidt op een ondergeschikte rol van verdachte. Verdachte heeft in opdracht van [medeverdachte 3] , en namens [medeverdachte 3] , instructies overgebracht. De rol van de verdachte kan volgens de verdediging hooguit als medeplichtigheid aan de overval worden gekwalificeerd. Het oordeel van de rechtbank Uit het dossier volgt dat medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] op 21 december 2023 vanuit [geboorteplaats 3] naar Amsterdam zijn gereisd en dat zij geprobeerd hebben op 22 december 2023 de [bedrijf 2] te overvallen met een alarmpistool en een mes. De rechtbank stelt met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte het volgende vast. Uit de aangetroffen Snapchat-gesprekken op de telefoon van verdachte van 21 december 2023 (een gesprek met [medeverdachte 3] en een groepsgesprek met onder andere [medeverdachte 3] en medeverdachte [medeverdachte 1] ) blijkt dat de verdachte vlak voor de overval met de medeverdachten heeft afgesproken in een parkje om een wapen te overhandigen. Verdachte heeft de medeverdachten daar een alarmpistool en blijkens de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] een bivakmuts overhandigd en instructies gegeven, waaronder uitleg over wat te doen met het alarmpistool. Verdachte heeft dit ook bekend. Uit de zendmastgegevens blijkt verder dat verdachte gedurende de overval in de buurt van de [bedrijf 2] is gebleven. Verdachte heeft ter terechtzitting zelf ook verklaard dat hij in de buurt op de medeverdachten aan het wachten was om na de overval het geld in ontvangst te nemen. Verdachte wist dat het doel van de overval was om € 50.000,- buit te maken en hij zou daar direct na de overval een deel (‘chop’) van krijgen. Uit de Snapchat-gesprekken blijkt ook dat verdachte andere personen in de groep op de hoogte hield van het verloop van de overval en aan hen liet weten dat de overval mislukt was. Op basis van de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling en verdachtes rol in de voorbereiding, maar ook ten tijde van de overval (informeren over het verloop) en het beoogde vervolg (het in ontvangst nemen van de buit), kan gesproken worden van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachten om de [bedrijf 2] te overvallen, waarbij de bijdrage van verdachte van wezenlijk en van voldoende gewicht is geweest. De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat het ten laste gelegde medeplegen van de overval op de [bedrijf 2] is bewezen. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde: De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het onder feit 2 tenlastegelegde nu zij het feitencomplex kwalificeert als poging tot diefstal met geweld in vereniging. Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde: De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van poging tot afpersing in vereniging, omdat het oogmerk van de wederrechtelijke toe-eigening ontbreekt. Uit het dossier volgt dat het de bedoeling van medeverdachte [medeverdachte 2] was dat aangever [benadeelde partij 5] afstand zou doen van zijn telefoon om te voorkomen dat contact werd gezocht met de politie. [benadeelde partij 5] heeft in opdracht van medeverdachte [medeverdachte 2] zijn telefoon op de grond gegooid en de medeverdachte [medeverdachte 1] heeft bij het verlaten van de [bedrijf 2] de telefoon van [benadeelde partij 5] van de grond gepakt en meegenomen. Hij deed dat omdat hij dacht dat het de telefoon van medeverdachte [medeverdachte 2] was, die kort daarvoor al de [bedrijf 2] had verlaten. Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde: Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde medeplegen van wapenbezit. Het standpunt van de verdediging De raadsman stelt zich op het standpunt dat sprake is van een voortgezette handeling als ervan uit wordt gegaan dat het wapen hetzelfde wapen is als het wapen onder feit 2 van zaak A. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is op grond van de bewijsmiddelen, met de officier van justitie, van oordeel dat het ten laste gelegde medeplegen van het voorhanden hebben van een alarmpistool wettig en overtuigend is bewezen. Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een voortgezette handeling. De twee afzonderlijk ten laste gelegde feiten komen voort uit twee van elkaar losstaande wilsbesluiten. Daarbij kan de rechtbank niet vaststellen dat verdachte het wapen in de tijd tussen de twee overvallen onder zich heeft gehouden. Uit de verklaring van de verdachte blijkt immers dat hij het wapen na de overval op het [bedrijf 1] ergens heeft neergelegd. Het is niet duidelijk of en wanneer de verdachte het wapen weer heeft opgehaald. 5Bewezenverklaring Zaak A De rechtbank acht op grond van de in vervatte bewijsmiddelen bewezen dat de verdachte Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde: op 15 december 2023 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, uit een winkel, te weten [bedrijf 1] (gelegen op [adres 2] ), meerdere geldbedragen en meerdere verpakkingen vapes en meerdere OV-chipkaarten en meerdere OV-dagkaarten en kerstzegels, toebehorende aan [bedrijf 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd vergezeld van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [benadeelde partij 2] en in/rondom de voornoemde winkel aanwezige klanten, te weten [benadeelde partij 4] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [benadeelde partij 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door - naar voornoemde winkel te gaan, en - een vuurwapen te tonen en door te laden en de slede van het vuurwapen naar achteren te trekken, en - een vuurwapen, op voornoemde [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [benadeelde partij 3] te richten en gericht te houden en daarbij hen dreigend de woorden toe te voegen: "Ga op de grond liggen" en "Kruip richting de achterkant van de winkel" en "Telefoon die kant op gooien", en - te wijzen naar de kassalade en daarbij voornoemde [benadeelde partij 2] dreigend de woorden toe te voegen: "Openmaken" en "Doe rustig ik ga je echt schieten", en - in de kassalade te graaien en een geldbedrag uit de kassalade te pakken en onder de kassalade te zoeken en een of meerdere verpakkingen vapes te pakken, en - voornoemde [benadeelde partij 2] bij haar arm te pakken en voornoemde [benadeelde partij 2] mee naar de achterzijde van voornoemde winkel te trekken en te duwen en daarbij voornoemde [benadeelde partij 2] dreigend de woorden toe te voegen: "Waar is de kluis?" en "Doe niet moeilijk, ik ga je niet schieten" en "Ik ga je doodschieten" en "Pak iets waardevol, het maakt niet uit wat als het maar iets is", en daarbij een vuurwapen, op korte afstand op/tegen het