← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2025:6242

RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 25/1161 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juli 2025 in de zaak tussen [eiseres] , te [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: [gemachtigde] ) en de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar. Procesverloop Met de uitspraak op bezwaar van 7 januari 2025 (de bestreden uitspraak) heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiseres tegen het dwangsombesluit van 21 juni 2023 ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft geen verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juli

  1. Eiseres en haar gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. De heffingsambtenaar is, zonder bericht van verhindering, niet verschenen. Overwegingen
  2. De rechtbank stelt vast dat de heffingsambtenaar geen inhoudelijk verweer heeft gevoerd en ook niet aan zijn verplichting heeft voldaan om de op de zaak betrekking hebbende stukken in te dienen.
  3. De rechtbank kan bij gebrek aan de op de zaak betrekking hebbende stukken de juistheid van de gronden van eiseres niet beoordelen. De rechtbank is van oordeel dat dit voor risico en rekening van de heffingsambtenaar dient te komen. Aangezien de heffingsambtenaar de standpunten van eiseres niet heeft weersproken, gaat de rechtbank in deze procedure uit van de juistheid daarvan.
  4. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank vernietigt de bestreden uitspraak en draagt de heffingsambtenaar op opnieuw een uitspraak op het bezwaar van eiseres te doen. De rechtbank geeft de heffingsambtenaar een termijn van zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak om opnieuw op het bezwaar te beslissen.
  5. De rechtbank ziet aanleiding om de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskostenvergoeding wordt op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld. De rechtbank stelt de vergoeding van de proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift). De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van een lichte zaak en kent daarom een wegingsfactor 0,5 toe. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt de bestreden uitspraak op bezwaar; draagt de heffingsambtenaar op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 453,
  6. - bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. K.S. Man, rechter, in aanwezigheid van mr. H.M. Dost, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 juli
  7. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.