← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2025:5602

beschikking RECHTBANK AMSTERDAM Team Familie & Jeugd Parketnummer: 13.150753.19 Beslissing op de vordering van 30 april 2025 van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak tegen: [veroordeelde] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2003, thans verblijvende op het adres [adres] , die bij vonnis van deze rechtbank van 6 november 2019 is veroordeeld tot de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna ook: PIJ-maatregel of de maatregel). De rechtbank heeft bij beschikking van 11 maart 2025 de voorwaardelijk beëindigde PIJ-maatregel verlengd met 6 maanden. De inhoud van de vordering De vordering van de officier van justitie strekt tot het wijzigen/toevoegen van een locatiegebod met elektronische monitoring. De procesgang De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken in de zaak met bovenvermeld parketnummer, waaronder: de beschikking van deze rechtbank van 11 maart 2025; het uitgebrachte advies van GGZ Reclassering Inforsa Amsterdam (hierna: Inforsa) van 28 april 2025; het uitgebrachte deeladvies elektronische monitoring van Inforsa van 29 april

  1. De rechtbank heeft op 5 juni 2025 de vordering in de openbare raadkamer behandeld. Verschenen zijn: de officier van justitie, mr. M.S. Bond; [veroordeelde] , bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.A.C. de Bruijn, advocaat te Amsterdam; mw. [naam 1] , als deskundige namens Inforsa; dhr. [naam 2] , de begeleider van [veroordeelde] . Van de mondelinge behandeling is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt. Om deze reden zijn de standpunten hieronder verkort weergegeven. De standpunten Inforsa heeft geadviseerd een locatiegebod met elektronische monitoring als voorwaarde toe te voegen aan de voorwaarden die zijn opgelegd bij de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel. De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de vordering om als voorwaarde aan de voorwaarden die horen bij de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel een locatiegebod met elektronische monitoring toe te voegen. [veroordeelde] en zijn raadsman hebben bepleit de vordering af te wijzen. De beoordeling Op grond van artikel 6:6:32 lid 3 onder a van het Wetboek van Strafvordering kan de rechter ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van veroordeelde bijzondere voorwaarden stellen die het gedrag van de veroordeelde betreffen. De rechtbank is, gelet op het verhandelde in raadkamer en het daar besproken advies, van oordeel dat er op dit moment geen noodzaak bestaat voor het opleggen van deze ingrijpende bijzondere voorwaarde. Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is gebleken dat [veroordeelde] lastig te begeleiden is en regelmatig de aangeboden hulpverlening vermijdt. [veroordeelde] houdt zich niet altijd aan zijn bijzondere voorwaarden. Om een terugmelding van het toezicht te voorkomen, adviseert Inforsa om een locatiegebod met elektronische monitoring toe te voegen aan de bijzondere voorwaarden. Op die manier hoopt Inforsa dat [veroordeelde] zich, met behulp van een pedagogische aanpak en door het aanbrengen van structuur, weer aan de bijzondere voorwaarden zal houden en succeservaringen gaat opdoen. Inforsa hoopt dat [veroordeelde] gemotiveerd raakt voor werk en daarmee een stabiel en legaal inkomen verkrijgt, wat het risico op recidive vermindert. De rechtbank heeft alle begrip voor het standpunt van Inforsa en begrijpt dat dit advies is bedoeld als een kans voor [veroordeelde] . De rechtbank vindt het net als Inforsa heel belangrijk dat [veroordeelde] een zinvolle dagbesteding krijgt in de vorm van (on)betaald werk en een positieve vrijetijdsbesteding. Als voorwaarde geldt immers al dat [veroordeelde] mee moet werken aan het hebben van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, De rechtbank is niettemin van oordeel dat het toevoegen van een locatiegebod met een enkelband in dit stadium van de PIJ-maatregel niet de geschikte manier is om [veroordeelde] te motiveren voor een dagbesteding. De voorwaardelijk beëindigde PIJ-maatregel zal, behoudens verdere verlenging en eventuele tussentijdse opschortingsperiodes, onvoorwaardelijk eindigen op 22 augustus
  2. Toewijzing van de vordering zou betekenen dat [veroordeelde] tweeënhalve maand met een enkelband moet rondlopen. Gelet op het feit dat [veroordeelde] al een langdurig traject heeft doorlopen en het einde van de maatregel nadert, vindt de rechtbank een enkelband in deze fase van het traject niet zinvol meer. Daarnaast is [veroordeelde] inmiddels aan het solliciteren. Ondanks dat betwijfeld kan worden of [veroordeelde] dit vanuit een intrinsieke motivatie doet, is dit wel een stap in de goede richting. De rechtbank wil [veroordeelde] een laatste kans geven om een zinvolle dagbesteding te vinden en hoopt dat [veroordeelde] deze kans grijpt. De rechtbank benadrukt dat als [veroordeelde] niet binnen twee weken na vandaag een zinvolle dagbesteding in de vorm van betaald of onbetaald werk heeft gevonden het Inforsa vrij staat om de officier van justitie te adviseren een vordering verlenging van de voorwaardelijke beëindiging in te dienen. [veroordeelde] overtreedt immers al ongeveer een half jaar zijn bijzondere voorwaarden. Het is aan hem om te laten zien dat hij, zoals hij zegt, geen beïnvloedbare jonge van 16 jaar meer is, maar een volwassen man. De beslissing De rechtbank: - wijst de vordering van de officier van justitie af. Deze beschikking is gegeven op de openbare terechtzitting van deze rechtbank door mr. M.J.M. Marseille, voorzitter tevens kinderrechter, mrs. E.M. Devis en E. Diepraam, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.M. Elsman, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 juni 2025.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.