cRECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 23/5027 uitspraak van de meervoudige kamer van 17 juli 2025 in de zaak tussen [eiser], uit [woonplaats], eiser/verzoeker (gemachtigde: mr. V.J. Oranje), en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder, (gemachtigde: mr. F.M.E. Schuttenhelm). Procesverloop 1.
- Verweerder heeft met het primaire besluit van 26 januari 2023 aan eiser een bestuurlijke boete opgelegd vanwege strijd met de Huisvestingswet 2014 (Huisvestingswet) in samenhang met de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020 (Huisvestingsverordening). 1.
- Met het bestreden besluit van 27 juli 2023 heeft verweerder het bezwaar tegen de oplegging van de boete ongegrond verklaard. 1.
- Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.
- Met het herziene besluit van 10 oktober 2024 heeft verweerder het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, waarbij het besluit van 26 januari 2023 wordt herroepen voor wat betreft de hoogte van de boete. 1.
- De rechtbank heeft het beroep op 10 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder, mr. M.R. Eland-Darsan en [de persoon] aan de zijde van verweerder. De rechtbank heeft de zaken gelijktijdig behandeld met de beroepen in zaken AMS 23/5442, AMS 23/4961 en AMS 23/
- 1.
- Ter zitting heeft eiser het beroep ingetrokken en de rechtbank verzocht om verweerder te veroordelen in de proceskosten. De rechtbank zal gelet hierop het beroep niet inhoudelijk behandelen maar afdoen als een verzoek om veroordeling van verweerder in de proceskosten onder toepassing van artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Gelet op deze afhandeling zal eiser hierna verzoeker worden genoemd. 1.
- De rechtbank heeft verweerder ter zitting in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld bereid te zijn 1 punt te vergoeden voor het indienen van het beroepschrift. Beoordeling door de rechtbank
- De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt. Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
- Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Is verweerder aan verzoeker tegemoetgekomen?
- Op 28 augustus 2023 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen het bestreden besluit waarin het bezwaar van verzoeker ongegrond is verklaard. Verweerder heeft op 10 oktober 2024 alsnog het bezwaar gegrond verklaard en het primaire besluit herroepen voor wat betreft de hoogte van de boete. Verweerder heeft de hoogte van de boete vastgesteld op € 2.900,-. Hiermee is verweerder gedeeltelijk tegemoetgekomen aan het beroep van verzoeker. De rechtbank ziet dan ook reden om verweerder te veroordelen in de proceskosten van verzoeker en zal het verzoek toewijzen. Welk bedrag aan proceskosten moet verweerder aan verzoeker vergoeden?
- De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). De rechtbank ziet echter aanleiding om dit bedrag te verminderen met 50% tot een bedrag van € 907,- op grond van artikel 2, tweede lid, van het Bpb. De gemachtigde van verzoeker was ook de gemachtigde van de partijen in de procedures die gelijktijdig met de zaak van verzoeker zijn behandeld, zie overweging 1.
- Hoewel hij dus feitelijk wel op de zitting is verschenen, is het beroep van verzoeker niet inhoudelijk behandeld omdat het meteen door de gemachtigde van verzoeker is ingetrokken gelet op het herziene besluit van 10 oktober
- Een zitting in de zaak van verzoeker was niet nodig geweest. Krijgt verzoeker een vergoeding van het griffierecht?
- Verweerder dient aan verzoeker het betaalde griffierecht van € 184,- te vergoeden. Beslissing De rechtbank: - bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 184,- aan eiser vergoedt; - veroordeelt verweerder tot betaling van € 907,- aan proceskosten aan verzoeker. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. Belcheva, voorzitter, mr. M.H.W. Franssen en mr. T.I. Oost, leden, in aanwezigheid van mr. K.M. Nannan Panday, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 17 juli
- griffier voorzitter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.