RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 25/1088 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juli 2025 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser en de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar. Procesverloop Bij besluit van 17 januari 2025 heeft de heffingsambtenaar aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd. Met de uitspraak op bezwaar van 3 februari 2025 (de bestreden uitspraak) heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juli
- Eiser is verschenen. Namens de heffingsambtenaar is verschenen [naam] . Overwegingen
- Op 14 januari 2025 stond de auto van eiser, met kenteken [kenteken] stil in een parkeervak ter hoogte van [adres] te Amsterdam . Om 13.49 uur heeft een parkeercontroleur van de gemeente Amsterdam geconstateerd dat geen parkeerbelasting was voldaan. Vervolgens is de naheffingsaanslag opgelegd.
- Volgens eiser is de naheffingsaanslag parkeerbelasting onterecht opgelegd. Eiser stelt dat er sprake was van het laden van een zwaar hoverboard. Eiser voert aan dat hij nog geen minuut bij zijn auto stond te wachten op een verkoper van Marktplaats en dat op dat moment de scanauto voorbij reed. Eiser verwijst daarbij naar zijn chatgeschiedenis op Marktplaats . Het overdragen en laden van de hoverboard nam daarna slechts enkele minuten in beslag, aldus eiser.
- De heffingsambtenaar voert aan dat eiser zelf aangeeft dat hij aan het wachten was op de verkoper van Marktplaats . Wachten is geen onmiddellijk laden of lossen. Bovendien blijkt uit de scanfoto’s niet dat sprake was van enige laad- of losactiviteit. Er zijn geen zichtbare kenmerken zoals een open achterklep, geopende deuren of ingeschakelde alarmverlichting. Ook is niet gebleken dat eiser op het moment van de scancontrole daadwerkelijk bezig was met het overdragen of ontvangen van goederen. Daarnaast stond eiser geparkeerd in een fiscaal parkeervak.
- Tussen partijen is in geschil of de naheffingsaanslag terecht aan eiser is opgelegd. Meer in het bijzonder houdt partijen verdeeld of sprake is van ‘parkeren’ zoals de heffingsambtenaar betoogt, dan wel van ‘onmiddellijk laden en lossen’ zoals eiser bepleit.
- De rechtbank overweegt het volgende. Op grond van artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet wordt onder parkeren verstaan ‘het gedurende een aangesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- en uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op de binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden.’ De Verordening parkeerbelastingen Amsterdam 2025 (de verordening) kent eenzelfde definitiebepaling. Uit het arrest van de Hoge Raad van 12 mei 1999 (ECLI:NL:HR:1999:AA2760) volgt dat onder ‘onmiddellijk laden en lossen’ dient te worden verstaan het bij voortduring inladen of uitladen van zaken van enige omvang of enig gewicht, onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht en gedurende de tijd die daarvoor nodig is. Het moet gaan om zaken van een zodanige omvang of gewicht dat zij niet of bezwaarlijk op een andere wijze dan per voertuig ter plaatse kunnen worden gehaald of gebracht. De bewijslast dat sprake was van laden en/of lossen rust op eiser.
- Eiser heeft de rechtbank de gang van zaken ten tijde van de controle duidelijk gemaakt. Maar de rechtbank kan eiser toch niet volgen in zijn betoog dat hij niet aan het parkeren was, maar bezig was met het laden van een hoverboard. De rechtbank stelt vast dat er op de scanfoto’s geen activiteiten zijn te zien waaruit blijkt dat er sprake is van onmiddellijk laden. De auto van eiser staat geparkeerd in een parkeervak met gesloten deuren en ramen en ook de verlichting van de auto is uitgeschakeld. Eiser staat weliswaar naast de auto, maar dit enkele feit is niet een indicatie voor onmiddellijk laden. Volgens vaste rechtspraak is ook het kort stilstaan aan te merken als parkeren waarvoor parkeerbelasting is verschuldigd. Nu eiser, zoals hij zelf heeft verklaard, stond te wachten, was er dus sprake van parkeren.
- Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de heffingsambtenaar terecht heeft vastgesteld dat eiser ten tijde van de controle parkeerde. Omdat eiser geen parkeerbelasting heeft voldaan, is de naheffingsaanslag terecht opgelegd. Conclusie
- Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk heeft. Voor een proceskostenvergoeding of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. K.S. Man, rechter, in aanwezigheid van mr. H.M. Dost, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 juli
- griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.