← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2025:5471

vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Team Familie & Jeugd Parketnummer: 13.260751.24 (Promis) Datum uitspraak: 3 april 2025 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaken tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2008, wonende op de [adres 1] . 1Onderzoek ter terechtzitting De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting achter gesloten deuren van 3 april 2025. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Modder en van wat verdachte en zijn raadsman mr. D. Vermaat naar voren hebben gebracht. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat door [naam 1] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), [naam 2] , namens Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: JBRA), de ambulant begeleider [naam 3] en door de moeder van verdachte naar voren is gebracht. De broer van verdachte was als toehoorder aanwezig bij de zitting. Namens de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] was mr. R. Korver aanwezig. 2Tenlastelegging Aan verdachte is, kort gezegd, ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan: ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde: primair: medeplegen van een poging om opzettelijk een ontploffing teweeg te brengen op 14 augustus 2024 bij een woning aan de [adres 2] , perceelnummer [nummer] , te Vlaardingen, terwijl daar gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar, dan wel gevaar voor lichamelijk letsel voor personen te duchten was; subsidiair: medeplegen van een voorbereiding om opzettelijk een ontploffing teweeg te brengen op 14 augustus 2024 bij een woning aan de [adres 2] , perceelnummer [nummer] , te Vlaardingen, terwijl daar gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar, dan wel gevaar voor lichamelijk letsel voor personen te duchten was; ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde: het, al dan niet opzettelijk, voorhanden en/of opgeslagen hebben van professioneel vuurwerk, te weten mortierbommen, bestemd voor particulier gebruik op 14 augustus 2024. De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis en geldt als hier ingevoegd. 3Voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs De verdachte heeft de tenlastegelegde feiten bekend en door de verdediging is ter terechtzitting voor wat betreft de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De officier van justitie heeft bewezenverklaring van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde gevorderd. De rechtbank acht de onder 1 primair en 2 tenlastegelegde feiten, het medeplegen van een poging tot het teweegbrengen van een ontploffing en het opzettelijk voorhanden hebben van professioneel vuurwerk, bewezen. De rechtbank heeft bij de beoordeling van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde acht geslagen op de bewijsmiddelen die staan opgenomen in bijlage II. 5Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in vervatte bewijsmiddelen bewezen dat ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde: hij op 14 augustus 2024 te Vlaardingen, tezamen en in vereniging met anderen, bij/ter hoogte van een woning gelegen aan de [adres 2] , perceelnummer [nummer] , ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader(

  1. s)voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ontploffing teweeg te brengen terwijl daarvan - gemeen gevaar voor goederen, te weten voornoemde woning en de in die woning aanwezige goederen en/of de naastgelegen woningen en/of auto’s en/of de in die naastgelegen woningen en/of auto's aanwezige goederen en - levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de in de voornoemde woning aanwezige perso(o)n(
  2. en)en/of de in de naastgelegen/omringende woningen aanwezige perso(o)n(en), te duchten was - met explosieven, te weten meer stuks zwaar vuurwerk naar voornoemde woning is toegegaan en - voornoemde explosieven in aanraking heeft gebracht met open vuur en - voornoemde explosieven naar voornoemde woning heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde: hij op 14 augustus 2024 te Rotterdam en Vlaardingen opzettelijk, meer stuks knalvuurwerk (mortierbommen), in elk geval professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik, voorhanden heeft gehad. 6Bewijs De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen in bijlage II zijn vervat. 