vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 13/070608-24 Datum uitspraak: 5 augustus 2025 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1980, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres] , [woonplaats] , hierna: verdachte. 1Onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 juli 2025. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Modder en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. K. Cras naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging Aan verdachte is – na wijziging op de zitting – kort gezegd ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan: 1. schending van zijn ambtsgeheim als politieagent door vertrouwelijke informatie uit politiesystemen over verdachte, zijn familieleden, politiemedewerkers, andere personen, over opsporingsonderzoeken, incidenten in IJmuiden en kentekens te bevragen terwijl dit niet nodig was voor de uitoefening van zijn taak en die informatie te verstrekken aan derden in de periode van 21 juni 2021 tot en met 19 oktober 2023; 2. computervredebreuk door onbevoegd gebruik te maken van politiesystemen en servers en de gegevens daaruit over te nemen in de periode van 21 juni 2021 tot en met 19 oktober 2023; 3. het bezit van 50 pillen 2C-B op 19 oktober 2023. De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 3Waardering van het bewijs 3.1. Standpunt van het Openbaar Ministerie Verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 3 ten laste gelegde bezit van harddrugs. De onder 1 en 2 ten laste gelegde schending van het ambtsgeheim en computervredebreuk kan worden bewezen. 3.2. Standpunt van de verdediging Verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 3 ten laste gelegde bezit van harddrugs. Onder 1 (schending ambtsgeheim) dient verdachte te worden vrijgesproken van de bevraagde kentekens, omdat deze informatie niet is gedeeld met derden. Verder heeft de verdediging geen bewijsverweer gevoerd. 3.3. Oordeel van de rechtbank 3.3.1. Vrijspraak bezit harddrugs (feit 3) De rechtbank spreekt verdachte vrij van het bezit van 50 pillen 2C-B. Deze pillen zijn in een enveloppe aangetroffen in de locker van verdachte op het politiebureau waar hij werkte. Op de zitting is gebleken dat ongeveer 50 collega’s beschikten over de moedersleutel waarmee de locker van verdachte kon worden opengemaakt. Daarnaast blijkt uit het dossier dat verdachte op het moment van het aantreffen van de pillen al maanden niet meer op het betreffende politiebureau was geweest en dus ook geen gebruik meer maakte van deze locker. Gezien deze omstandigheden oordeelt de rechtbank dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte wetenschap van en beschikkingsmacht over deze pillen had. 3.3.2. Schending ambtsgeheim (feit 1) De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan schending van zijn ambtsgeheim, gelet op de bewijsmiddelen in het dossier en de bekennende verklaring van verdachte. Zij overweegt daartoe het volgende. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2020:527) volgt dat het schenden van een geheim in de zin van artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) moet worden uitgelegd als het verstrekken van geheime gegevens aan een ander die tot kennisneming daarvan onbevoegd is. Het voor zichzelf ontsluiten van geheime informatie, zonder die informatie met anderen te delen, levert geen “schending” op van het ambtsgeheim als bedoeld in artikel 272 Sr. Geheimhoudingsplicht als politieambtenaar Verdachte was sinds 2007 werkzaam bij de politie Amsterdam. Op de taakuitvoering van politieambtenaren, zo ook verdachte ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten, is de Wet politiegegevens (hierna: Wpg) van toepassing. Uit artikel 3 van de Wpg blijkt dat politiegegevens slechts worden verwerkt (hieronder ook begrepen: verstrekt) voor zover dit noodzakelijk is voor de bij of krachtens de Wpg geformuleerde doeleinden. Uit artikel 7 van de WPG blijkt