← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2025:601

beschikking RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugd zaaknummer / rekestnummer: C/13/755249 / FA RK 24-5420 Beschikking van 15 januari 2025 in de zaak van: [verzoekster] , wonende te [woonplaats 1] , hierna te noemen verzoekster, advocaat mr. M.J. Meijer te Haarlem, tegen [de juridische vader] , overleden op [overlijdensdatum] 2020, hierna te noemen: de juridische vader, en [de biologische vader] ,wonende te [woonplaats 2] ,hierna te noemen [de biologische vader] ,advocaat mr. J.G. Schnoor te Den Haag . 1De procedure 1.

  1. De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: - het verzoek van verzoekster met bijlagen, ingekomen op 6 augustus 2024; het verweerschrift van [de biologische vader] , ingekomen op 4 december 2024; het F9-formulier met bijlage van verzoekster, ingekomen op 12 december
  2. 1.
  3. De mondelinge behandeling achter gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 december
  4. Hierbij zijn verschenen: verzoekster, bijgestaan door haar advocaat; de advocaat van [de biologische vader] ; [dochter 1] , dochter van [de biologische vader] ; [dochter 2] , dochter van [de biologische vader] ; [dochter 3] , dochter van [de biologische vader] . [de biologische vader] is, met kennisgeving, niet verschenen. 1.
  5. Van de zijde van [de biologische vader] is een pleitnota overgelegd. 2De vaststaande feiten 2.
  6. Verzoekster is geboren tijdens het huwelijk van de juridische vader, geboren op [geboortedatum 1] 1939 te [geboorteplaats 1] en overleden op [overlijdensdatum] 2020, en [de moeder] (eveneens overleden). 2.
  7. Uit het DNA-testrapport van DDC van [testdatum] 2024 blijkt dat de kans dat [de biologische vader] de biologische vader van verzoekster is 99.99995% bedraagt. 3De beoordeling 3.
  8. Verzoekster verzoekt de ontkenning van het vaderschap van de juridische vader ten aanzien van haarzelf gegrond te verklaren en het vaderschap van [de biologische vader] over haar vast te stellen. Zij stelt daartoe onder meer dat is gebleken dat [de biologische vader] haar biologische vader is en dat zij de juridische situatie in overeenstemming wil brengen met de feitelijke situatie. Met de juridische vader had verzoekster weinig contact en hij is een aantal jaren geleden overleden. 3.
  9. [de biologische vader] en zijn dochters voeren verweer en voeren aan dat verzoekster niet-ontvankelijk is in haar verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning vaderschap, aangezien zij het verzoek tot ontkenning niet tijdig heeft gedaan. Daarnaast voeren zij aan dat [de biologische vader] als donor is opgetreden. Zij verzoeken dan ook afwijzing van de verzoeken van verzoekster. De dochters van [de biologische vader] stellen dat zij belanghebbenden zijn in de procedure. Belanghebbenden 3.
  10. De rechtbank zal zich allereerst uitlaten over de vraag of de dochters van [de biologische vader] aangemerkt dienen te worden als belanghebbenden in de procedure met betrekking tot het gerechtelijk vaststellen van het vaderschap. 3.
  11. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 4 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1370 beantwoordt de rechtbank deze vraag ontkennend. In dit arrest heeft de Hoge Raad in rechtsoverweging 3.
  12. onder meer overwogen dat de kring van personen die geacht kunnen worden rechtstreeks bij de vaststelling van het ouderschap te zijn betrokken, zich beperkt tot de moeder, het kind en degene van wie verzocht wordt het ouderschap vast te stellen. Buiten deze kring vallende personen zijn niet aan te merken als belanghebbenden in de zin van artikel 798 lid 1 Rv. 3.
  13. Het voorgaande betekent dat de dochters van [de biologische vader] niet als belanghebbenden aangemerkt kunnen worden in deze procedure. Dat zij als gevolg van de vaststelling van het vaderschap van [de biologische vader] worden geraakt in hun vermogensrechtelijke belang als erfgenaam van [de biologische vader] , maakt dit niet anders, nu dit niet een belang is waarop de zaak rechtstreeks betrekking heeft. De rechtbank zal de dochters in de procedure met betrekking tot de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap wel aanmerken als informanten. Gegrondverklaring ontkenning vaderschap Ontvankelijkheid 3.
