vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel zaaknummer / rolnummer: C/13/772682 / KG ZA 25-575 vVV/BB Vonnis in kort geding van 15 augustus 2025 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser bij dagvaarding van 22 juli 2025, advocaat mr. K. Tülü te Alkmaar, tegen de naamloze vennootschap ING BANK N.V., gevestigd te Amsterdam, gedaagde, advocaten mr. D. Verheij en mr. D.A. Apperloo te Amsterdam. Partijen zullen hierna [eiser] en ING worden genoemd. 1De procedure Op de mondelinge behandeling van 30 juli 2025 heeft [eiser] de vordering zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. ING heeft verweer gevoerd. Beide partijen hebben producties en een pleitnota ingediend. Ter zitting waren aanwezig: aan de kant van [eiser] : [eiser] met mr. Tülü; aan de kant van ING: [naam 1] (jurist) en [naam 2] (senior fraude onderzoeker) met mr. Verheij en mr. Apperloo. Vonnis is bepaald op vandaag. 2De feiten 2.1. [eiser] is enig bestuurder en aandeelhouder van [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ). 2.2. [eiser] heeft in maart 2024 een zakelijk krediet aangevraagd bij ING voor herfinanciering van een lopende financiering. Op de bij de aanvraag verstrekte balans van [bedrijf 1] stond € 213.580,00 aan inventaris en € 63.254,00 aan transportmiddelen vermeld en dat er diverse vlottende activa in het bedrijf aanwezig waren. 2.3. Op vragen van ING over de te herfinancieren lening heeft de boekhouder van [eiser] / [bedrijf 1] op 1 april 2024 het volgende geantwoord: ‘De lening is destijds verstrekt voor uitbreiding filialen. De condities waren een lening tegen een rentepercentage van 5% voor 3 jaar van de heer [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] . De tijd is gekomen om deze lening af te lossen en er is momenteel niet genoeg geld om deze leningen geheel af te lossen, vandaar vragen wij van u een lening. Onze bedrijfsactiviteit bestaat uit het exploiteren van een horecazaak ( [bedrijf 2] ).’ Verder is op de vraag ‘Graag ontvangen we een opgave van de huidige hoogte van de her te financieren lening; conform cijfers 2023 was deze eind van het jaar ruim 158k, gevraagd wordt 80k. Is de rest extra afgelost en hoe? van de ING op 24 april 2024 door de boekhouder geantwoord: ‘Wij hebben momenteel twee vestigingen. Wij maken nog meer winst. Omdat wij niet zo veel personeel hebben nodig. Dan hebben wij ongeveer 60.000 minder personeelskosten in 2024. De rest schuld kunnen wij binnen een jaar aflossen.’ 2.4. ING heeft op 10 juli 2024 een offerte aan [bedrijf 1] toegestuurd voor een lening van € 83.465,00. In de offerte is opgenomen dat de Algemene Kredietvoorwaarden en de Algemene Bankvoorwaarden van toepassing zijn en dat [bedrijf 1] middels de Pandakte Bedrijfsactiva van eveneens 10 juli 2024 een eerste pandrecht aan ING afgeeft op alle bedrijfsactiva. Nadat [eiser] de offerte en pandakte had ondertekend is het bedrag van € 83.465,00 op 15 juli 2024 door ING overgeboekt naar de ING-rekening van [bedrijf 1] . 2.5. Nadat [bedrijf 1] een ongeoorloofde debetstand had laten ontstaan op de zakelijke rekeningen bij ING is zij op 22 november 2024 schriftelijk door ING verzocht om voor 29 november 2024 aan haar betalingsverplichting te voldoen. Wegens het uitblijven van een reactie van [eiser] heeft ING het kredietdossier op 3 december 2024 overgedragen aan Vesting Finance (hierna: VF) en heeft VF toegelicht dat op grond van artikel 9.1 Algemene Kredietvoorwaarden de kredietverlening wordt beëindigd. VF heeft [bedrijf 1] verzocht de totale schuld van (op dat moment) € 84.930,99 te betalen. 