RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/156571-25 Datum uitspraak: 14 augustus 2025 UITSPRAAK op de vordering van 23 mei 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 25 april 2025 door the Provincial Court in Radom, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1985, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [BRP-adres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang Zitting 17 juli 2025 De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 17 juli 2025, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman mr. D.W.H.M. Wolters, advocaat in Hoofddorp, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. Tussenuitspraak 24 juli 2025 De rechtbank heeft op 24 juli 2025 bij vervroeging een tussenuitspraak gewezen waarbij het onderzoek is heropend en voor onbepaalde tijd is geschorst teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de vragen in rubriek 8 van de tussenuitspraak aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen. Zitting 12 augustus 2025 De behandeling van het EAB is, met toestemming, in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 12 augustus 2025, in aanwezigheid van mr. W.LM. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman mr. D.W.H.M. Wolters, advocaat in Hoofddorp, en door een tolk in de Poolse taal. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3Tussenuitspraak van 24 juli 2025 De rechtbank stelt vast dat in de tussenuitspraak van 24 juli 2025 al is geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB, de toetsing aan artikel 12 OLW, de strafbaarheid van de feiten, de gelijkstelling en de toetsing aan artikel 11 OLW. Wat de rechtbank in deze tussenuitspraak hierover heeft overwogen, kan als hier herhaald en ingelast worden beschouwd. De raadsman heeft naar voren gebracht dat er inmiddels contact is geweest met een Poolse advocaat die opheldering over het strafrestant heeft gevraagd bij en heeft gekregen van de Poolse rechtbank. Hieruit is volgens de raadsman naar voren gekomen dat er nog maar een strafrestant van drie jaar is. In wat de raadsman naar voren heeft gebracht ziet de rechtbank geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan in rubriek 3 van de tussenuitspraak van 24 juli 2025 en verwijst hier dan ook naar. Dat oordeel kan als hier herhaald en ingelast worden beschouwd. 4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9 OLW: ne bis in idem Standpunt van de raadsman De raadsman heeft betoogd dat niet kan worden uitgegaan van het antwoord in de aanvullende informatie van 31 juli 2025, gelet op de feiten en omstandigheden in deze zaak. De onder feit IV van het vonnis met kenmerk II K 98/21 genoemde gedraging is materieel hetzelfde feit als waarvoor de opgeëiste persoon eerder is veroordeeld, namelijk het vernielen van een hek. Er is slechts een andere kwalificatie aan verbonden in Polen. De opgeëiste persoon is eerder voor de vernieling van een hek in dezelfde periode veroordeeld tot een boete en heeft die boete betaald. Dat het strafrestant onjuist stond vermeld in het EAB geeft aanleiding om te denken dat het antwoord van de uitvaardigende justitiële autoriteit onjuist is. Omdat de beslistermijn geen ruimte biedt voor het stellen van nadere vragen, moet de overlevering voor dit feit worden geweigerd. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat van het antwoord in de aanvullende informatie van 31 juli 2025 moet worden uitgegaan. Hierin heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit duidelijk aangegeven dat de opgeëiste persoon nooit strafrechtelijk is veroordeeld voor het onder IV genoemde feit van het vonnis met kenmerk II K 98/
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.