  14. Uit het door verzoekster overgelegde DNA-onderzoek blijkt – kort gezegd – dat [de biologische vader] haar biologische vader is. Tussen partijen staat dit ook niet ter discussie. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verzoekster ontvankelijk is in haar verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap. Een dergelijk verzoek moet bij de rechtbank worden ingediend binnen drie jaren nadat het kind bekend is geworden met het feit dat de man vermoedelijk niet zijn of haar biologische vader is. Indien het kind evenwel gedurende zijn minderjarigheid bekend is geworden met dit feit, kan het verzoek tot uiterlijk drie jaren nadat het kind meerderjarig is geworden, worden ingediend. 3.
  15. Verzoekster stelt dat zij er pas in november 2023 mee bekend is geraakt dat [de biologische vader] haar biologische vader is doordat [de biologische vader] dat toen aan haar en zijn dochters heeft verteld. Zij stelt dat zij eerder niet het vermoeden had dat haar juridische vader niet haar biologische vader was. Verzoekster was zes jaar oud toen haar ouders gingen scheiden en heeft haar juridische vader nadien nauwelijks nog gezien. [de biologische vader] is altijd in het leven van verzoekster geweest als oude vriend van haar ouders. Ze had met hem goed contact en hij noch haar moeder hebben tot 2023 ooit verteld hoe het werkelijk zat. Toen verzoekster 28 jaar oud was, is ze op zoek gegaan naar haar identiteit en heeft ze daarom contact gezocht met haar juridische vader. Haar moeder en [de biologische vader] waren beiden op de hoogte van haar zoektocht en hebben laten gebeuren dat verzoekster contact heeft gezocht met haar juridische vader. De ontmoeting liep uit op een grote teleurstelling. Slechts de scheiding en veel wrok waren onderwerp van gesprek. Haar juridische vader beschuldigde haar moeder er onder meer van tijdens het huwelijk met diverse mannen het bed te hebben gedeeld en gaf aan dat het weleens zo zou kunnen zijn dat verzoekster niet eens zijn kind is. Hij noemde ook de naam van [de biologische vader] als een van de mannen die om haar moeder heen draaiden. Haar juridische vader gaf echter aan er wel vanuit te gaan haar biologische vader te zijn omdat hij toen nog steeds fysiek was met haar moeder en hij grote gelijkenissen ziet tussen hemzelf en verzoekster. Verzoekster had naar aanleiding van dit gesprek niet het vermoeden dat haar juridische vader niet haar biologische vader was. Na zijn dood bleek haar juridische vader verzoekster en haar zus tot hun verrassing, terwijl ze al heel lang geen contact meer met hem hadden, in zijn testament te hebben aangewezen als erfgenaam. Noch haar moeder, noch [de biologische vader] , met wie verzoekster daar ten tijde van het overlijden van haar juridische vader over sprak, hebben toen de gelegenheid aangegrepen om te vertellen hoe het werkelijk zat. Gelet op dit alles heeft verzoekster nooit anders gedacht, of kunnen bedenken binnen haar vermogen, dan dat haar juridische vader ook haar biologische vader was. Pas nadat zijn vrouw, haar juridische vader en haar moeder waren overleden, biechtte [de biologische vader] op dat zij zijn kind was. Het doet haar pijn dat ze al die jaren is voorgelogen, ook omdat ze een onveilige jeugd heeft gehad, maar het voelt ook als een bevrijding dat ze een leuke vader blijkt te hebben. Ze wil nu graag dat de juridische situatie in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke situatie. Het gaat haar niet om de erfenis zoals de dochters [de biologische vader] nu denken, aldus verzoekster. 3.
  16. [de biologische vader] en zijn dochters betogen dat verzoekster haar verzoek te laat heeft gedaan. Volgens [de biologische vader] en zijn dochters blijkt uit het verhaal van verzoekster dat zij sinds 2002 al meer dan een vermoeden had dat haar juridische vader niet haar biologische vader was. Vanaf 1999 was verzoekster bovendien bekend met de uitspraken die haar moeder had gedaan in het blad “ [magazine] ” van november
  17. Verzoekster schreef voor dit blad en interviewde destijds haar moeder en [naam] (de vrouw van [de biologische vader] ). In het interview verklaart haar moeder: “ [naam] ’s man is inmiddels een soort van vader voor mijn dochters geworden. Vooral met mijn jongste trekt hij veel op en noemt haar weleens gekscherend zijn “vierde dochter”. Ook gelet daarop had ze het vermoeden moeten hebben, aldus [de biologische vader] en zijn dochters. 3.
