RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-280760-24 Datum uitspraak: 29 juli 2025 UITSPRAAK op de vordering van 15 mei 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 20 augustus 2024 door the District Court in Koszalin II Criminal Department, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëist persoon] geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1977, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 15 juli 2025, in aanwezigheid van mr. N.R. Bakkenes, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. L.J.H. Kortz, advocaat te Utrecht en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis van the Local Court in Koszalin van 14 december 2021, met kenmerk II K 1251/21. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog vijf maanden en vier dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. 3.1 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Standpunt van de raadsman De raadsman heeft aangevoerd dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW. Niet is gebleken dat de opgeëiste persoon naar behoren is opgeroepen voor de zitting die heeft geleid tot de beslissing van 14 december 2021. Het EAB vermeldt weliswaar dat de opgeëiste persoon is gedagvaard, maar niet of de oproeping ook daadwerkelijk naar zijn adres is gestuurd en of hij is geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure. De uitvaardigende autoriteit heeft dit ook niet onderbouwd met stukken. Daarnaast moet ook de beslissing tot tenuitvoerlegging van de aanvankelijk voorwaardelijk opgelegde straf aan artikel 12 OLW worden getoetst. Het is niet gebleken dat de opgeëiste persoon is opgeroepen voor de zitting die heeft geleid tot de beslissing van 23 maart 2023. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet aan de orde is, omdat de opgeëiste persoon op 15 november 2021 in persoon is gedagvaard voor de zitting die heeft geleid tot de beslissing van 14 december 2021. Daarmee is sprake van de situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de opgeëiste persoon wist van de veroordeling en zelfs is aangevangen met de opgelegde werkstraf. De beslissing tot tenuitvoerlegging van de aanvankelijk voorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf van 23 maart 2023 was ingegeven door de overtreding van de gestelde voorwaarden en hoeft dus niet aan artikel 12 OLW te worden getoetst. Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis, terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Op grond van hetgeen in onderdeel
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.