2.6. Op 12 december 2024 heeft ING van VF een melding ontvangen van mogelijke (krediet)fraude aan de zijde van [eiser] / [bedrijf 1] , waarna ING een onderzoek is gestart. Daaruit volgde dat van het totaal op 15 juli 2024 ontvangen krediet op dezelfde dag een bedrag van € 50.000,00 en de dag erna een bedrag van € 33.000,00 is overgeboekt naar een particuliere ING-rekening van [eiser] en dat [eiser] daarvan vervolgens betalingen aan derden heeft gedaan (onder andere van ongeveer € 20.000,00 aan Eldexo BXL B.V. en € 12.000,00 aan LVDH Finance B.V.). 2.7. In een gesprek op 11 maart 2025 heeft ING aan [eiser] gevraagd naar de bestedingen van het kredietgeld en de reden van de overboekingen van zijn particuliere rekening. Op 13 maart 2025 heeft ING aan [eiser] een verslag gestuurd van het gesprek en om nadere informatie gevraagd onder andere over de verkoop van de aanvankelijk vijf vestigingen van [bedrijf 2] . [eiser] heeft daarop een reactie gestuurd, maar niet de gevraagde informatie verstrekt. 2.8. Bij brief van 9 april 2025 heeft ING de bancaire relatie met [eiser] en [bedrijf 1] beëindigd en aangekondigd dat de (persoons)gegevens van [eiser] en [bedrijf 1] voor de duur van 8 jaar zullen worden opgenomen in het Intern Verwijzingsregister van ING (IVR) en in het Incidentenregister (IR) en Externe Verwijzingsregister (EVR). In de brief is onder meer het volgende opgenomen: ‘Uit haar onderzoeksbevindingen kan ING geen andere conclusie trekken dan dat u ING vals heeft voorgelicht bij de aanvraag van het zakelijke krediet in juli 2024, waardoor ING op valse gronden is overgegaan tot het aan u beschikbaar stellen van het krediet. Immers op het moment dat u de Rentevastlening bij ING aanvroeg met overlegging van de jaarcijfers 2023 van uw onderneming [bedrijf 1] B.V. en zowel de offerte als de pandakte ondertekende, vond er al enkele maanden geen bedrijfsactiviteit meer plaats en had u alle bedrijfsactiva van de vestigingen van [bedrijf 2] reeds verkocht (de laatste in april/mei 2024). Uit het onderzoek en uit de rekeninganalyses blijkt dat het evident is dat u als bestuurder en wettelijk vertegenwoordiger betrokken bent bij de door ING vastgestelde strafbare feiten, waaronder (niet limitatief) oplichting, onttrekking aan het pandrecht, verduistering en witwassen. ING is door [bedrijf 1] B.V. opgelicht waarbij niet alleen uw onderneming, maar ook u, als bij ons bekende wettelijke vertegenwoordiger van [bedrijf 1] B.V., een prominente rol speelt. Nu de uit oplichting verkregen kredietgelden aantoonbaar door u zijn aangewend ter verrijking van uzelf, maakt u zich niet alleen schuldig aan (het medeplegen van) oplichting, maar ook aan (niet limitatief) onttrekking aan het pandrecht en witwassen, strafbaar gesteld onder respectievelijk artikel 326, 348 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht. De concrete en ernstige verdenking is dan ook dat u en uw onderneming [bedrijf 1] B.V. feitelijk betrokken zijn bij de kredietfraude.’ 2.9. ING heeft tevens op 9 april 2025 strafrechtelijke aangifte gedaan tegen [eiser] voor het niet naar waarheid verstrekken van gegevens, oplichting en het onttrekken van goederen aan het pandrecht. 2.10. Het bezwaar van [eiser] tegen de blokkade van zijn betaalrekeningen en opname van de (persoons)gegevens van [eiser] en [bedrijf 1] in de registers heeft ING bij brief van 9 juli 2025 van de hand gewezen. 3Het geschil 3.1. [eiser] vordert samengevat - ING te bevelen om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis zijn persoonsgegevens uit het EVR te verwijderen en verwijderd te houden, met veroordeling van ING in de proceskosten. 