  18. De rechtbank stelt voorop dat bij de bepaling van het tijdstip waarop het vermoeden is ontstaan dat een ander dan de juridische vader de biologische vader is, over het algemeen voorzichtigheid geboden is (zie ook de conclusie van de Advocaat-Generaal bij de beschikking van de Hoge Raad van 17 mei 2013, LJN: BZ3641). Hoewel er in het verleden wel eens opmerkingen zijn gemaakt waardoor verzoekster zou hebben kunnen gaan twijfelen aan of haar juridische vader ook haar biologische vader was, vindt de rechtbank deze opmerkingen niet voldoende om aan te nemen dat verzoekster al voor 6 augustus 2021 (drie jaar voor indiening van het verzoekschrift) bekend is geworden met het feit dat haar juridische vader vermoedelijk niet haar biologische vader was. Deze bekendheid is pas in 2023 ontstaan toen [de biologische vader] aan haar en zijn dochters vertelde dat hij ook de vader van verzoekster is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verzoekster haar verzoek tot gegrondverklaring van ontkenning van het vaderschap tijdig heeft ingediend en dat zij ontvankelijk is in haar verzoek. 3.
  19. Vast staat dat de juridische vader niet de biologische vader van verzoekster is. Gelet daarop zal de rechtbank het verzoek van verzoekster tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van de juridische vader toewijzen. Gerechtelijke vaststelling vaderschap 3.
  20. Het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het ouderschap is gegrond op artikel 1:207 BW. Dit artikel bepaalt onder meer dat het ouderschap van een persoon op de grond dat deze de verwekker is van het kind of op de grond dat deze als levensgezel van de moeder ingestemd heeft met een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad, door de rechtbank kan worden vastgesteld op verzoek van het kind. Aan deze vaststelling is geen termijn verbonden. Dit betekent dat verzoekster ook ontvankelijk is in dit deel van haar verzoek. 3.
  21. [de biologische vader] voert aan dat de moeder van verzoekster en hij destijds hebben afgesproken dat hij als donor op zou treden omdat de moeder van verzoekster graag nog een tweede kind wilde en haar echtgenoot (de juridische vader) niet. Het is nooit de bedoeling geweest dat hij met de moeder en verzoekster een gezin zou gaan vormen, aldus [de biologische vader] . 3.
  22. De rechtbank stelt voorop dat onder de verwekker van het kind wordt verstaan de man die samen met de moeder op natuurlijke wijze het kind heeft laten ontstaan. Onder de verwekker van een kind wordt in het algemeen niet begrepen de man die als donor zijn sperma ten behoeve van kunstmatige bevruchting heeft afgestaan met het oogmerk van donorschap. Nu op grond van DNA-onderzoek vaststaat dat [de biologische vader] de biologische vader is van verzoekster, moet er in beginsel vanuit worden gegaan dat hij haar verwekker is. [de biologische vader] kan tegen dit vermoeden tegenbewijs leveren, in die zin dat hij aannemelijk dient te maken dat hij de donor is (vgl Hoge Raad 26 juni 2009, ECLI:NL:HR:BH2250). 3.
  23. De rechtbank komt dan ook bij de vraag of [de biologische vader] het bewijsvermoeden dat hij de verwekker is van verzoekster heeft ontzenuwd en of hij aannemelijk heeft gemaakt dat hij is opgetreden als donor. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt. 3.
  24. Vast staat dat er sprake is geweest van geslachtsgemeenschap tussen [de biologische vader] en de moeder van verzoekster. Verzoekster is op natuurlijke wijze ontstaan. Of sprake is geweest van een (langdurige) liefdesrelatie, zoals verzoekster stelt, of niet, zoals [de biologische vader] en zijn dochters betogen, is juridisch niet relevant. Ook een one-night stand maakt de man verwekker. Gesteld noch gebleken is dat [de biologische vader] en de moeder van verzoekster voorafgaand aan de geslachtsgemeenschap een spermadonorovereenkomst hebben gesloten. Indien [de biologische vader] alleen als donor had willen optreden, had het op zijn weg gelegen om hierover duidelijke afspraken met de moeder van verzoekster te maken en deze afspraken vast te leggen, hetgeen hij heeft nagelaten. 3.