voorhoofd van voornoemde [benadeelde partij 2] te richten en gericht te houden; Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde: op 15 december 2023 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, een wapen van categorie III, onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten een alarmpistool voorhanden heeft gehad. Zaak B Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde: op 22 december 2023 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om geldbedragen en/of goederen van hun gading, die aan de [bedrijf 2] (gevestigd aan de [adres 3] ) toebehoorden, weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze poging diefstal te doen vergezellen van geweld en bedreiging met geweld tegen [benadeelde partij 6] en [slachtoffer 1] en [benadeelde partij 5] en [benadeelde partij 7] , te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal gemakkelijk te maken, naar voornoemde [bedrijf 2] is toegegaan, waarna zijn mededaders - een vuurwapen en een vleesmes aan voornoemde [benadeelde partij 6] en [slachtoffer 1] en [benadeelde partij 5] en [benadeelde partij 7] hebben getoond en voorgehouden en gericht en voorgehouden en - daarbij aan voornoemde [benadeelde partij 6] en [slachtoffer 1] en [benadeelde partij 5] dreigend de woorden hebben toegevoegd: "geld, geld, geld" en "open die kanker kluis, dit is een overval, ga op de kanker grond liggen" en "ik snij je kapot, ik maak je dood" en - het lemmet van een vleesmestegen het gezicht van voornoemde [benadeelde partij 5] hebben gehouden en hiermee een snijdende beweging heeft gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde: op 22 december 2023 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, een wapen van categorie III, onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten een alarmpistool, merk BBM, model GAP, kaliber 9mm, voorhanden heeft gehad. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 6Bewijs De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht. 7Strafbaarheid van de feiten De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 8Strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 9Motivering van de straffen en maatregelen De eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte voor alle feiten (zowel de voor de meerderjarigheid als na de meerderjarigheid van verdachte gepleegde feiten) moet worden berecht volgens het volwassenstrafrecht gelet op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoonlijkheid van de verdachte. Aan alle gronden van artikel 77b Wetboek van Strafrecht is voldaan. Er wordt door de deskundigen geadviseerd het tenlastegelegde volledig aan de verdachte toe te rekenen. Er worden door de deskundigen op basis van de Wegingslijst Adolescentenstrafrecht onvoldoende indicaties gezien voor toepassing van het jeugdstrafrecht. Bij verdachte worden geen pedagogische beïnvloedingsmogelijkheden meer gezien en er zijn juist contra-indicaties voor het toepassen van jeugdstrafrecht voortkomend uit de persoonlijkheid van verdachte. Op basis van artikel 495 lid 4 en 5 Wetboek van Stafvordering is het uitgangspunt toepassing van volwassenstrafrecht als het gaat om gelijktijdige berechting van feiten die zowel binnen de minderjarigheid als na de meerderjarigheid zijn gepleegd. De officier van justitie is van mening dat de rechtbank voldoende geïnformeerd is op basis van de voorliggende rapportages van de deskundigen en verzet zich daarom tegen de door de advocaat verzochte aanhouding van de behandeling om de therapeut van verdachte van De Waag te horen. De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 18 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de voorwaardelijke straf naast de algemene voorwaarden, de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming inclusief een meldplicht bij de Reclassering Nederland. De officier van justitie vordert dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden en opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis bij uitspraak. Ook verzoekt de officier van justitie ambtshalve oplegging van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM). Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat het onderzoek van de deskundigen niet in de juiste volgorde is gegaan. Volgens de advocaat is bij de beantwoording van de vraag of voor de tijdens de minderjarigheid gepleegde feiten jeugdstrafrecht moet worden toegepast het uitgangspunt dat daarop jeugdstrafrecht wordt toegepast gehanteerd. In ieder geval zijn voor de tijdens de minderjarigheid gepleegde feiten geen doorslaggevende argumenten aanwezig om af te wijken van dit uitgangspunt. Daarom moet verdachte berecht worden volgens het jeugdstrafrecht. Ten aanzien van de tijdens de meerderjarigheid gepleegde feiten is het evenmin zeker dat het uitgangspunt dat die feiten worden berecht volgens het volwassenenstrafrecht moet worden gevolgd, gelet op de mededelingen van De Waag tegenover JBRA. Als de rechtbank overweegt om het volwassenenstrafrecht toe te passen, doet de verdediging een voorwaardelijk aanhoudingsverzoek zodat de verdediging in de gelegenheid kan worden gesteld om de deskundigen van De Waag te horen over het toe te passen sanctiestelsel. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank acht zich op basis van na te noemen rapporten voldoende voorgelicht over de persoon van verdachte. Het (voorwaardelijk) verzoek om aanhouding wordt daarom afgewezen. Bij de beslissing over de sanctie en het sanctiestelsel heeft de rechtbank zich laten leiden door de persoon van de verdachte zoals die naar voren komt in nagenoemde rapportages en hetgeen de deskundigen ter zitting hebben verklaard, alsmede de ernst van het bewezen geachte en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang. Ernst van de feiten Verdachte heeft zich in een tijdsbestek van één week samen met anderen schuldig gemaakt aan twee ernstige gewapende overvallen. De rechtbank is ontzettend geschrokken van de beelden van het incident van in het [bedrijf 1] . Op de beelden is te zien dat de klanten in de winkel op de grond moesten liggen en werden gedwongen om naar de hoek van de winkel te kruipen. Vervolgens is de medewerkster van de winkel door de verdachte onder bedreiging van een wapen gedwongen om naar het magazijn te lopen. Het wapen was hierbij op haar hoofd gericht en er werd gezegd dat er geschoten zou gaan worden. Uit het dossier blijkt dat dit misdrijf een grote impact heeft gehad op de medewerkster en de klanten in de winkel. Zij ervaren nog steeds hinder van die angstige en onveilige situatie. De rechtbank neemt dit verdachte kwalijk. Verdachte heeft vervolgens een paar dagen later, toen hij net 18 jaar was geworden, een