← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2025:5601

vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Team Familie & Jeugd Parketnummer: 13.391456.24 Parketnummer vordering tenuitvoerlegging: 13.072436.24 Datum uitspraak: 14 april 2025 Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaken tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2008, wonende op het adres [adres] . 1Onderzoek ter terechtzitting De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting achter gesloten deuren van 31 maart

  1. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. C.R. Zetsma en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. L.M. Oldenburg naar voren hebben gebracht. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat onder meer door [persoon 1] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), [persoon 2] , namens William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (hierna: WSS), en door de moeder van verdachte naar voren is gebracht. Ook was aanwezig [persoon 3] , vertegenwoordiger van [naam 1] B.V., die namens de benadeelde partij [naam N.V.] (hierna: [naam N.V.] ) een vordering benadeelde partij heeft overgelegd. 2Tenlastelegging Aan verdachte is, kort gezegd, ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan: openlijke geweldpleging op 11 november 2024 te Amsterdam tegen personen, te weten een persoon (aangifte onder nummer [nummer] ), een politieagent ( [nummer agent] ), een chauffeur en inzittenden van een bus ( [busbedrijf] ), een bestuurder en conducteur van een tram ( [naam 1] ), en tegen goederen, te weten een restaurant ( [naam 2] ), een bus ( [busbedrijf] ), een tram ( [naam 1] ) en een bestelwagen. De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis en geldt als hier ingevoegd. 3Voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de openlijke geweldpleging op 11 november 2024 te Amsterdam. Het geweld is gepleegd door een groep waarvan verdachte onderdeel was. Verdachte heeft een bijdrage van voldoende gewicht aan het geweld geleverd door een steen op de tram te gooien. Alle ten laste gelegde gebeurtenissen maken onderdeel uit van één strafbaar feitencomplex. Het geweld heeft immers in een zeer kort tijdsbestek op een afgebakende locatie, het plein, plaatsgevonden, en moet daarom als één geheel worden gezien. Dit maakt dat verdachte ook strafrechtelijk aansprakelijk is voor de handelingen die niet hij, maar andere leden van de groep hebben gepleegd. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken. Niet kan worden vastgesteld dat verdachte aan de openlijke geweldpleging een significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd. Het enkele feit dat verdachte aanwezig was, is hiervoor onvoldoende. Er is maar één verbalisant die verdachte herkent op de beelden van de vernieling van de tram zelf en dit is onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen, de andere verbalisanten komen tot hun herkenning op basis van andere beelden. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat op grond van bewijsmiddelen wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de openlijke geweldpleging. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. Openlijke geweldpleging Van openlijke geweldpleging is sprake bij geweld gepleegd in vereniging, op een openbare plek. Geweld wordt in vereniging gepleegd als de dader opzet heeft gehad op het in vereniging plegen van het geweld en daaraan een ‘significante of wezenlijke bijdrage’ heeft geleverd. Deze bijdrage kan onder meer bestaan uit het verrichten van één of meer gewelddadige handelingen. De enkele omstandigheid dat de verdachte aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt, is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die in vereniging geweld pleegt. Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat er op 11 november 2024 sprake is geweest van openlijke geweldpleging op en rondom Plein ’40-’45 . De openlijke geweldpleging bestaat uit verschillende incidenten die elkaar in relatief korte tijd hebben opgevolgd, te weten brandstichting bij restaurant [naam 2] , vernieling van de bestelwagen, mishandeling van een man, vernieling van een [busbedrijf] bus, vernieling van een tram en mishandeling van een motoragent. Bijdrage verdachte Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte aanwezig was op Plein ’40-’45 . Dit heeft verdachte bekend en dat blijkt ook uit de overige bewijsmiddelen. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verdachte aan de openlijke geweldpleging een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd. Daartoe is het volgende van belang. Verdachte is NNW26 De rechtbank stelt allereerst vast dat verdachte degene is die in het dossier als de persoon met het kenmerk NNW26 wordt aangeduid. Een verbalisant heeft de route van NNW26 voorafgaand aan het gooien van de baksteen onderzocht aan de hand van camerabeelden. NNW26 is vastgelegd op de beelden voor de [winkel] . NNW26 wordt hier herkend als verdachte. Op dit moment heeft verdachte nog geen gezichtsbedekking op. Er wordt gezien dat verdachte de enige is die handschoenen draagt. De route van NNW26 wordt verder vastgelegd op de camerabeelden van het winkelcentrum Plein ’40/’45 , de ijssalon en een CCTR camera. De verbalisant omschrijft dat NNW26 vrijwel de hele tijd te volgen is, waarbij op enig moment waargenomen wordt dat NNW26 zijn gezicht deels bedekt. Een andere verbalisant herkent verdachte op de bewegende beelden, en de stills van deze beelden. Gebleken is dat NNW26 met kracht van meer dan een geringe betekenis een baksteen naar de tram heeft gegooid. In zoverre staat het plegen van het openlijk geweld naar de tram en de zich daarin bevindende personen vast. Partiële vrijspraak De vraag die vervolgens dient te worden beantwoord, is of dit door verdachte gepleegde geweld van zodanige betekenis is geweest dat gesproken moet worden van een significante bijdrage aan het geheel van gedragingen zoals ten laste gelegd. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend. Niet is immers komen vast te staan dat verdachte betrokken is geweest en/of een significante bijdrage heeft geleverd aan de overige in de tenlastelegging opgenomen geweldsplegingen tegen personen en goederen. Verdachte heeft weliswaar aan het openlijk geweld bijgedragen door het gooien van de steen naar de tram, maar heeft zich verder niet bezig gehouden met de brandstichting bij het restaurant, het vernielen van de bus en de bestelwagen, dan wel de mishandelingen van personen. Deze geweldshandelingen vonden weliswaar in een kort tijdsbestek plaats op en rond hetzelfde plein, maar het feit dat verdachte aanwezig was op dat plein en deelnam aan één van de geweldshandelingen (het gooien van de steen), is op zichzelf onvoldoende om te kunnen spreken van het leveren van een significante bijdrage aan de overige tenlastegelegde geweldshandelingen. De rechtbank zal verdachte daarom partieel vrij spreken van de openlijke geweldpleging tegen aangever (onder nummer [nummer] ), tegen een politieagent ( [nummer agent] ), een chauffeur en inzittenden van een bus ( [busbedrijf] ) en van de openlijke geweldpleging tegen goederen, te weten restaurant [naam 2] , een bus ( [busbedrijf] ) en een bestelwagen. 5Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in vervatte bewijsmiddelen bewezen dat de verdachte: op 11 november 2024 te Amsterdam, openlijk, te weten op Plein ‘40-’45 , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen, te weten: - een bestuurder en conducteur van een tram ( [naam 1] ) en tegen een goed, te weten: - een tram ( [naam 1] ) welk geweld bestond uit - het gooien van een steen tegen een tram van [naam 1] Nederland (waarin zich de bestuurder en de conducteur bevonden) (ZD 02). 6Bewijs De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht. 7Strafbaarheid van de feiten De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 8Strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 9Motivering van de straffen en maatregelen Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie vordert een taakstraf van 80 uren, waarvan 35 uren in de vorm van een leerstraf TACt en het overige in de vorm van een werkstraf, te vervangen door 40 dagen jeugddetentie indien de taakstraf niet behoorlijk wordt uitgevoerd en met aftrek van het voorarrest. Daarnaast vordert de officier van justitie een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 1 maand, met een proeftijd van 2 jaar. De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de voorwaardelijke straf naast de algemene voorwaarden, de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals geadviseerd door de Raad. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de op te leggen straf. Het oordeel van de rechtbank Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank zich laten leiden door de persoon van de verdachte zoals die naar voren komt in nagenoemde rapportages en hetgeen de deskundigen ter zitting hebben verklaard, alsmede de ernst van het bewezen geachte en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang. Ernst van de feiten Op 11 november 2024 hebben rellen plaatsgevonden op en rondom Plein ’40-’45 . Tijdens de rellen heeft een grote groep jongeren in een kort tijdsbestek veel en redeloos geweld gebruikt. Dit geweld heeft zich zowel gericht tegen goederen als ook tegen personen. Verdachte heeft bijgedragen aan het geweld door een steen naar een tram te gooien. De rechtbank acht de bewezenverklaarde openlijke geweldpleging ernstig en kwalijk. Nu deze geweldpleging slechts enkele dagen na de rellen rond de wedstrijd Ajax – Maccabi Tel Aviv plaatsvond, was de maatschappelijke impact van het geweld en het groepsgedrag extra groot. Dergelijke delicten versterken de in de maatschappij bestaande gevoelens van onrust, angst en onveiligheid. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij naar het plein is gegaan, hoewel hij die middag nog door een wijkagent gewaarschuwd was om vanwege de rellen weg te blijven van Plein ‘40/’45 . Persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie van 25 februari 2025, waaruit blijkt dat verdachte eerder veroordeeld is voor misdrijven, waaronder eerder voor een openlijke geweldpleging. Dit weegt de rechtbank in zijn nadeel mee. De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van de rapportages die in het kader van de persoonlijke omstandigheden van verdachte zijn opgemaakt. De deskundige van de Raad heeft gepersisteerd bij het ingediende advies, inhoudende dat aan verdachte een deels voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf op moet worden gelegd met daaraan verbonden voorwaarden. De deskundige vanuit de WSS heeft zich aangesloten bij het advies van de Raad. In de voorwaarden staat op dit moment dat verdachte mee moet werken aan coaching van een instelling zoals Indaad. De WSS verzoekt om dit te wijzigen naar een instelling zoals Come On! of IFA. De rechtbank acht het, met de officier van justitie en gezien de ernst van de feiten, van belang dat verdachte een consequentie ervaart van zijn handelen en zal daarom een taakstraf van 100 uren opleggen. De taakstraf bestaat uit een leerstraf, te weten de training TACt van 35 uren, die geheel ten uitvoer zal worden gelegd. De rest van de taakstraf zal bestaan uit een werkstraf met aftrek van het voorarrest, waarvan 40 uren voorwaardelijk, en met een proeftijd van twee jaar met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden. De rechtbank ziet geen reden om een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen. 10Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling Bij de stukken bevindt zich de op 31 januari 2025 ter griffie van de rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak 13.072436.24, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 12 juli 2024 van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een werkstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen jeugddetentie. Ten aanzien van deze werkstraf is bepaald dat 60 uren, subsidiair 30 dagen jeugddetentie, niet tenuitvoergelegd zullen worden tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Tevens bevindt zich bij de stukken een akte waaruit blijkt dat de kennisgeving, bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering, op 6 februari 2025 aan verdachte per post is verstuurd. Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt, zoals naar voren komt uit dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de gehele tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf te gelasten. De verdachte heeft eerder een kans gehad toen hem een voorwaardelijke straf werd opgelegd en heeft deze niet gegrepen. 11De benadeelde partijen Benadeelde partij [naam 1] / ZD07 [naam 1] B.V. vordert met betrekking tot de bus € 13.567,32 aan vergoeding van materiële schade. Zij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging, te weten de openlijke geweldpleging tegen de bus, wordt vrijgesproken. Benadeelde partij [naam N.V.] De benadeelde partij [naam N.V.] vordert met betrekking tot de tram € 45.905,38 aan materiële schade, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht de vordering toewijsbaar, zonder toepassing van de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat verzekeraars geen vordering in kunnen dienen binnen een strafzaak. Het oordeel van de rechtbank Ingevolge artikel 51f, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering kan degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit zich ter zake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij in het strafproces voegen. De werking van dit artikel strekt zich evenwel niet uit tot de mogelijkheid voor verzekeraars zich te voegen als benadeelde partij in het strafproces. Daarnaast is het verzoek tot schadevergoeding door slechts één bestuurder, te weten [naam 3] , ondertekend, terwijl uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel blijkt dat beide bestuurders van [naam N.V.] tesamen vertegenwoordigingsbevoegd zijn zodat één handtekening – zonder nadere toelichting – niet toereikend lijkt en de vordering niet deugdelijk lijkt ingediend. [naam N.V.] is daarom niet-ontvankelijk en kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Benadeelde partij ZD03- [nummer] De benadeelde partij ‘ZD 03 [nummer] ’ vordert € 2.650,44 aan vergoeding van materiële schade en € 4.000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging, te weten de openlijke geweldpleging tegen de benadeelde partij ZD03- [nummer] , wordt vrijgesproken. 12Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa en 141 van het Wetboek van Strafrecht. 13Beslissing Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld. Het bewezenverklaarde levert op: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen. Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren. Beveelt dat, als verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 50 (vijftig) dagen. Beveelt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden. Bepaalt dat 35 (vijfendertig) uren van de taakstraf bestaat uit een leerstraf TACt. Beveelt dat een gedeelte, groot 40 uren, van de werkstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt gelast. Stelt de proeftijd vast op 2 jaren onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde: - zich voor het einde van de proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit; en onder de bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde: een dagbesteding heeft en behoudt en volgens het lesrooster zijn opleiding en stage volgt en dit waar mogelijk positief afsluit; een (deels) adequate vrijetijdsbesteding heeft in de vorm van een bijbaan of sport en deze weet te behouden; meewerkt aan de geïndiceerde behandeling bij Inforsa of een soortgelijke instelling, zolang de jeugdreclasseerder dat nodig acht; meewerkt aan coaching van een instelling zoals Come On! of IFA of soortgelijke instelling, zolang de jeugdreclasseerder dat nodig acht. Van rechtswege gelden tevens de voorwaarden dat veroordeelde: - ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden; - zijn medewerking zal verlenen aan het door de Reclassering Nederland te houden toezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht. Geeft opdracht aan de WSS tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde daarvan te begeleiden. Gelast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde werkstraf (parketnummer 13.072436.24). Benadeelde partij [naam 1] Bepaalt dat de benadeelde partij [naam 1] niet-ontvankelijk is. Benadeelde partij [naam N.V.] Bepaalt dat [naam N.V.] niet-ontvankelijk is. Benadeelde partij ZD03- [nummer] Bepaalt de dat de benadeelde partij ZD03- [nummer] niet-ontvankelijk is. Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis. Dit vonnis is gewezen door mr. A.E. van Montfrans, voorzitter tevens kinderrechter, mrs. K.M. van Hassel en E. Dinjens, rechters, in tegenwoordigheid van mrs. S. Bien en A.M. Elsman, griffiers, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 april
  2. Zie onder meer een proces-verbaal van bevindingen, documentcode 20208048, p. 26019-
  3. Een proces-verbaal van bevindingen met documentcode 20279474, p. 26004-26006.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.