  25. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [de biologische vader] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij is opgetreden als donor en dat hij het bewijsvermoeden dat hij de verwekker van verzoekster is, niet heeft ontzenuwd. 3.
  26. Gelet op het voorgaande ligt het verzoek van verzoekster in beginsel voor toewijzing gereed. Redelijkheid en billijkheid en belangenafweging 3.
  27. Uit de stellingen van [de biologische vader] en wat door zijn dochters is aangevoerd, leidt de rechtbank af dat zij zich op het standpunt stellen dat het toewijzen van het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van vaderschap na overlijden zou leiden tot een situatie die op grond van de redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Zij vinden dat sprake is van een uitzonderlijke situatie die een belangenafweging tussen de belangen van verzoekster en de belangen van [de biologische vader] en zijn dochters vergt. Zij voeren aan dat het nooit de bedoeling is geweest van [de biologische vader] om verzoekster als zijn dochter te erkennen. Het gezin dat werd gevormd door [de biologische vader] , zijn echtgenote en de dochters heeft altijd hard gewerkt in het familiebedrijf en de opbrengsten hiervan dienen dan ook aan hen ten goede te komen. De dochters maken zich zorgen over [de biologische vader] die ziek is en snel zal overlijden en zij willen rust. 3.
  28. Uit het arrest van de Hoge Raad van 25 maart 2005 (ECLI:NL:HR:2005:AT0412) blijkt dat volgens artikel 1:207, eerste lid, BW voor de vaststelling van het vaderschap van een man niet meer is vereist dan dat deze de verwekker van het kind is; daarbij is met name geen plaats voor een afweging van de belangen van het kind tegenover die van de verwekker. Dit is ook de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever geweest. Naar de zienswijze van de wetgever behoort het belang van het kind steeds te prevaleren boven dat van de verwekker. Dit geldt nog meer voor het belang van het kind ten opzichte van dat van de familieleden van de verwekker. 3.
  29. De rechtbank stelt dan ook vast dat de wet, ook in dit geval, geen ruimte biedt voor de verzochte belangenafweging door [de biologische vader] . Nu de rechtbank van oordeel is dat het verwekkerschap van [de biologische vader] vast staat en in artikel 1:207 BW geen overige eisen worden gesteld, zal de rechtbank het vaderschap van [de biologische vader] over verzoekster vaststellen. Geslachtsnaam 3.
  30. Op grond van artikel 1:5 lid 7 van het BW verklaart een kind dat ouder is dan zestien jaar, in geval van gerechtelijke vaststelling van het vaderschap, ten overstaan van de rechter of het de geslachtsnaam van de ene of de andere ouder zal hebben. Van deze verklaring wordt melding gemaakt in de rechterlijke uitspraak inzake de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap. 3.
  31. Verzoekster heeft verklaard dat zij de geslachtsnaam [geslachtsnaam biologische vader] zal hebben. De rechtbank zal hiervan melding maken in het dictum van deze beschikking. 4De beslissing De rechtbank: verklaart gegrond de ontkenning van het vaderschap van [de juridische vader] , geboren op [geboortedatum 1] 1939 te [geboorteplaats 1] , ten aanzien van [verzoekster] , geboren op [geboortedatum 2] 1974 te [geboorteplaats 2] ; stelt onder de opschortende voorwaarde dat de beslissing tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap ten aanzien van verzoekster in kracht van gewijsde is gegaan vast het ouderschap van: [de biologische vader] , geboren op [geboortedatum 3] 1932 te [geboorteplaats 3] ,wonende te [woonplaats 2] , ten aanzien van [verzoekster] , geboren op [geboortedatum 2] 1974 te [geboorteplaats 2] ; stelt vast dat verzoekster de geslachtsnaam [geslachtsnaam biologische vader] zal dragen; draagt de griffier op, nadat deze beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [geboorteplaats 2] ; Deze beschikking is gegeven door mr. C.C.M. Oude Hengel, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. T.M.M.P. Westbroek, griffier, op 15 januari
  32. Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).Het beroep moet worden ingesteld:- door de verzoeker en de in de procedure verschenen belanghebbenden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.