alarmpistool en een bivakmuts geleverd aan twee minderjarige medeverdachten om een overval te plegen. Deze medeverdachten hebben met dat wapen een overval op de [bedrijf 2] gepleegd. Daarnaast hebben zij de aanwezigen bedreigd met een vleesmes. Deze aanwezigen: de eigenaar, een jonge medewerker, een kennis van de eigenaar en een klant, zijn tijdens deze overval enorme angstig geweest. Dat volgt ook uit hetgeen ter zitting door en namens verschillende slachtoffers naar voren is gebracht. Zij hebben hier nog steeds psychisch last van. Slachtoffer [benadeelde partij 5] , die als klant in de [bedrijf 2] aanwezig was, heeft bovendien blijvend letsel in zijn gezicht opgelopen omdat hij door een medeverdachte met het mes werd geraakt. Daarnaast heeft een dergelijke overval ook impact op de maatschappij in het algemeen. De overval is uitgebreid in het nieuws geweest en dit soort gebeurtenissen boezemen mensen angst in. Alhoewel de verdachte ter zitting heeft verklaard dat het niet zijn intentie was dat de slachtoffers er iets aan over zouden houden, blijkt uit de over verdachte opgemaakte rapportages – die hierna nader worden besproken – dat verdachte geen oog heeft gehad voor de gevolgen van de overval voor de slachtoffers. Verdachte heeft meermalen verklaard dat zijn belangrijkste motief voor het plegen van de strafbare feiten is geweest om snel geld te verdienen. De verdachte stelt daarbij slechts zijn eigen gewin voorop en dit baart de rechtbank grote zorgen. Persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie van 10 januari 2025 waaruit blijkt dat de verdachte eerder veroordeeld is voor dergelijke strafbare feiten. Dit weegt de rechtbank in zijn nadeel mee. De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van de rapportages die over de verdachte zijn opgesteld, waaronder: een psychologisch rapport Pro Justitia, opgemaakt door S.J. Sahtoe, GZ-psycholoog en B. van Baaren, kinder- en jeugdpsychiater, op 5 december 2024 en een aanvulling op dit rapport van 16 januari 2025; de rapporten van de Raad, waaronder het meest recente rapport van 24 februari 2025 ten behoeve van de inhoudelijke behandeling en een aanvulling op dit rapport van 27 februari 2025; de rapporten van de JBRA, waaronder het meest recente rapport van 24 februari
  2. Uit het gezamenlijk opgestelde rapport van de psychiater en de psycholoog blijkt dat er bij verdachte sprake is van een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische trekken. Er is sprake van een patroon dat continu de gedragingen en keuzes van verdachte beïnvloedt. Zijn directe behoeftebevrediging en hunkering naar ‘het grote geld’ hebben vanuit zijn persoonlijkheidsstoornis een rol gespeeld bij de keuzes die hij heeft gemaakt. Verdachte heeft volgens de deskundigen wel degelijk het besef gehad wat voor een invloed het gebruik van een vuurwapen zou hebben. De verdachte was voorafgaand aan de overval op het [bedrijf 1] op de hoogte van de consequenties van zijn gedragingen, te weten een mogelijke vrijheidsstraf. De deskundigen adviseren om het ten laste gelegde volledig aan verdachte toe te rekenen. Het risico op toekomstig (agressief) grensoverschrijdend gedrag is matig. De psychiater en psycholoog zijn van daarnaast van mening dat het toepassen van het volwassenstrafrecht voor de overval op de [bedrijf 2] het meest passend is. Verdachte functioneert niet op verstandelijk beperkt niveau en hij kan goed de risico’s van zijn eigen handelen inschatten. Ook kan hij zijn eigen gedrag goed organiseren, hij handelt weloverwogen en niet zonder na te denken. Hij komt in contact volwassen over en niet jonger dan zijn kalenderleeftijd. Er zijn wat de deskundigen betreft contra-indicaties voor het toepassen van het jeugdstrafrecht. Er worden geen pedagogische beïnvloedingsmogelijkheden gezien. Verdachte lijkt niet onder de indruk te zijn van justitiële autoriteiten. Hij maakt weloverwogen beslissingen door te kiezen voor het plegen van delicten en daardoor is de verwachting dat verdachte andere jeugdige gedetineerden negatief zal beïnvloeden binnen detentie in een justitiële jeugdinrichting. De deskundigen adviseren in het rapport het volwassenstrafrecht toe te passen. Op basis van het onderzoek worden onvoldoende indicatiecriteria gevonden voor het toepassen van jeugdstrafecht. De deskundigen adviseren om een (gedeeltelijk voorwaardelijke) straf met een proeftijd en stevig toezicht door de reclassering op te leggen. Op de zitting hebben de deskundigen toegelicht dat er op basis van de wegingslijst geen indicatie is voor toepassing van het jeugdstrafrecht. Verdachte komt niet naar voren als een jongen die niet beïnvloedbaar is, niet impulsief is en die weloverwogen keuzes maakt. Naar aanleiding van het bericht van De Waag zoals weergegeven in de rapportage van JBRA d.d. 24 februari 2025 hebben de deskundigen opgemerkt in hun onderzoek niets van de genoemde kwetsbaarheden en het niet kunnen overzien van de gevolgen van keuzes te hebben gezien. De deskundigen zijn van mening dat voor het geheel volwassenenstrafrecht moet worden toegepast. Gedragskundig gezien is er geen onderscheid tussen de persoonlijkheid van de verdachte ten tijde van de feiten gepleegd voor zijn achttiende jaar en daarna. De Raad heeft het volgende naar voren gebracht. Het recidiverisico, gebaseerd op gegevens uit het politiedossier, is laag. Gezien wordt dat verdachte een stabiele thuissituatie heeft waarbij de ouders antisociaal gedrag afkeuren. Daarnaast gaat verdachte naar school en volgt hij een behandeling bij De Waag. Er worden ook risicofactoren gezien. Verdachte gaat voor het snelle geld en verliest het belang van anderen uit het oog. Hij gaat om met jongens die antisociaal gedrag vertonen, neemt een leidende rol in en kan anderen aanzetten tot antisociaal gedrag. De Raad is het eens met het advies van de psycholoog en psychiater over het toepassen van het volwassenstrafrecht en vindt dat verdachte voor beide overvallen volgens het volwassenstrafrecht moet worden berecht. De Raad vindt een benadering vanuit de volwassenreclassering meer passend, omdat er onvoldoende mogelijkheden zijn vanuit een pedagogisch kader. Mocht het jeugdstrafecht worden toegepast, dan is de Raad van mening dat de vordering tenuitvoerlegging moet worden toegewezen en de jeugddetentie vervolgens moet worden omgezet in een werkstraf. Met betrekking tot een straf adviseert de Raad een deels voorwaardelijke detentie met als bijzondere voorwaarden: behandeling gericht op het zelfbepalende gedrag, het zich kunnen committeren aan regels en gezag met als doel hem handvatten te leren om maatschappelijk geaccepteerde keuzes te maken. Het is van belang om zicht te