7Strafbaarheid van de feiten De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 8Strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 9Motivering van de straffen en maatregelen De eis van de officier van justitie De officier van justitie vordert dat verdachte zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie van 104 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest. De officier van justitie vordert dat als bijzondere voorwaarden opgelegd worden dat verdachte meewerkt aan toezicht en begeleiding vanuit de jeugdreclassering en dat verdachte meewerkt aan een coach van Come On! Daarnaast vordert de officier van justitie een werkstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen jeugddetentie. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft naar voren gebracht dat bij het bepalen van de straf goed gekeken moet worden naar de aanleiding. Verdachte is minderjarig en om die reden gevoelig voor beïnvloeding, zoals ook is te lezen in het vonnis van medeverdachte [medeverdachte] . Verdachte was zich niet volledig bewust van de ernst van de feiten en tot op zekere hoogte is hij slachtoffer van criminele uitbuiting geweest. De raadsman kan zich vinden in de strafeis van de officier van justitie, met uitzondering van de bijzondere voorwaarden. De raadsman vindt dat deze bijzondere voorwaarden niet nodig zijn vanwege de beschermende factoren en het positieve gedrag dat verdachte sinds zijn schorsing uit de voorlopige hechtenis heeft laten zien. Het oordeel van de rechtbank Bij de beslissing over de straf en het bepalen van de maatregel laat de rechtbank zich leiden door de persoon van de verdachte zoals die naar voren komt in nagenoemde rapportages en hetgeen de deskundigen ter zitting hebben verklaard, alsmede de ernst van het bewezen geachte en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang. Ernst van de feiten Verdachte heeft zich samen met anderen op 14 augustus 2024 schuldig gemaakt aan een poging tot het teweegbrengen van een ontploffing met twee mortierbommen, waardoor schade voor goederen en levensgevaar en zwaar lichamelijk letsel voor personen te duchten is geweest. De twee mortierbommen zijn aangestoken en in de voortuin van het huis van de slachtoffers gegooid, terwijl deze slachtoffers, een moeder met haar twee kinderen, thuis waren. Hun gevoel van veiligheid is hierdoor ernstig geschaad. Bovendien waren de slachtoffers ten tijde van het gepleegde feit in rouw, omdat hun echtgenoot/vader twee dagen daarvoor was overleden. Dit rouwproces is door het toedoen van verdachte ernstig verstoord. Het gepleegde feit heeft dan ook diepe sporen bij het getroffen gezin achtergelaten, zoals ook in het spreekrecht naar voren is gebracht. Verdachte heeft geen enkele opheldering verschaft over zijn beweegredenen, behalve dat hij dit deed om snel geld te verdienen. Dat de slachtoffers nog steeds niet weten van wie de opdracht of het idee voor het plaatsen van de explosieven kwam, is extra beangstigend. Daarnaast heeft het handelen van verdachte niet alleen gevolgen gehad voor de slachtoffers zelf, maar veroorzaken dit soort misdrijven ook gevoelens van angst en onveiligheid in de gehele samenleving. Persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie van 3 april 2025 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder veroordeeld is. De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van de rapportages die over de verdachte zijn opgesteld, waaronder: een Pro Justitia rapportage, opgemaakt door A.J. van de Linde, GZ psycholoog van 19 november 2024; een rapport van de Raad van 3 maart 2025. Uit het rapport van de psycholoog blijkt dat er bij verdachte geen sprake is van een psychische stoornis en/of verstandelijke handicap. De psycholoog adviseert het ten laste gelegde volledig aan verdachte toe te rekenen. Het recidiverisico wordt door de psycholoog als laag ingeschat. Geadviseerd wordt om een jeugdreclasseringsmaatregel op te leggen. Verder wordt geadviseerd om begeleiding vanuit Come On! Coach op te leggen als bijzondere voorwaarde bij een (deels) voorwaardelijke straf. De Raad adviseert om een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen. De Raad vindt het belangrijk dat er toezicht blijft en adviseert daarom om bijzondere voorwaarden op te leggen, zoals dat verdachte meewerkt aan de begeleiding van Come On! en naar school gaat. In de ernst van het feit en de weloverwogen keuzes van verdachte daarbij ziet de Raad aanknopingspunten voor langer toezicht. De Raad ziet weliswaar dat het nu goed gaat met verdachte, maar is van mening dat begeleiding van de coach noodzakelijk is om deze ontwikkeling te blijven vasthouden. JBRA ziet, anders dan de psycholoog van het NIFP en de Raad, geen indicatie voor jeugdreclasseringstoezicht. Er