RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 25/1496 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 augustus 2025 in de zaak tussen Stichting [naam stichting], te [vestigingsplaats], eiseres (gemachtigde: [gemachtigde]), en de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam (gemachtigde: mr. H. Oderkerk). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 12 februari 2024. 1.1. De heffingsambtenaar heeft bij beschikking van 31 juli 2023 de waarde van de onroerende zaak Van [adres] in Amsterdam (de onroerende zaak) voor het belastingjaar 2022 vastgesteld op € 4.815.000,-. In dezelfde beschikking is aan eiseres voor het belastingjaar 2022 ook de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Amsterdam opgelegd. 1.2. Eiseres heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft gereageerd met een verweerschrift. 1.3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juni 2025. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, bijgestaan door [de persoon 1], taxateur. De heffingsambtenaar was aanwezig in de persoon van mr. H. Oderkerk, bijgestaan door [de persoon 2], taxateur. Beoordeling door de rechtbank 2. De heffingsambtenaar is op de zitting volledig tegemoetgekomen aan de waarde die eiseres voorstond voor de woning voor belastingjaar 2022. Deze zal worden vastgesteld op € 3.611.000,-. 3. Partijen hebben geen overeenstemming bereikt over de hoogte van de proceskostenvergoeding. Eiseres vindt dat er geen correctiefactor moet worden toegepast, omdat het object anders is dan normaal en de zaak daardoor ingewikkelder is dan normale zaken. De heffingsambtenaar verwijst naar twee uitspraken van de Hoge Raad en meent dat de correctiefactor van 0,25 uit artikel 30a, tweede lid, van de wet WOZ wel dient te worden toegepast. 4. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 17 januari 2025 geoordeeld dat de wetgever met de beperkingen van proceskostenvergoedingen in procedures over de Wet WOZ het oog heeft gehad op gevallen die zich daardoor kenmerken dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat (
- i)wordt opgetreden op basis van no cure no pay, (
- ii)daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. Aanwijzingen dat dit laatste het geval is, kunnen bijvoorbeeld worden gevonden in de omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak. Gevallen die kennelijk niet deze kenmerken hebben, moeten in het licht van het doel van de regeling over proceskostenvergoedingen in de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm worden aangemerkt als bijzondere gevallen in de zin van artikel 30a, leden 1 en 2, van de Wet WOZ, met als gevolg dat in die gevallen geen aanleiding bestaat tot vermenigvuldiging van de op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) berekende forfaitaire vergoeding met de factor 0,25 of 0,10. 5. In deze zaak is in ieder geval niet voldaan aan de in het arrest genoemde voorwaarde als hiervoor weergegeven onder punt (iii). De gemachtigde van eiseres heeft duidelijk tijd en moeite gestoken in de procedure. Zo heeft hij in het beroepschrift en in de aanvullende stukken op de zaak toegespitste gronden opgenomen die niet kunnen worden aangemerkt als gestandaardiseerde tekstblokken. Bovendien heeft gemachtigde een externe taxateur ingehuurd die op locatie is gaan kijken en voor het specifieke object een taxatierapport heeft opgemaakt met een onderbouwde waarde. Door middel van deze stukken is de heffingsambtenaar tot de conclusie gekomen geheel tegemoet te komen aan eiseres. Dat betekent dat er geen sprake is van een situatie waarvoor de in artikel 30a, tweede lid, van de wet WOZ vermelde beperkingen van proceskostenvergoedingen zijn bedoeld. Er is dus geen aanleiding voor toepassing van een correctiefactor. 6. De gemachtigde van eiseres verzoekt de rechtbank te bepalen dat de betaling van de proceskostenvergoeding rechtstreeks aan hem dient plaats te vinden, omdat eiseres in de machtiging de vordering vóór de totstandkoming van het nieuwe artikel 30a, vierde en vijfde lid, van de Wet WOZ rechtsgeldig gecedeerd heeft. Daarbij heeft hij aangevoerd dat het verpandings-/vervreemdingsverbod dat is opgenomen in artikel 30a, vijfde lid, van de Wet WOZ onrechtmatig is. 7. Artikel 30a, vierde en vijfde lid, van de Wet WOZ zijn met ingang van 1 januari 2024 in werking getreden. Voor de leden 4 en 5 van artikel 30a Wet WOZ is geen overgangsrecht opgenomen. Dit brengt met zich dat een uitbetaling van een proceskostenvergoeding naar aanleiding van een uitspraak van een bestuursorgaan of een rechter van na 1 januari 2024, op grond van artikel 30a, vierde lid, van de wet WOZ uitsluitend kan plaatsvinden op een bankrekening op naam van de belanghebbende. 8. Wat betreft het verzoek van (de gemachtigde van) eiseres, is de rechtbank van oordeel dat de belastingrechter niet bevoegd is een oordeel te geven over de wijze waarop de betaling van de proceskostenvergoeding dient plaats te vinden. Eiseres dient zich bij een geschil over de uitbetaling van de proceskostenvergoeding te wenden tot de burgerlijke rechter. Uit artikel 8:75 van de Awb , noch uit artikel 30a van de Wet WOZ of enige andere wettelijke bepaling, volgt immers dat de belastingrechter is gehouden op een dergelijk verzoek te beslissen. Conclusie en gevolgen 9. Het beroep is gegrond omdat de heffingsambtenaar de in de bestreden uitspraak vastgestelde WOZ-waarde niet handhaaft. De rechtbank zal de bestreden uitspraak vernietigen en zelf in de zaak voorzien door de WOZ-waarde van de woning voor het belastingjaar 2022 vast te stellen op € 3.611.000,-. De aanslag onroerende zaakbelasting dient overeenkomstig deze waarde te worden verminderd. 10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat de heffingsambtenaar aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank veroordeelt de heffingsambtenaar tevens in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.108,- (1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift, 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting met een waarde per punt van € 647,- en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 907,- en wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt de bestreden uitspraak op bezwaar; stelt de WOZ-waarde van de woning voor het belastingjaar 2022 vast op € 3.611.000,-; bepaalt dat de aanslag onroerende zaakbelasting overeenkomstig deze waarde wordt verminderd; bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar van 12 februari 2024; veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten tot een bedrag van € 3.108,-; draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 371,- aan eiseres te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Z. Achouak el Idrissi, rechter, in aanwezigheid van mr. J.Y. Exterkate, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2025. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Amsterdam waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Hoge Raad van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46 en 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:671. Wet van 20 december 2023 tot wijziging van de Wet waardering onroerende zaken en de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 in verband met het herwaarderen van de proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, Stb. 2023, 507. ECLI:NL:HR:2025:46, rechtsoverweging 5.3.1. en 5.3.2.