krijgen op de innerlijke belevingswereld van verdachte. JBRA sluit zich ook aan bij het advies van de psycholoog, psychiater en de Raad om het volwassenstrafrecht toe te passen. JBRA heeft nog steeds grote zorgen over de verdachte. De verdachte geeft onvoldoende openheid waardoor er nog geen passende behandeling is gevonden en onvoldoende gewerkt kan worden aan de risico’s. Hoewel er ook dingen goed zijn gegaan tijdens de schorsing, worden er door JBRA binnen het jeugdstrafrecht geen begeleidingsmogelijkheden meer gezien. Er wordt geadviseerd om een (gedeeltelijk voorwaardelijke) straf met een proeftijd en stevig toezicht door de Reclassering Nederland op te leggen. Ook adviseert JBRA een geheel onvoorwaardelijke werkstraf en een voortzetting van de behandeling bij De Waag. Het toe te passen sanctiestelsel De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het sanctierecht voor minderjarigen of voor volwassenen moet worden toegepast. Verdachte was ten tijde van de overval op het [bedrijf 1] minderjarig (de overval was vier dagen voor zijn achttiende verjaardag) en ten tijde van de overval op de [bedrijf 2] meerderjarig (de overval was drie dagen na zijn achttiende verjaardag). Op grond van artikel 495, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering dient de rechtbank in een dergelijk geval een keuze te maken wat het toepasselijke sanctiestelsel betreft. Als hoofdregel heeft te gelden dat de berechting geschiedt volgens het sanctierecht voor volwassenen. Enkel wanneer de persoon van verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is begaan daartoe aanleiding geven, kan van dit uitgangspunt worden afgewezen. De psycholoog, psychiater, Raad en JBRA adviseren om het sanctierecht voor volwassenen toe te passen want er worden onvoldoende pedagogische mogelijkheden gezien. De rechtbank heeft in de adviezen en tijdens het onderzoek ter terechtzitting geen aanleiding gezien om van de hoofdregel af te wijken en zal daarom het sanctiestelsel van het volwassenenstrafrecht toepassen. Dat de behandelaar van De Waag tegen JBRA zijn verbazing heeft uitgesproken over het advies volwassenstrafrecht toe te passen doet daar niet aan af. Detentie en werkstraf Gelet op de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd, zoals hiervoor beschreven, oordeelt de rechtbank dat een vrijheidsbenemende straf van 403 dagen passend en geboden is. De tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, te weten 223 dagen, dient bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering te worden gebracht. De rechtbank zal 180 dagen niet ten uitvoer leggen, tenzij later anders wordt gelast. Aan het voorwaardelijke strafdeel zal de rechtbank de door de Raad geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden met een proeftijd van twee jaar. De rechtbank legt een behoorlijk lagere gevangenisstraf op dan de officier van justitie heeft geëist. De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf sterk rekening gehouden met de jeugdige leeftijd van de verdachte. De rechtbank stelt verder vast dat verdachte bij De Waag goede stappen zet en zich meer en meer openstelt. Verdachte weet kwetsbare dingen te delen ook al vindt hij het bespreken van sommige onderwerpen nog lastig. De Waag heeft vertrouwen in een meer open houding van verdachte wanneer de zitting heeft plaatsgevonden. De rechtbank vindt het gelet op deze ontwikkeling niet in het belang van verdachte en van de maatschappij om verdachte opnieuw vast te zetten; het is immers belangrijk dat de behandeling wordt voortgezet waardoor het recidivegevaar vermindert. Detentie zou de positieve ontwikkeling doorbreken en het recidiverisico juist vergroten. Het forse voorwaardelijke strafdeel moet verdachte er van weerhouden om zich opnieuw schuldig te maken aan strafbare feiten. De rechtbank vindt het belangrijk dat verdachte op dit moment nog wel consequenties ervaart van zijn handelen en zal daarom ook een geheel onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf opleggen van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis voor het geval de taakstraf niet naar behoren wordt verricht. Dit is de maximale taakstraf die de rechtbank kan opleggen. De rechtbank ziet geen aanleiding om een GVM op te leggen. Dadelijke uitvoerbaarheid De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan misdrijven die gericht zijn tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van meerdere personen. Gelet hierop en het laag-matig risico op recidive, is de rechtbank van oordeel dat om het risico op herhaling laag te houden zo spoedig mogelijk invulling dient te worden gegeven aan de geadviseerde voorwaarden. Daarom zal de rechtbank bepalen dat de te stellen voorwaarden en het toezicht door Reclassering Nederland dadelijk uitvoerbaar zijn. 10Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling Bij de stukken bevindt zich de op [geboortedag 4] 2024 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 13.118808.23 betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 16 augustus 2023 van de kinderrechter in deze rechtbank. Bij dat vonnis is aan de verdachte onder meer opgelegd een jeugddetentie van 128 dagen waarvan 90 dagen voorwaardelijk, met bevel dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of voor het einde van een op 1 jaar bepaalde proeftijd één van de gestelde bijzondere voorwaarden heeft overtreden. De officier van justitie heeft ter zitting de vordering gehandhaafd. Ook bevindt zich bij de stukken een akte waaruit blijkt dat de kennisgeving, bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering, op 26 mei 2024 aan verdachte is uitgereikt. Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de gehele tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf te gelasten. De verdachte heeft eerder een kans gehad toen hem een voorwaardelijke straf werd opgelegd en heeft deze niet gegrepen. Hij moet de consequenties van zijn daden dan ook nu ervaren, zeker nu verdachte zich opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een overval en wapenbezit. Zoals hiervoor in paragraaf 9 al is overwogen is het echter niet in het belang van de verdachte en ook niet van de maatschappij wanneer verdachte opnieuw gedetineerd raakt. De rechtbank vindt het belangrijk dat de behandeling van de verdachte doorgang kan vinden. De rechtbank zal, zoals bepleit door de verdediging, de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie voor de duur van 90 dagen daarom omzetten in een taakstraf, te weten naar 180 uren. Naar het oordeel van de rechtbank komt verdachte, gelet op zijn leeftijd, niet meer in aanmerking voor jeugddetentie. De rechtbank zal daarom op grond van artikel 6:6:29 van het Wetboek van Strafvordering de vervangende jeugddetentie omzetten naar vervangende hechtenis, te weten 90 dagen, voor het geval de taakstraf niet naar behoren wordt verricht. 