zijn in het leven van verdachte positieve ontwikkelingen zichtbaar. Er is bij verdachte sprake van een stabiel gezin, een gemotiveerde houding ten opzichte van school en een reflectief vermogen ten opzichte van het verleden. De coach bevestigt dat verdachte een goede ontwikkeling heeft doorgemaakt. Verdachte heeft zich goed aan zijn schorsende voorwaarden gehouden en zich positief ingezet voor school, vrijetijds- en dagbesteding. Er zijn veel goede gesprekken met de coach geweest. Indien verdachte naar aanleiding van het vonnis in de strafzaak nog een schadevergoeding moet betalen, kunnen gesprekken met de coach nog van toegevoegde waarde zijn. Het delict is immers gepleegd vanwege financiële redenen en daarin bestaat een risico voor de kans op herhaling. De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat verdachte niet terug hoeft naar een jeugdgevangenis. Verdachte heeft zich aan zijn schorsende voorwaarden gehouden en van belang is dat verdachte zich kan blijven richten op zijn schoolgang. Gelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd, zoals hiervoor beschreven, is de rechtbank van oordeel dat een deels voorwaardelijke jeugddetentie, met daarnaast een werkstraf, passend en geboden is. De rechtbank legt aan verdachte op een jeugddetentie voor de duur van 100 dagen waarvan 60 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De rechtbank legt daarnaast een werkstraf op van 60 uren, te vervangen door 30 dagen jeugddetentie indien verdachte deze straf niet of niet goed uitvoert. De rechtbank is met de officier van justitie, de psycholoog en de Raad van oordeel dat begeleiding en toezicht nog langer geïndiceerd is. Verdachte heeft de feiten met zijn volle verstand gepleegd, terwijl er destijds weinig risicofactoren aanwezig waren. Tegelijk constateert de rechtbank dat verdachte zich door een volwassen medeverdachte heeft laten beïnvloeden waarbij verdachte kennelijk voor het grote geld is gezwicht. De rechtbank vindt het belangrijk dat verdachte in het vervolg leert om weerstand te bieden en andere beslissingen te nemen, ook op momenten dat het even tegenzit. De rechtbank is het met de verdediging eens dat verdachte in de afgelopen periode heeft laten zien dat hij verstandige keuzes maakt en serieus aan zijn toekomst werkt, maar acht continuering van de begeleiding en het toezicht van belang om te zorgen dat verdachte deze positieve lijn vast blijft houden. Daarom zal de rechtbank de door de Raad geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden aan het voorwaardelijke deel van de jeugddetentie. 10De benadeelde partijen De benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 2] vorderen ieder € 20.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en daarnaast vergoeding van de proceskosten conform het liquidatietarief. Ter zitting heeft mr. Korver gepersisteerd bij de vordering en deze verder toegelicht. Hij heeft gewezen op het feit dat medeverdachte [medeverdachte] veroordeeld is tot betaling van € 5.000,- per benadeelde. Mr. Korver heeft bepleit dat bij de rol van verdachte een grotere en meer wezenlijke rol is geweest dan de rol van medeverdachte [medeverdachte] . Verdachte heeft de explosieven opgehaald en vervolgens over het hek gegooid. Hij is dus verantwoordelijk voor een groter deel van de schade. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat hetzelfde bedrag als in de zaak van medeverdachte [medeverdachte] of minder dan dit bedrag moet worden toegewezen. De officier van justitie meent dat verdachte geen grotere materiële bijdrage heeft gehad, verdachte is eerder minder aansprakelijk dan medeverdachte [medeverdachte] dan andersom. Verdachte zit immers minder hoog in de criminele ladder en heeft waarschijnlijk ook een lagere vergoeding in het vooruitzicht gesteld gekregen. Het standpunt van de verdediging De raadsman van de verdachte heeft verzocht om een lager bedrag toe te kennen dan in de zaak van de medeverdachte [medeverdachte] , aangezien de medeverdachte een grotere rol heeft gespeeld dan verdachte. De raadsman sluit aan bij de redenering van de officier van justitie. Het oordeel van de rechtbank Vaststaat dat de benadeelde partijen door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (hierna BW) heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade. De aard en de ernst van de normschending brengen mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat hij op andere wijze is aangetast in zijn persoon in de zin van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW. De normschending heeft er in dit geval uit