dat verdachte als agent een geheimhoudingsplicht heeft met betrekking tot politiegegevens die hem ter beschikking zijn gesteld. Dit betekent dat, in beginsel, de uit dit artikel voortvloeiende verplichting tot geheimhouding in de weg staat aan verstrekking van de gegevens. Politieambtenaren moeten voorts op grond van artikel 125a lid 3 van de Ambtenarenwet, nader uitgewerkt in artikel 9 van het Besluit algemene rechtspositie politie bij hun indiensttreding de ambtseed of -belofte afleggen, waarin zij onder andere verklaren dat zij geen informatie zullen openbaren waarvan zij het vertrouwelijke karakter moeten begrijpen. Opzet Verdachte heeft in zijn verklaringen meermaals te kennen gegeven dat hij op de hoogte was van het feit dat hij geen informatie mocht delen met anderen die niet noodzakelijk was voor de uitvoering van zijn werk en dat hij dat toch heeft gedaan. Daarmee heeft hij opzettelijk gehandeld (dit geldt voor zowel feit 1 als feit 2). Vrijspraak ten aanzien van bevragingen/informatie die verdachte niet met anderen heeft gedeeld Op basis van de processen-verbaal over de loggingen van verdachte staat vast dat hij veelvuldig informatie over (ex-)familieleden, politiecollega’s en derden heeft bevraagd. Dat verdachte specifiek deze informatie met een ander heeft gedeeld kan op basis van het dossier echter niet worden vastgesteld. Daarom spreekt de rechtbank verdachte vrij van het schenden van zijn ambtsgeheim ten aanzien van (vertrouwelijke) informatie over familieleden, politiemedewerkers en personen (feit 1 eerste en vierde gedachtestreepje). Het verweer van de raadsvrouw ten aanzien van de in de tenlastelegging genoemde kentekens wordt hiermee gehonoreerd. Bewijs voor schending ambtsgeheim van onbevoegd verkregen gegevens die met anderen zijn gedeeld Uit het proces-verbaal met betrekking tot het uitlezen van zijn telefoon blijkt dat verdachte ook onbevoegde informatie heeft gedeeld met anderen. Verdachte heeft in de periode van 21 juni 2021 tot en met 12 augustus 2022 op verzoek van vrienden en uit zichzelf informatie opgevraagd en bevraagd in systemen van de politie. De informatie had betrekking op lopende opsporingsonderzoeken en incidenten/registraties in de omgeving van IJmuiden, waaronder beelden van de politiemonitoren op de meldkamer in mediagevoelige opsporingsonderzoeken zoals direct na het neerschieten van [naam 2] , en de gijzeling in de Apple Store, maar ook informatie over gebeurtenissen in de woonomgeving van verdachte, IJmuiden, en informatie over een boete en over een van zijn vrienden. Verdachte heeft foto’s gemaakt van beelden op de monitoren in de meldkamer, van de binnenkant van de parkeergarage van de politie met daarop burgervoertuigen inclusief leesbaar kenteken van politiemedewerkers en van een verdachte tijdens een aanhouding in een woning en die foto’s vervolgens gedeeld met vrienden. Verdachte was hiertoe onbevoegd. Deze informatie had geheim moeten blijven voor derden. Verdachte heeft bekend dat hij wist dat hij deze informatie geheim moest houden, maar dat hij deze toch met zijn vrienden heeft gedeeld uit dwangmatige nieuwsgierigheid en uit stoerdoenerij. Door deze geheime informatie onbevoegd met derden te delen, heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan schending van zijn ambtsgeheim. 3.3.3. Computervredebreuk (feit 2) De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan computervredebreuk. De servers waarop de applicaties van de politie worden gehost kunnen als geautomatiseerde werken worden aangemerkt. Verdachte heeft in de periode van 21 juni 2021 tot en met 18 oktober 2023 onbevoegd bevragingen gedaan door de aan hem toegekende autorisaties voor een ander doel te gebruiken dan waarvoor die aan hem waren verstrekt. Hij heeft zijn gebruikersnaam en/of wachtwoord, waarover hij beschikte vanuit zijn functie als politieambtenaar, gebruikt bij het bevragen van familieleden, collega’s (en daar weer