11De benadeelde partijen Zaak A [benadeelde partij 1] De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert € 19.121,- aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ter zitting heeft de raadsman van de benadeelde partij gepersisteerd bij de vordering en deze verder toegelicht. De benadeelde partij is de eigenaar van verschillende filialen in Amsterdam, deze vallen allemaal onder hetzelfde KvK-nummer. Vaste medewerkers van andere filialen hebben de werkzaamheden van de vaste medewerkers van het [bedrijf 1] een periode overgenomen. Voor de vaste medewerkers van de andere filialen zijn derden (uitzendkrachten) ingehuurd. De raadsman heeft benadrukt dat de benadeelde partij de kosten heeft gevorderd voor [bedrijf 1] , waar de ten laste gelegde overval heeft plaatsgevonden. De gevorderde loonkosten zijn volgens de raadsman duidelijk en voldoende onderbouwd zodat deze voor toewijzing vatbaar zijn. De officier van justitie heeft gevorderd om hetzelfde bedrag toe te wijzen als in de zaak van medeverdachte [medeverdachte 4] . De raadsman van de verdachte heeft bepleit om aan te sluiten bij het bedrag dat is toegekend in de zaak van medeverdachte [medeverdachte 4] , te weten € 4.573,-. De rechtbank is van oordeel dat voldoende is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij door de bewezenverklaarde gewapende winkeloverval rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De rechtbank zal de vordering ten aanzien van de weggenomen geldbedragen en goederen, te weten een bedrag van € 4.573,- toewijzen. Gelet op het gestelde op pagina 159 van het dossier (proces-verbaalnummer PL1300-2023283667-42) komt dit bedrag de rechtbank niet onredelijk voor, nu verdachte en zijn medeverdachte ruim € 5.000,- aan contant geld en spullen hebben weggenomen. Dit is ook niet door verdachte ontkend. De behandeling van het resterende deel van de vordering zal, gelet op de gemotiveerde betwisting van de raadsman en het gebrek aan concrete verdere onderbouwing van de vordering, een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Met betrekking tot de loonkosten voor inhuur derden overweegt de rechtbank dat op basis van de overgelegde loonstroken onvoldoende is vast te stellen dat dit de loonkosten voor het betreffende filiaal van de overval betreffen. De ter zitting gegeven toelichting geeft onvoldoende duidelijkheid. Ten aanzien van het gestelde omzetverlies is onvoldoende onderbouwd hoe het bedrag van € 12.000,- is berekend en hoe dit bedrag, dat kennelijk gebaseerd is op omzet, in relatie staat tot gederfde winst. De benadeelde partij zal dan ook voor het deel van de vordering dat ziet op de gevorderde loonkosten en het omzetverlies niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan dit deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Verdachte wordt - hoofdelijk - veroordeeld om het toegewezen bedrag van € 4.573,- aan de benadeelde partij te vergoeden, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. In het belang van [benadeelde partij 1] wordt als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd ter hoogte van € 4.573,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is geleden, te weten vanaf 15 december 2023, welk bedrag bestaat uit materiële schade. Gelet op de jeugdige leeftijd van verdachte ten tijde van het feit zal de rechtbank de maximale duur van de gijzeling bepalen op 0 dagen. [benadeelde partij 2] De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert € 6.000,- aan immateriële schadevergoeding en € 282,78 aan materiële schade, bestaande uit de niet-vergoede kosten voor een behandeling bij een psycholoog, te vermeerderen met de wettelijke rente. Van € 80,54 kan de benadeelde partij nog geen factuur overleggen, aangezien dit een toekomstige sessie is. De schade is echter zo concreet dat dit ook voor toewijzing in aanmerking komt. Verder bestaat de materiële schade uit € 3.000,- toekomstige medische kosten. Ter zitting heeft de raadsvrouw van de benadeelde partij de vordering verder toegelicht. Ook heeft de raadsvrouw een schriftelijke slachtofferverklaring namens haar cliënt voorgelezen waaruit - kort samengevat - blijkt dat de winkeloverval een verwoestende impact op het leven van de benadeelde partij heeft gehad. De benadeelde partij wordt nog steeds wakker van nachtmerries. Overdag lijdt zij aan paniekaanvallen en zij wordt angstig wanneer zij een jongen met een donkere hoodie ziet. Als gevolg van deze klachten is zij in behandeling geweest bij een psychiater in Iran en sinds kort bij een psycholoog in Nederland. De vordering omvat voldoende onderbouwing om tot een hogere toekenning van de vordering te komen dan de toegewezen € 4.000,- in de zaak van medeverdachte [medeverdachte 4] . De officier van justitie heeft verzocht om het bedrag dat toegewezen is bij medeverdachte [medeverdachte 4] (€ 4.000,-) en de gevorderde materiële schade van € 282,78 geheel en hoofdelijk toe te wijzen, met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel. De raadsman van de verdachte heeft bepleit om aansluiting te vinden bij het bedrag dat is toegekend in de zaak van medeverdachte [medeverdachte 4] en daarbij de € 282,78 voor de (deels toekomstige) behandeling bij de psycholoog toe te wijzen. De rechtbank overweegt als volgt. Ten aanzien van de immateriële schade is het aannemelijk dat aangever [benadeelde partij 2] psychisch letsel heeft overgehouden aan het incident. Uit de vordering blijkt dat de benadeelde partij zich erg bedreigd heeft gevoeld tijdens het incident. Er is een vuurwapen op haar gericht en zij is gedwongen om mee te lopen naar de achterkant (naar het magazijn) van de winkel. Daar is het vuurwapen op haar voorhoofd gericht. Op dat moment vreesde zij voor haar leven. De benadeelde partij stelt ook in het dagelijks leven nog steeds last te hebben van het incident. Op grond van de door de benadeelde partijen gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, acht de rechtbank, evenals de rechtbank in de zaak van medeverdachte [medeverdachte 4] , in dit geval een bedrag van € 4.000,- redelijk en zonder nader onderzoek of verdere onderbouwing toewijsbaar. De rechtbank wijst ook een bedrag van € 282,78 voor de behandeling bij de psycholoog toe. Dit bedrag is voldoende onderbouwd en niet betwist. De behandeling van het resterende deel van de vorderingen (ook met betrekking tot de toekomstige medische kosten) zal, gelet op de betwisting en het gebrek aan concrete verdere onderbouwing ten aanzien van de huidige behandeling