3.2. [eiser] heeft daartoe gesteld dat ING ten onrechte heeft geconcludeerd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan, kort gezegd, kredietfraude. Volgens hem heeft hij bij de aanvraag van het krediet volledig openheid van zaken gegeven en geen valse informatie verstrekt. Op het moment dat hij de aanvraag deed waren er nog twee vestigingen van [bedrijf 2] in bedrijf. In de periode daarna is de ene vestiging verkocht en de ander op last van de gemeente gesloten. [eiser] was inmiddels al bezig met een nieuwe franchiseonderneming ( [bedrijf 3] ) en zou zijn activiteiten dus voortzetten. Daarom is het niet in hem opgekomen om deze wijziging aan ING door te geven. Volgens [eiser] is het onjuist dat hij goederen aan het pandrecht heeft onttrokken. Voor de inventaris van de verkochte vestiging heeft hij gelden ontvangen die aan [bedrijf 1] zijn toegekomen en de inventaris van de gesloten vestiging is voor een groot gedeelte opgegaan in de nieuwe franchiseonderneming. [eiser] heeft verder naar voren gebracht dat het op 15 juli 2024 verkregen krediet volledig is gebruikt waarvoor het was bedoeld, namelijk het terugbetalen van de leningen van drie geldverstrekkers in Turkije. Vanwege zijn banden met de Gülenbeweging en zijn vlucht uit Turkije kon [eiser] de leningen niet via de bank aflossen. Zowel zijn gezin in Turkije als de geldverstrekkers zouden dan achterhaald kunnen worden en gevaar lopen. [eiser] heeft daarom een gedeelte van het verkregen krediet overgeboekt naar zijn privérekening en van daaruit overgeboekt naar het bedrijf van een vriend in België die voor contante betaling aan de geldverstrekkers in Turkije heeft gezorgd. Dat deze bedragen niet overeenkomen met de hoogte van het verkregen krediet betekent volgens [eiser] niet dat het krediet niet volledig is gebruikt voor de aflossing van de leningen. In dit verband heeft hij verklaard dat hij in de periode van februari tot en met mei 2024 ook al een deel van de leningen op deze manier heeft afgelost. Daarvoor heeft hij toen andere bronnen aangeboord die hij met de door het krediet verkregen ruimte weer heeft weten te dichten. Van een persoonlijke verrijking is geen sprake geweest. Verder heeft [eiser] naar voren gebracht dat de EVR-registratie voor hem verstrekkende gevolgen heeft. [eiser] heeft in dit verband naar voren gebracht dat hij onroerend goed heeft dat moet worden geherfinancierd. HYRA heeft zijn verzoek daartoe afgewezen, als gevolg waarvan nu een executieveiling door de huidige hypotheekverstrekker (LVDH Finance) dreigt. Bovendien wordt hij als klant geweigerd bij andere banken. Ten slotte heeft [eiser] verklaard dat zijn intenties altijd goed zijn geweest. Voor zijn betalingsachterstand heeft hij een afbetalingsregeling afgesproken die uitsluitend door een misverstand over betaling op de 1e of de 15e van de maand is beëindigd. Hij is ook in staat om de lening terug te betalen. Al met al is het volgens [eiser] niet gerechtvaardigd om de EVR-registratie, die hem naar de financiële afgrond zal brengen, te handhaven. 3.3. ING voert verweer. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. Vooropgesteld wordt dat opname in het (IR en het daaraan gekoppelde) EVR, verstrekkende gevolgen kan hebben. De deelnemende financiële ondernemingen kunnen immers door raadpleging van het EVR vaststellen dat er sprake is van opname in het IR door (een) andere deelnemer(s). Vervolgens kunnen zij nadere informatie omtrent de reden van opname opvragen. Dit kan ertoe leiden dat niet alleen de deelnemer die tot opname in het IR is overgegaan, maar ook andere deelnemers financiële diensten aan de opgenomen persoon zullen weigeren. Gelet hierop dienen hoge eisen te worden gesteld aan de grond(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.