familie van), personen die een aantoonbare connectie hebben met verdachte of zijn familie en overige bevragingen in de omgeving IJmuiden. Door onbevoegd in te loggen en bevragingen te doen, is verdachte wederrechtelijk binnengedrongen in deze servers met behulp van valse sleutels. Bovendien heeft hij een deel van de gegevens overgenomen. Zo heeft verdachte blijkens het proces-verbaal met betrekking tot het uitlezen van zijn telefoon in de periode van 21 juni 2021 tot en met 12 augustus 2022 foto’s met daarop politie en informatie over lopende onderzoeken gedeeld met derden. Is er sprake van geautomatiseerde werken die de politie toebehoren? In de tenlastelegging is opgenomen dat er sprake is van computervredebreuk door binnen te dringen in een geautomatiseerd werk, te weten een computersysteem of een webserver van de politie. De vraag doet zich dan ook voor of verdachte in dit geval is binnengedrongen in een geautomatiseerd werk van de politie of daarnaast ook in een geautomatiseerd werk dat aan een ander toebehoort. Het binnendringen in een geautomatiseerd werk dat niet toebehoort aan de politie valt immers niet onder de reikwijdte van de tenlastelegging. Onder een ‘geautomatiseerd werk’ wordt volgens art. 80sexies Sr verstaan: “een apparaat of groep van onderling verbonden of samenhangende apparaten, waarvan er één of meer op basis van een programma automatisch computergegevens verwerken.” Kort gezegd moet het gaan om digitale apparaten, dus om hardware. Gegevens, zoals softwareapplicaties, zijn geen geautomatiseerde werken. De rechtbank begrijpt dat verdachte via de politiesystemen door kan klikken naar de sites van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW), de Strafrechtketendatabank (SKDB) en Politie Suite Handhaving Vreemdelingen (PSHV). De RDW-systemen behoren toe aan het Ministerie van Infrastructuur. De SKDB behoort toe aan het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Voor de rechtbank is onvoldoende duidelijk of het PSHV een applicatie is en vanaf welke server dit wordt gehost. Daarom wordt verdachte van computervredebreuk ten aanzien van de gegevens van de RDW, SKDB en PSHV vrijgesproken. De rechtbank begrijpt dat de andere sites waar informatie vandaan is gehaald, te weten BVI-IB, BVH, MEOS, Bluespot en OPP-EnS zijn wel systemen die op servers van de politie worden gehost. De computervredebreuk ten aanzien van die gegevens wordt wel bewezen. 4Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte Feit 1 op tijdstippen in de periode van 21 juni 2021 tot en met 12 augustus 2022 inNederland, een geheim waarvan hij, verdachte, wist dat hij uit hoofde van zijn ambt, te weten politiemedewerker bij de Eenheid Amsterdam, en wettelijk voorschrift (te weten artikel 3 Wet politiegegevens en artikel 7 Wet Politiegegevens) verplicht was te bewaren, opzettelijk heeft geschonden, door telkens opzettelijk in een of meerdere politiesystemen (onder andere uit/in BVI-IB en/of BVH en/of MEOS en/of Bluespot en/of OPP-EnS (vertrouwelijke) informatie over- [naam 1] en - opsporingsonderzoeken en - incidenten/registraties in de omgeving van IJmuiden, terwijl het bevragen van voornoemde gegevens niet noodzakelijk was voor deuitvoering van zijn werkzaamheden, te bevragen en/of op te vragen en (vervolgens) die verkregen (vertrouwelijke) informatie aan daartoe niet-gerechtigde personen/derden te verstrekken; Feit 2 op tijdstippen in de periode van 21 juni 2021 tot en met 18 oktober 2023 inNederland, opzettelijk en wederrechtelijk is binnengedrongen in een gedeelte van geautomatiseerde werken, te weten computersystemen van de politie waarop de applicaties BVI-IB en BVH en MEOS en Bluespot en OPP-EnS worden gehost, met behulp van een valse sleutel, te weten door het (telkens) onbevoegd gebruik te maken van een gebruikersnaam en/of wachtwoord voor die systemen en/ofzich toegang te verschaffen tot (delen van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.