van de benadeelde partij, een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Voor dat deel van de vordering zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan dit deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Verdachte wordt - hoofdelijk - veroordeeld om het toegewezen bedrag van € 4.282,78,- aan de benadeelde partij te vergoeden, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. In het belang van [benadeelde partij 2] wordt als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd ter hoogte van € 4.282,78 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is geleden, te weten vanaf 15 december 2023, welk bedrag bestaat uit materiële en immateriële schade. Gelet op de jeugdige leeftijd van verdachte ten tijde van het feit zal de rechtbank de maximale duur van de gijzeling bepalen op 0 dagen. [benadeelde partij 3] De benadeelde partij [benadeelde partij 3] vordert € 750,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente. De officier van justitie heeft verzocht om de vordering geheel, hoofdelijk en met de wettelijke rente toe te wijzen, net zoals bij medeverdachte [medeverdachte 4] . Zij heeft daarnaast verzocht om ten behoeve van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. De raadsman van de verdachte heeft bepleit om aansluiting te vinden bij het bedrag dat is toegekend in de zaak van medeverdachte [medeverdachte 4] . De rechtbank is van oordeel dat voldoende is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij [benadeelde partij 3] door het bewezenverklaarde delict rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van de camerabeelden van het incident, de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, acht de rechtbank zonder verdere concrete onderbouwing een bedrag van € 750,- zoals gevorderd billijk en zonder nader onderzoek of verdere onderbouwing toewijsbaar. Verdachte wordt - hoofdelijk - veroordeeld om het toegewezen bedrag van in totaal € 750,- aan de benadeelde partij te vergoeden, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. In het belang van [benadeelde partij 3] wordt als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd ter hoogte van € 750,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is geleden, te weten vanaf 15 december 2023, welk bedrag bestaat uit immateriële schade. Gelet op de jeugdige leeftijd van verdachte ten tijde van het feit zal de rechtbank de maximale duur van de gijzeling bepalen op 0 dagen. Zaak B [benadeelde partij 5] De benadeelde partij [benadeelde partij 5] vordert aan materiële schade € 489,- (kosten vervangen scherm iPhone) en € 43,09 (bijdrage eigen risico voor het halen van een tetanusprik), in totaal € 532,09 en € 3.500,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade (22 december 2023). De officier van justitie heeft gevorderd om hetzelfde bedrag (€ 2.532,09) toe te wijzen als in de zaak van medeverdachte [medeverdachte 2] . De officier van justitie acht dat bedrag hoofdelijk toewijsbaar, met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De raadsman van de verdachte heeft bepleit om aansluiting te vinden bij het bedrag dat is toegekend in de zaak van medeverdachte [medeverdachte 2] . Vastgesteld kan worden dat de benadeelde partij materiële en immateriële schade heeft geleden. De materiële schade is voldoende onderbouwd en niet betwist. De rechtbank zal het gevraagde bedrag van € 532,09 hoofdelijk toewijzen, met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade. Wat betreft de immateriële schade acht de rechtbank gelet op vergelijkbare zaken een bedrag van € 2.000,- billijk. Dit bedrag wordt hoofdelijk toegewezen, met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade. In het belang van de benadeelde partij [benadeelde partij 5] wordt als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd ter hoogte van € 532,09 aan materiële schade en € 2.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade (22 december 2023). Gelet op de jeugdige leeftijd van verdachte ten tijde van het feit zal de rechtbank de maximale duur van de gijzeling bepalen op 0 dagen. De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering. [bedrijf 2] De benadeelde partij [bedrijf 2] vordert aan materiële schade € 1.185,- zijnde het omzetverlies en € 521,- aan proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade (22 december 2023). De officier van justitie acht de vordering hoofdelijk toewijsbaar, met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De raadsman heeft verzocht de vordering af te wijzen aangezien onduidelijk is wat er aan winst is misgelopen en wat dus precies de schade is. De raadsman verzoekt aansluiting te vinden bij hetgeen daarover met betrekking tot [benadeelde partij 1] (de eigenaar van [bedrijf 1] ) in de zaak van medeverdachte [medeverdachte 4] door de rechtbank is overwogen. De behandeling van de vordering zal, gelet op de gemotiveerde betwisting van de raadsman en het gebrek aan concrete verdere onderbouwing van de vordering, een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Ten aanzien van het gestelde omzetverlies is onvoldoende onderbouwd hoe het bedrag van € 1.185,- is berekend en hoe dit bedrag, dat kennelijk gebaseerd is op omzet, in relatie staat tot gederfde winst. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De benadeelde partij zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Nu de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaart in de vordering voor de materiële schade, zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen. [benadeelde partij 6] De benadeelde partij [benadeelde partij 6] vordert € 1.000, - aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade (22 december 2023). Daarnaast vordert hij € 1.042,- aan proceskosten, overeenkomstig twee punten van het liquidatietarief. De officier van justitie heeft gevorderd om hetzelfde bedrag toe te wijzen als in de zaak van medeverdachte [medeverdachte 2] . De officier van justitie acht dat bedrag hoofdelijk toewijsbaar, met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De raadsman van de verdachte heeft bepleit om aansluiting te vinden bij het bedrag dat is toegekend in de zaak van medeverdachte [medeverdachte 2] . De rechtbank acht het aannemelijk dat de benadeelde partij door de overval immateriële schade heeft geleden. De rechtbank stelt de geleden immateriële schade naar billijkheid en gelet op vergelijkbare zaken vast op een bedrag van € 1.000, -. De vordering zal hoofdelijk worden toegewezen, met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade. De gevorderde proceskosten zijn conform het toepasselijke liquidatietarief toewijsbaar. In het belang van de benadeelde partij [benadeelde