bestaan dat verdachte geprobeerd heeft een ontploffing bij de woning van de slachtoffers teweeg te brengen, terwijl de slachtoffers zich in de woning bevonden. In de periode daarvoor hebben de slachtoffers al veelvuldig te maken gehad met ontploffingen bij de woning. Bovendien zaten de slachtoffers op moment van het plegen van het feit in een rouwproces vanwege het recente overlijden van hun partner/vader. Onder de hiervoor genoemde omstandigheden is sprake van een zodanige ernstige normschending dat het voor de hand ligt dat de nadelige gevolgen zonder meer aangenomen kunnen worden, waarmee dan ook sprake is van een aantasting op andere wijze in de persoon. De hoogte van de vordering is betwist, althans verzocht is om lager bedrag toe te wijzen. Op grond van de door benadeelde partij gestelde omstandigheden, rekening houdend met vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, acht de rechtbank met de huidige stand van zaken een bedrag van € 3.000,- aan immateriële schade billijk en toewijsbaar. De rechtbank heeft daarbij geen onderscheid gemaakt in de bijdrage van de verschillende verdachten ten aanzien van het gepleegde feit, nu dat bij het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding geen rol speelt. Verdachte wordt – hoofdelijk – veroordeeld om het toegewezen bedrag van € 3.000,- aan elk van de drie benadeelde partijen te vergoeden, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan, te weten 14 augustus 2024. De rechtbank verklaart de benadeelde partijen voor het overige niet-ontvankelijk in hun vordering. Proceskosten De gevorderde proceskosten zijn conform het toepasselijke liquidatietarief toewijsbaar. De rechtbank zal de verdachte dan ook hoofdelijk veroordelen in de proceskosten van de benadeelde partijen, alsmede in de nog te maken kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging. Voor alle benadeelden wijst de rechtbank één liquidatiepunt toe voor het indienen van de vordering in eerste aanleg. Daarnaast kent de rechtbank één extra liquidatiepunt toe aan benadeelde [benadeelde partij 1] voor het toelichten van de vordering tijdens de mondelinge behandeling. De vorderingen van alle benadeelden zijn identiek en zijn gezamenlijk toegelicht aan de hand van één pleitnotitie. De rechtbank gaat uit van het liquidatietarief kanton geldend per 1 februari 2024 en het daarin genoemd tarief € 3.750,- van € 238,- per punt. Schadevergoedingsmaatregel In het belang van [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 2] wordt als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, hoofdelijk de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd ter hoogte van € 3.000,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is geleden, te weten vanaf 14 augustus 2024, welk bedrag bestaat uit immateriële schade. Gelet op de jeugdige leeftijd van verdachte ten tijde van het feit zal de rechtbank de maximale duur van de gijzeling bepalen op 0 dagen. 11Beslag Onder de verdachte is het volgende goed in beslag genomen: - 1 STK GSM (Omschrijving: PL1700-2024266976-G6814842, groen, merk: Apple). De raadsman heeft verzocht om de telefoon niet verbeurd te verklaren. Het is nog eens een bijkomende straf voor verdachte, die hem zal raken in zijn vermogen, en verbeurdverklaren is niet noodzakelijk; de telefoon zal inmiddels door de politie zijn leeggemaakt. De rechtbank zal de onder verdachte inbeslaggenomen telefoon verbeurd verklaren nu het bewezenverklaarde met behulp van deze telefoon is begaan. Verdachte heeft immers via zijn telefoon contact gehad met een medeverdachte over de uit te voeren opdracht. Ook is met de telefoon van verdachte het delict gefilmd. De rechtbank neemt daarbij in acht dat verdachte hiermee in zijn vermogen wordt geraakt, maar acht dat een passende bijkomende straf. 12Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straffen zijn gegrond op de volgende wetsartikelen: artikelen 33, 33a, 45, 47, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 157 van het Wetboek van Strafrecht, en artikelen 1a, 2, 6 van de Wet op de economische delicten, artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, artikel 1.2.2 van het Vuurwerkbesluit. 13Beslissing De rechtbank verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair en feit 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezenverklaarde levert op: Feit 1 medeplegen van een poging tot opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor dat pand en goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten is; Feit 2 overtreding van een voorschrift, strafbaar gesteld krachtens artikel 9.2.2.1. eerste lid, van de Wet milieubeheer (artikel 1.2.2., eerste lid van het Vuurwerkbesluit), opzettelijk begaan. Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar. Veroordeeld verdachte tot een jeugddetentie van 100 (honderd) dagen. Beveelt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden. Bepaalt dat een deel, te weten 60 (zestig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van de voorwaarden. Stelt de proeftijd vast op 2 jaren onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde: - zich voor het einde van de proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit; en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde: - naar school/stage gaat volgens het lesrooster; - meewerkt aan de begeleiding van Come On! Van rechtswege gelden tevens de voorwaarden dat veroordeelde: - ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden; - zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden toezicht, bedoeld in 77a, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen. Geeft opdracht aan Jeugdbescherming Regio Amsterdam tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde daarvan te begeleiden. Veroordeelt de verdachte daarnaast tot een werkstraf voor de duur van 60 (zestig) uren. Beveelt dat, als de verdachte de werkstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 30 dagen. Verklaart verbeurd: 1 STK GSM (Omschrijving: PL1700-2024266976-G6814842, groen, merk: Apple). Benadeelde partij [benadeelde partij 1] Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling van € 3.000,- (zegge: drieduizend euro) voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten op 14 augustus 2024, tot aan de dag van de algehele voldoening. Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op € 476,-. Legt aan verdachte hoofdelijk op de maatregel van schadevergoeding ten behoeve van [benadeelde partij 1] ter hoogte van € 3.000,- (zegge: drieduizend euro). Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten op 14 augustus 2024, tot aan de dag van de algehele voldoening, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander of anderen is betaald. Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen. Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen. Bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij 1] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is. Benadeelde partij [benadeelde partij 2] Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling van € 3.000,- (zegge: drieduizend euro) voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten op 14 augustus 2024, tot aan de dag van de algehele voldoening. Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op € 238,-. Legt aan verdachte hoofdelijk op de maatregel van schadevergoeding ten behoeve van [benadeelde partij 2] ter hoogte van € 3.000,- (zegge: drieduizend euro). Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten op 14 augustus 2024, tot aan de dag van de algehele voldoening, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander of anderen is betaald. Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen. Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen. Bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij 2] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is. Benadeelde partij [benadeelde partij 3] Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling van € 3.000,- (zegge: drieduizend euro) voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten op 14 augustus 2024, tot aan de dag van de algehele voldoening. Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op € 238,-. Legt aan verdachte hoofdelijk op de maatregel van schadevergoeding ten behoeve van [benadeelde partij 3] ter hoogte van € 3.000,- (zegge: drieduizend euro). Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten op 14 augustus 2024, tot aan de dag van de algehele voldoening, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander of anderen is betaald. Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen. Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen. Bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij 3] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is. Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis. Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Luijck, voorzitter tevens kinderrechter, mrs. E. Diepraam en J.W.B. Snijders Blok, rechters, in tegenwoordigheid van mrs. D. van Amelsvoort en A.M. Elsman, griffiers, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 april 2025.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.