RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/137268-25 Datum uitspraak: 30 juli 2025 UITSPRAAK op de vordering van 19 mei 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 22 januari 2024 door the Court of Glostrup, Denemarken (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëist persoon], geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1993, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, [detentie adres], hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 16 juli 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. C.N.G.M. Starmans, advocaat in Utrecht, en door een tolk in de Poolse taal. De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank over de overlevering. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een bevel tot voorlopige hechtenis van the District Court of Glostrup (Denemarken) van 8 januari 2024, case no. GRL-49/
- De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Deens recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. 4Strafbaarheid Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de aanduiding als lijstfeit ook geldt voor feit 2 (het bezit van een vuurwapen en munitie), omdat het vuurwapen en de munitie zijn gebruikt bij feit 1 (het doodschieten van een persoon). Subsidiair heeft de officier van justitie betoogd dat feit 2 ook naar Nederlands recht strafbaar is. De rechtbank stelt voorop dat zij – afgezien van gevallen waarin op het feit niet een maximumstraf van ten minste drie jaren is gesteld – in het algemeen alleen dan treedt in de beoordeling of een feit al dan niet als lijstfeit kan worden aangemerkt, voor zover de toelaatbaarheid van de overlevering daarvan afhangt, dat wil zeggen voor zover aannemelijk is dat het feit niet naar Nederlands recht strafbaar is én er geen aanleiding bestaat om af te zien van weigering vanwege het ontbreken van dubbele strafbaarheid. In het licht van het voorgaande volgt de rechtbank de officier van justitie in het primaire standpunt. De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten: moord en doodslag, zware mishandeling. Uit het EAB volgt dat op de feiten naar het recht van Denemarken een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 5Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 6Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 2, 5 en 7 OLW. 7Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëist persoon] aan the Court of Glostrup, Denemarken, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter, mrs. H.J.H. van Meegen en M.C.M. Hamer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. dr. V.H. Glerum, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 30 juli
- Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Zie bijv. Rb. Amsterdam 31 december 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:8458.