partij 6] wordt als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd ter hoogte van € 1.000, - aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (22 december 2023). Gelet op de jeugdige leeftijd van verdachte ten tijde van het feit zal de rechtbank de maximale duur van de gijzeling bepalen op 0 dagen. [benadeelde partij 7] De benadeelde partij [benadeelde partij 7] vordert € 1.500, - aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade (22 december 2023). De officier van justitie heeft gevorderd om hetzelfde bedrag toe te wijzen als in de zaak van medeverdachte [medeverdachte 2] . De officier van justitie acht dat bedrag hoofdelijk toewijsbaar, met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De raadsman van de verdachte heeft bepleit om aansluiting te vinden bij het bedrag dat is toegekend in de zaak van medeverdachte [medeverdachte 2] . De rechtbank acht het aannemelijk dat de benadeelde partij door de overval immateriële schade heeft geleden. De rechtbank stelt de immateriële schade naar billijkheid gelet op vergelijkbare zaken vast op een bedrag van € 1.000, -. De vordering wordt hoofdelijk toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. In het belang van de benadeelde partij [benadeelde partij 7] wordt als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd ter hoogte van € 1.000, - aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (22 december 2023). Gelet op de jeugdige leeftijd van verdachte ten tijde van het feit zal de rechtbank de maximale duur van de gijzeling bepalen op 0 dagen De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering. 12Beslag Onder de verdachte zijn de volgende goederen in beslag genomen: € 580,- IGB: 16-01-2024, omschrijving: G6449946; 1 STK Telefoontoestel, omschrijving: G6449863, grijs, merk: Apple. De raadsman heeft ten aanzien van het inbeslaggenomen geld geen verweer gevoerd. De raadsman heeft verzocht om de telefoon niet verbeurd te verklaren. Van het geld is het de rechtbank gebleken dat het uit een door verdachte gepleegd misdrijf afkomstig is, namelijk de overval op het [bedrijf 1] (Zaak A). Verdachte heeft dit ter zitting verklaard. De rechtbank is daarom van oordeel dat het onder verdachte inbeslaggenomen geld, zoals verzocht door de officier van justitie, verbeurd dient te worden verklaard. De rechtbank is tevens van oordeel dat de onder verdachte inbeslaggenomen telefoon verbeurd dient te worden verklaard, zoals verzocht door de officier van justitie, nu het bewezenverklaarde in zowel zaak A als zaak B met behulp van deze telefoon is begaan. De rechtbank gaat daarmee voorbij aan het verweer van de raadsman. 13Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 36f, 45, 47, 77b en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie. 14Beslissing Verklaart het in zaak B onder feit 2 en 3 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij. Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A onder feit 1 en 2 en het in zaak B onder feit 1 en 4 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezenverklaarde levert op: Zaak A: ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde: diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde: medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet Wapens en munitie Zaak B: ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde: poging tot diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen ten aanzien van het onder 4 bewezen verklaarde: medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet Wapens en munitie. Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 403 dagen. Beveelt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, te weten 223 dagen, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden. Beveelt dat een gedeelte, groot 180 dagen, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast. Stelt de proeftijd vast op 2 jaren onder de algemene voorwaarden dat de veroordeelde: - zich voor het einde van de proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit; en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde: - zich houdt aan zijn school/stage rooster; - meewerkt aan het vinden en behouden van een positieve vrijetijdsbesteding; - meewerkt aan behandeling vanuit De Waag of een soortgelijke instelling; - iedere week met Reclassering Nederland een weekschema maakt zolang Reclassering Nederland dat nodig vindt; - zich niet zal bevinden in (een straal van 100 meter rondom) [bedrijf 1] , [adres 2] en in (een straal van 100 meter rondom) de [bedrijf 2] , [adres 3] ; - op geen enkele wijze contact opneemt met de medeverdachten:  [medeverdachte 4] (geboren op [geboortedag 2] 2008 te [geboorteplaats 1] );  [medeverdachte 1] (geboren op [geboortedag 3] 2006 te [geboorteplaats 2] in [geboorteland] );  [medeverdachte 2] (geboren op [geboortedag 4] 2007 te [geboorteplaats 3] ); en de slachtoffers:  [benadeelde partij 2] (geboren op [geboortedatum 1] );  [benadeelde partij 4] (geboren op [geboortedatum 2] );  [slachtoffer 4] (geboren op [geboortedatum 3] );  [slachtoffer 3] (geboren op [geboortedatum 4] );  [benadeelde partij 3] (geboren op [geboortedatum 5] );  [benadeelde partij 6] (geboren op [geboortedatum 6] ;  [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum 7] );  [benadeelde partij 5] (geboren op [geboortedatum 8] );  [benadeelde partij 7] (geboren op [geboortedatum 9] ), tenzij in het kader van mediation. Van rechtswege gelden tevens de voorwaarden dat veroordeelde: - ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden; - zijn medewerking zal verlenen aan het door de Reclassering Nederland te houden toezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht. Geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde daarvan te begeleiden. Beveelt dat de gestelde bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn. Veroordeelt verdachte daarnaast tot een taakstraf voor de duur van 240 uren. Beveelt dat, als de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen. Verklaart verbeurd: € 580,- IGB: 16-01-2024, omschrijving: PL1300-2023283667-G6449946; 1 STK Telefoontoestel, omschrijving: PL1300-2023283667-G6449863, grijs, merk: Apple. Gelast – in plaats van de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie van 90 dagen (parketnummer 13.118808.23) – een taakstraf van 180 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 dagen. Benadeelde [benadeelde partij 1] Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte tot betaling van € 4.573,00 (zegge vierduizend vijfhonderddrieënzeventig euro) voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten op 15 december 2023, tot aan de dag van de algehele voldoening. Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 1] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander of anderen is betaald. Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil. Legt aan verdachte op de maatregel van schadevergoeding ten behoeve van [benadeelde partij 1] (de eigenaar van [bedrijf 1] ) ter hoogte van € 4.573,00 (zegge vierduizend vijfhonderddrieënzeventig euro). Voormeld bedrag bestaat uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten op 15 december 2023, tot aan de dag van de algehele voldoening, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander of anderen is betaald. Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen. Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen. Bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij 1] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is. Benadeelde [benadeelde partij 2] Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte tot betaling van € 4.000,00 (zegge vierduizend euro) voor immateriële schade en € 282,784 (zegge tweehonderd tweeëntachtig euro en achtenzeventig cent) voor materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten op 15 december 2023, tot aan de dag van de algehele voldoening. Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 2] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander of anderen is betaald. Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil. Legt aan verdachte op de maatregel van schadevergoeding ten behoeve van [benadeelde partij 2] ter hoogte van € 4.282,78 (zegge vierduizend tweehonderdtweeëntachtig euro en achtenzeventig cent). Voormeld bedrag bestaat uit immateriële en materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten op 15 december 2023, tot aan de dag van de algehele voldoening, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander of anderen is betaald. Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen. Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen. Bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij 2] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is. Benadeelde [benadeelde partij 3] Wijst de vordering van de benadeelde partij geheel toe en veroordeelt verdachte tot betaling van € 750,00 (zegge zevenhonderdvijftig euro) voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten op 15 december 2023, tot aan de dag van de algehele voldoening. Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 3] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander of anderen is betaald. Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil. Legt aan verdachte op de maatregel van schadevergoeding ten behoeve van [benadeelde partij 3] ter hoogte van € 750,00 (zegge zevenhonderdvijftig euro). Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten op 15 december 2023, tot aan de dag van de algehele voldoening, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander of anderen is betaald. Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen. Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen. Benadeelde [benadeelde partij 5] Wijst de vordering van de benadeelde partij , gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 532,09 (vijfhonderd tweeëndertig euro en negen eurocent) aan materiële schade en € 2.000, - (tweeduizend euro) aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade (22 december 2023) tot aan de dag van het ontstaan van de schade. Bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij 5] voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering. Veroordeelt verdachte aan [benadeelde partij 5] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander is betaald. Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij [benadeelde partij 5] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil. Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 5] , te betalen de som van € 532,09 (vijfhonderd tweeëndertig euro en negen eurocent) aan materiële schade en € 2.000, - (tweeduizend euro) aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade (22 december 2023) tot aan de dag van de algehele voldoening, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander of anderen is betaald. Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen. Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen. Benadeelde [bedrijf 2] Bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen. Benadeelde [benadeelde partij 6] Wijst de vordering van de benadeelde partij , geheel toe tot een bedrag van € 1.000,- (duizend euro) aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade (22 december 2023) tot aan de dag van de algehele voldoening. Veroordeelt verdachte aan [benadeelde partij 6] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander is betaald. Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij [benadeelde partij 6] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op € 1.042,-. Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 6] te betalen € 1.000,- (duizend euro) aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade (22 december 2023) tot aan de dag van de algehele voldoening, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander of anderen is betaald. Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen. Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen. Benadeelde [benadeelde partij 7] Wijst de vordering van de benadeelde partij , gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 1.000,- (duizend euro) aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade (22 december 2023) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij 7] voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering. Veroordeelt verdachte aan [benadeelde partij 7] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander is betaald. Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij [benadeelde partij 7] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil. Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 7] te betalen de som van € 1.000,- (duizend euro) aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade (22 december 2023) tot aan de dag van de algehele voldoening behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander of anderen is betaald. Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen. Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen. Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis. Dit vonnis is gewezen door mr. I.M. Nusselder, voorzitter tevens kinderrechter, mrs. M.J.M. Marseille en J.W.B. Snijders Blok, rechters, in tegenwoordigheid van mrs. D. van Amelsvoort en A.M. Elsman, griffiers, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 maart 2025.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.